BVS

Advertisement

Zoönosen

Lees hier onze andere blogs

Disclaimer & Auteursrecht – BVS De inhoud van deze website en de bijbehorende blogs is uitsluitend bedoeld voor opiniërende, reflecterende en informatieve doeleinden. De teksten weerspiegelen de persoonlijke meningen en interpretaties van de auteur. De auteur geeft geen garantie wat betreft de volledige juistheid of actualiteit van de geboden informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade of gevolgen voortvloeiend uit het lezen, interpreteren of delen van de inhoud. Een deel van de teksten of citaten kan afkomstig zijn uit externe bronnen. Hoewel wordt gestreefd naar een zorgvuldige bronvermelding, kan BVS niet verantwoordelijk worden gehouden voor eventuele onjuistheden of inbreuken door derden. Door deze website te gebruiken, stemt u in met de inhoud van deze disclaimer. Alle materialen op deze website zijn auteursrechtelijk beschermd. Reproductie, verspreiding of commercieel gebruik zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de auteur of BVS is forbidden.

Dossier Zoonosen

Klik op een link om meteen naar het betreffende onderwerp te gaan:

SOORTEN:
 

Ongeveer twee derde van de verwekkers van infectieziekten is afkomstig van dieren. Mensen kunnen besmet raken via voedsel of water of lucht en via direct contact met besmette dieren of mest. Ook kunnen zoönosen via teken en muggen worden overgebracht. Bij tekenbeten denken we meestal aan de ziekte van Lyme, maar teken kunnen ook een andere nare ziekte overdragen waar je in het ergste geval hersen- of hersenvliesontsteking van kunt krijgen. Het gaat om tekenencefalitis, een ziekte die langzaam maar zeker oprukt.Het woord zoönose is afgeleid van de Griekse woorden zoön (dier) en nosos (ziekte). Veel levensbedreigend verlopende infectieziekten zijn zoönosen, daar deze bacteriën, protozoa, virussen of wormen vaak zijn aangepast om in hun specifieke gastheer te overleven zonder al te veel schade aan te richten, maar deze bij andere gastheren een heftige immuunreactie oproepen. Het verschijnsel waarbij menselijke aandoeningen worden overgedragen op dieren, wordt antroponose genoemd. 

Nodulaire dermatose, ook wel lumpy skin disease (LSD) genoemd, is geen zoönose, maar een virale dierziekte die voornamelijk runderen en waterbuffels treft

Een Chinees onderzoeksteam van het Guangzhou Laboratorium heeft een nieuw HKU5 vleermuisvirus ontdekt dat gebruik maakt van  menselijke receptor, die signalen opvangt en doorgeeft. Het onderzoek werd geleid door Shi Zhengli, een toonaangevende viroloog die bekend staat als de Batwoman vanwege haar uitgebreide onderzoek naar vleermuisvirussen. Het onderzoek vond plaats in , samen met onderzoekers van de Guangzhou Academie van Wetenschappen, de Universiteit van Wuhan en het Wuhan Instituut voor Virologie. Het gevonden virus behoort tot de HKU5-coronavirus-lijn, die voor het eerst is geïdentificeerd in de Japanse dwergvleermuis in Hongkong. Het virus maakt deel uit van de merbecovirus-subgroep, waartoe ook het virus dat het Midden-Oosters ademhalingssyndroom (MERS) veroorzaakt, behoort. Het belangrijkste kenmerk van dit virus is dat het in staat is om zich te binden aan het menselijk angiotensine-converterend enzym (ACE2), hetzelfde receptor dat door het SARS-CoV-2-virus, dat COVID-19 veroorzaakt, wordt gebruikt om cellen te infecteren.

Er wordt onderzoek gedaan naar aandoeningen die door teken worden overgedragen, zoals de ziekte van Lyme, veroorzaakt door de Borrelia-bacterie. Maar er zijn verschillende Borrelia-soorten die verschillende symptomen bij mensen veroorzaken, variërend van koorts tot neurologische klachten. Door te onderzoeken of bepaalde Borrelia soorten specifiek bij bepaalde dieren voorkomen, kunnen gerichtere maatregelen worden genomen om ziekte te voorkomen. Het aantal gemelde tekenbeten in Nederland lag in 2022 een stuk lager dan in voorgaande jaren. Jaarlijks zijn er naar schatting bijna 1,5 miljoen tekenbeten bij mensen in Nederland. Het droge weer van vorig jaar is mogelijk de oorzaak van het relatief lage aantal beten. 

Ander onderzoek betreft de risico’s van zoönosen die via wilde dieren op de mens worden overgedragen. Zo is aangetoond dat bij vossen een lintworm (Echinococcus multilocularis) voorkomt die een ernstige ziekte bij mensen kan veroorzaken.

In diverse onderzoeken naar de gezondheidsrisico’s voor omwonenden van veehouderijen worden ook de risico’s van zoönosen via de leefomgeving meegenomen. Q-koorts, veroorzaakt door de Coxiella-bacterie, is een voorbeeld van een zoönose die door de lucht kan worden overgedragen.

Door zwemmen kunnen mensen de bekende zwemmersjeuk oplopen. Wanneer zij met de zoönotische Trichobilharzia in aanraking komen krijgen ze daar bulten van. Dit is een van de meest voorkomende klachten bij zwemwater in Nederland.

In de jaren 80 experimenteerde de toenmalige Sovjet-Unie met het geschikt maken van het marburgvirus voor biologische oorlogsvoering. Wetenschappers van Biopreparat ontdekten dat, in aerosolvorm, er slechts een paar virusdeeltjes nodig waren voor het infecteren van een slachtoffer. Ze onderzochten verder hoe dit virus met een intercontinentale raket van het type SS-18 ingezet kon worden tegen bevolkingscentra in NAVO-gebied. Nadat een van de wetenschappers, dr. Nikolai Ustinov, zichzelf per ongeluk geïnjecteerd had met Marburg, konden zijn collega’s uit zijn stoffelijk overschot een nog dodelijkere versie van het virus isoleren en cultiveren. Deze werd variant U genoemd naar dr. Ustinov. Volgens Alibek waren de Sovjets in 1991 zover dat ze Marburg-variant U in grote hoeveelheden konden produceren. Volgens de plannen zouden dan tien afzonderlijk richtbare, met Marburg U geladen koppen op de genoemde raketten geplaatst worden die daarna in het operationele arsenaal van de Sovjets zouden worden opgenomen. Sinds het vertrek van Ken Alibek is weinig tot niets meer bekend over de status van het huidige Russische onderzoek naar en/of ontwikkeling van biologische wapens.Dier

Partners die samenwerken op velerlei expertiseterreinen van zoönose in binnen- en buitenland zijn: het Wageningen Bioveterinary Research, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Gemeentelijke Gezondheidsdienst, de faculteit Diergeneeskunde bij de Universiteit Utrecht het Institute for Risk Assessment Sciences, Dutch Wildlife Health Centre, het European Centre for Disease Prevention and Control, de European Food Safety Authority,, de Wereldgezondheidsorganisatie en de World Organisation for Animal Health / Office International des Epizooties, RIVM, WHO, Collaborating Centre for Risk Assessment of Pathogens in Food and Water, European Union-referentielaboratorium voor Salmonella en nationaal referentielaboratorium voor diverse voedsel overdraagbare bacteriën en zoönotische parasieten.

De NVWA heeft op 28 april 2023 een melding uit Frankrijk ontvangen dat bij een aap, afkomstig van een groep apen die via een bedrijf in Nederland in de EU was geïmporteerd, tuberculose was vastgesteld. De NVWA stelde vervolgens de ministeries van LNV en VWS op de hoogte en heeft het bedrijf geblokkeerd. De apen die nog in Nederland aanwezig waren zijn door de NVWA onderzocht op besmetting met tuberculose, waarbij 15 dieren inderdaad positief op een variant van het Mycobacterium tuberculosis complex bleken te zijn, waarop bij de import en intraverkeer binnen de EU niet is getest. Uiteindelijk zijn op verzoek van de eigenaar alle nog in Nederland aanwezige apen geëuthanaseerd. De NVWA heeft daarnaast contact gezocht met het RIVM en de tuberculose-arts van de regionale GGD. Deze hebben de casus geanalyseerd en de risico’s voor de volksgezondheid als verwaarloosbaar klein beoordeeld. Na aanvullend onderzoek bij Wageningen Bioveterinairy Research (WBVR) werd de tuberculosebacterie getypeerd als Mycobacterium bovis caprae, dit is een andere variant dan de humane variant die over het algemeen bij mensen en apen wordt gevonden (M. tuberculosis). De apen waren niet meer geschikt voor het onderzoeksdoel waarvoor ze waren gekomen, noch was gebruik in een dierentuin mogelijk omwille van de gezondheidsrisico’s voor andere apen en voor bezoekers. Het is ons niet bekend wat er met de apen uit dezelfde groep in de andere EU-lidstaten is gebeurd.

Nederlandse onderzoeksinstellingen hebben in principe de afspraak gemaakt dat apen voor dierproeven niet uit het buitenland afkomstig kunnen zijn. Deze afspraak geldt in Nederland maar niet in andere EU-lidstaten, waar de apen voor bestemd waren. De import van apen is vooralsnog noodzakelijk aangezien er voor dierproeven in Europa met name op gebied van infectieziekten en ernstige neurologische aandoeningen -naast andere dieren- nog altijd apen gebruikt moeten worden. Deze onderzoeksgebieden zijn complex en daarom (nog) niet na te bootsen in beschikbare proefdiervrije technieken. Voor het verkrijgen van deze dieren zijn onderzoeksinstellingen grotendeels afhankelijk van toelevering van buiten Europa. Toepassing van de regelgeving van de Europese Unie en de actieve monitoring op de aanwezigheid van alle varianten van het Mycobacterium tuberculosis complex, maakt dat de risico’s beheersbaar zijn en gezien het feit dat deze dieren geen contact hebben met het publiek is het risico onzes inziens acceptabel in het licht van het maatschappelijk doel wat aan deze transporten ten grondslag ligt.

Voor een onderzoek zijn twee Amerikaanse Holstein-koeien onderzocht, waarvan bekend is dat ze besmet waren met het H5N1-vogelgriepvirus. De melkklierblaasjes vertoonden verzwakkingen, wat onder meer leidt tot afbraak, vervelling en uierontsteking. De ontsteking was ook via de melk aantoonbaar. Daarnaast werden siaalzuurreceptoren van de typen a2-3 en a2-6 gevonden in de luchtwegen en het uierweefsel. Deze receptoren zijn koppelingen waarin de influenza A-soorten zich kunnen binden. Vogelgriepvirussen koppelen zich met a2-3, terwijl virussen van zoogdieren, zoals varkens en mensen, de voorkeur geven aan de a2-6. Dat beide soorten receptoren gevonden zijn, wijst er volgens de onderzoekers op dat runderen vatbaar zijn voor deze influenza A-virussen.

Zoönosen zijn infectieziektes die van een dier op de mens kunnen overgaan. In Nederland vooral voorkomende zoönosen zijn:

Anaplasmose en ehrlichiose

Anaplasma en Ehrlichia zijn bacteriën die groeien in verschillende soorten witte bloedcellen. Anaplasma phagocytophilum veroorzaakt de ziekte humane granulocytaire anaplasmose (HGA). Deze ziekteverwekker komt in heel Europa en Amerika af en toe voor bij teken. In teken worden ook andere Anaplasma-soorten gevonden, maar die veroorzaken geen ziekte bij mensen.

Ehrlichia chaffeensis verzoorzaakt humane monocytaire ehrlichiose (HME). Deze ziekte komt vooral voor in Noord-Amerika en niet in Nederland. De ‘lone star tick’ brengt de ziekte over. Daarnaast komt in Nederlandse teken de verwante bacterie Neoehrlichia mikurensis voor. De betekenis voor mensen is nog niet duidelijk. De bacterie is in Europa een enkele keer aangetroffen, vooral bij mensen met een ernstig gestoord immuunsysteem.
Het ziektebeeld van anaplasmose en ehrlichiose lijkt sterk op elkaar. Na een tekenbeet ontstaan vooral griepachtige verschijnselen met koorts, en soms ook met zware hoofdpijn, spierpijn, gewrichtspijn en vermoeidheid. De ziekteverschijnselen houden meestal een paar dagen aan en verdwijnen dan weer. In een enkel geval wordt de patiënt ernstiger ziek. De kans op een ernstiger verloop van de ziekte is groter bij mensen met een ernstig verstoord immuunsysteem.
De bacteriën leven normaal gesproken in kleine knaagdieren, schapen, paarden, runderen, herten en reeën. Teken raken besmet doordat zij bloed van deze dieren opzuigen. Als de teken zich daarna vastbijten in een mens, kunnen zij de bacterie overbrengen.
Hoe vaak anaplasmose voorkomt in Nederland weten we niet precies. Bij het RIVM wordt de diagnose slechts heel sporadisch gesteld. Anaplasma phagocytophilum wordt gevonden in 2-3% van de teken die zijn gevangen in de natuur. Neoehrlichia mikurensis komt in ongeveer 6% van de teken voor.

Apenpokken/Monkeypox/MPXV/hMPXV A.1.

In Nederland is half oktober 2025 voor het eerst een besmetting vastgesteld met het mpox-virus. De besmetting werd geconstateerd bij een man die niet recent in het buitenland was geweest en die niet gevaccineerd was tegen mpox. Wel had hij seksueel contact met andere mannen. De patiënt is na de ontdekking in isolatie geplaatst. De GGD doet bron- en contactonderzoek. De voor Nederland nieuwe virusvariant, aangeduid als mpox-variant Clade 1b werd eerder ook vastgesteld in Spanje en de Verenigde Staten. Vooral bij mannen die seks hebben met andere mannen hebben is er een verhoogd risico. Tot het einde van dit jaar kunnen mensen in risicogroepen zich nog laten vaccineren. Sinds de uitbraak in 2022 zijn in Nederland ruim 1300 besmettingen  vastgesteld. Volgens de WHO raakten vorig jaar al meer dan 14.000 mensen besmet met het virus en vielen er meer dan 500 doden. In Congo circuleren al meer dan tien jaar mpox-virussen, maar in 2024 is het aantal besmettingen en doden daar flink gestegen tot wel 1000 in 1 week. In hun laatste update over de uitbraak meldde CDC dat er dit jaar in twaalf Afrikaanse landen meer dan 21.300 vermoedelijke of bevestigde gevallen en 590 sterfgevallen zijn gemeld.

Frankrijk had eerder ook een eerste patiënt met de mpox Clade 1b variant gemeld. Het ging om een vrouw uit Bretagne die in contact was geweest met twee personen die in Centraal-Afrika waren geweest.  En nog eerder werd eind oktober 2024 in Engeland ook een besmetting geregistreerd met Apenpokken Clade Ib. Er bleek geen link met de vorige vier gevallen die behoorden tot hetzelfde huishouden en die nu volledig hersteld zijn. De besmetting in het Engelse Leeds werd vastgesteld bij een persoon die uit Oeganda was teruggekomen. Er zijn veel besmettingen met variant Ib in de Democratische Republiek Congo (DRC), Burundi, Rwanda en Kenia. In Canada is Clade Ib ook al opgedoken. Het ging om iemand in de Canadese provincie Manitoba die recent was teruggekomen van een reis. Apenpokken is nu al geconstateerd in Zweden, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Thailand, India, Pakistan, in de Verenigde Staten en in Nederland. Bij gehandicapteninstelling Lunet in Eindhoven werd in 2024 bij twee mensen Apenpokken (mpox) geconstateerd. Het ging om een besmetting op de woonlocatie Eckartdal.

In Nederland hebben zich tussen april 2022 en juli 2024 zo’n 1.300 besmettingen, het overgrote deel in 2022, met de mildere (Clade II) variant van het virus voorgedaan. Sinds voorjaar 2023 is het aantal besmettingen zeer beperkt. In 2024 zijn tot nu toe bijna twintig gevallen gemeld. In Zweden is de eerste besmetting met de nieuwe, gevaarlijkere variant van het apenpokkenvirus in augustus 2024 gemeld. Dat meldde de Zweedse gezondheidsautoriteit.  Het ging hier ook om het type clade 1b. Ook deze patiënt was besmet geraakt in Afrika.  In Pakistan werden Clade 2 apenpokken geconstateerd bij drie mensen die vanuit de Verenigde Arabische Emiraten reisden.  Van een Clade2 infectie worden mensen niet heel erg ziek. Clade 1 is gevaarlijker. Volgens de Europese gezondheidsdienst ECDC raken meer mensen met die variant besmet en is er onder die groep een groter percentage ernstig zieken. China controleert mensen en goederen die het land binnenkomen controleren op Apenpokken (mpox). De Afrikaanse volksgezondheidsorganisatie Africa CDC waarschuwt voor een forse uitbraak van mpox. De organisatie heeft het over een ‘continentale noodsituatie’. Het Deense bedrijf dat een vaccin tegen mpox maakt, wil de productie ervan opvoeren. Bavarian Nordic verwacht dit jaar 2 miljoen extra doses te kunnen leveren en 10 miljoen tegen het eind van 2025. Ook wil het bedrijf technologie delen met een aantal Afrikaanse fabrikanten om het vaccin ook in Afrika te kunnen produceren. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft de opmars van de nieuwe variant aangemerkt als een internationale noodsituatie.  Duitsland schonk 100.000 doses van het mpox-vaccin aan de Afrikaanse landen. De vaccins komen uit de voorraad van het Duitse leger. Nederland zou 3 miljoen euro aan de WHO geven in plaats van het weggeven van de eigen voorraad, maar gaat nu toch 13.200 vaccins geven, nadat de Tweede Kamer het kabinet daar in een motie om had gevraagd. De vaccins gaan naar de Health Emergency Preparedness and Response Authority, een organisatie van de Europese Commissie. Die moet er vervolgens voor zorgen dat de vaccins op de juiste plek terechtkomen. Daarnaast schenkt Nederland 3 miljoen euro voor verdere inkoop en verspreiding van vaccins.

Er waren in april 2022 uitbraken van apenpokken in wel tien Europese landen. De meeste besmettingen komen voor in het Verenigd Koninkrijk, Spanje en Portugal. Inmiddels zijn er per 22 juli 2022 al 16.000 gevallen in 75 landen, waarvan de meeste in Europa. In Afrika zijn er zeker 5 mensen aan overleden. De provincie Zuid-Kivu registreert ongeveer 350 nieuwe gevallen per week. Mpox, voorheen bekend als Monkeypox, is een zeldzame virusinfectie die zich verspreidt door intermenselijk contact en het meest voorkomt in West- of Centraal-Afrika. Hoewel de ziekte normaal gesproken mild is, kan deze dodelijk zijn. Jonge kinderen, zwangere vrouwen en mensen met een verzwakt immuunsysteem lopen het grootste risico op een slechte afloop. In Nederland is bij 1.136 mensen, waaronder ook een kind apenpokken vastgesteld. Een deel van de Nederlandse mannen is bij het Darklands fetish festival in België geweest, dat eerder al werd aangemerkt als mogelijke brandhaard en vond plaats in Antwerpen van 4 tot 9 mei. Een patiënt was in Spanje geweest en bleek zowel Corona, HIV als apenpokken te hebben. De uitbraken zijn tot dusver zeldzaam en ongebruikelijk zei de belangrijkste medische adviseur van de UK Health Security Agency (UKHSA), in een verklaring op maandag 16 mei 2022. Waar en hoe de infecties elders zijn opgelopen wordt nog onderzocht. Het aantal besmettingen per week liep half augustus terug naar 49 gevallen. Het apenpokkenvirus kent voor zover bekend twee stammen: de Congo-stam is vrij besmettelijk en ziekmakend en leidt in ongeveer in 10 procent van de gevallen tot sterfte. Sinds de eerste gevallen op 7 mei werden vastgesteld in landen buiten Afrika werden al vrij snel in 19 landen circa 131 gevallen geregistreerd. Ook waren er nog eens 106 vermoedelijke gevallen. Daarnaast is er de West-Afrikaanse stam die wat minder besmettelijk en ziekmakend is en in ongeveer 1 procent van de gevallen dodelijk is. Op dit moment wordt aangenomen dat deze laatstgenoemde stam verantwoordelijk is voor de Britse infecties. Iemand die koorts, spierpijn, hoofdpijn, gezwollen klieren of vermoeidheid heeft en contact met een besmet iemand heeft gehad, wordt gezien als vermoedelijke patiënt. Dna-virussen zoals Apenpokken zijn veel stabieler en meer aangepast aan gastheren, rna-virussen zoals Corona en griep zijn veranderlijk, ‘wilder’ en veroorzaken daardoor epidemieën. Daarom is het opmerkelijk dat apenpokken opeens beter door mensen overgedragen lijkt te worden. Apenpokken veroorzaken koorts, pijn in het lichaam, zorgt voor vergrote lymfeklieren en uit zich uiteindelijk in pokken, of pijnlijke, met vocht gevulde blaren op het gezicht, handen en voeten. Eén versie van Monkeypox is behoorlijk dodelijk en doodt tot 10% van de geïnfecteerde mensen. De versie die in het Verenigd Koninkrijk is aangetroffen, is milder. Hiervan is het sterftecijfer minder dan 1% en de aandoening gaat over het algemeen binnen twee tot vier weken over. Mensen krijgen apenpokken van dieren in West-Afrika of Centraal-Afrika en nemen het virus mee naar andere landen. Overdracht van persoon tot persoon is niet gebruikelijk, omdat het nauw contact met lichaamsvloeistoffen vereist, zoals sex, speeksel van hoesten of pus van de laesies. In het Verenigd Koninkrijk hebben 7 van de 8 gevallen echter geen betrekking op recente reizen naar Afrika, hebben die personen geen contact gehad met anderen waarvan bekend is dat deze naar Nigeria zijn gereisd. In de VS was de patiënt in Massachusetts niet recentelijk naar landen gereisd waar de ziekte voorkomt, maar heeft hij wel Canada bezocht. Het virus verspreid zich hoofdzakelijk via homoseksueel contact. In 2019 keurde de Amerikaanse Food and Drug Administration het eerste vaccin tegen apenpokken goed, dat ook beschermt tegen pokken. De naam Apenpokken is eigenlijk onjuist en zou in plaats daarvan eigenlijk “knaagdierenpokken” moeten worden genoemd. De naam “apenpokken” komt van de eerste gedocumenteerde gevallen van de ziekte, in 1958, toen er twee uitbraken plaatsvonden in apenkolonies die voor onderzoek werden gehouden. Maar apen zijn geen grote dragers. In plaats daarvan blijft het virus waarschijnlijk bestaan in eekhoorns, ratten, slaapmuizen of andere knaagdieren. Besmetting gebeurd voornamelijk door een beet, krab of contact met de lichaamsvloeistof van het dier. Dan kan het virus zich verspreiden naar andere mensen door hoesten en niezen of contact met pus uit de laesies. De laesies van apenpokken zijn vergelijkbaar met die van een pokkeninfectie. Maar het verspreidt zich niet erg goed tussen mensen en de infectiegraad is veel lager dan die van pokken. In veel gevallen verspreiden mensen het virus niet naar iemand anders. In meerderheid betreft het mannen die seks met andere mannen hebben gehad. In 2003 liftte Monkeypox mee met een lading dieren van Ghana naar Illinois. Verschillende ratten en eekhoorns testten positief op het virus en verspreidden het uiteindelijk naar prairiehonden die als huisdier werden verkocht in meerdere staten in het Midwesten. Zevenenveertig mensen kregen de ziekte van de prairiehonden. Iedereen herstelde. En niemand verspreidde de ziekte naar een andere persoon. Het virus infecteert waarschijnlijk al eeuwen, zelfs millennia naar mensen. Monkeypox is nauw verwant aan pokken. Ze zijn klinisch niet te onderscheiden en eeuwenlang hebben artsen waarschijnlijk apenpokken aangezien voor gewone pokken. Er zijn verschillende andere virussen die verband houden met pokken, waaronder koepokken en kameelpokken. In 2010 bleek dat de apenpokken sinds de jaren tachtig 14 keer zo groot waren in de Democratische Republiek Congo. De incidentie steeg van minder dan 1 geval per 10.000 mensen tot ongeveer 14 gevallen per 10.000 mensen. Het normale pokkenvaccin werkt ook tegen apenpokken. Het is ongeveer 85% effectief (hoewel het pokkenvaccin enige veiligheidsrisico’s met zich meebrengt. Het is een levend virus en kan een dodelijke infectie veroorzaken bij mensen met een ernstig aangetast immuunsysteem. In de Democratische Republiek Congo zijn jaarlijks duizenden gevallen. Volgens een in februari gepubliceerde studie waren er in 2020 zelfs bijna 4.600 verdachte gevallen. Wetenschappers houden het virus en de uitbraken die zich voordoen nauwlettend in de gaten, vooral als het virus de overdrachtsroute lijkt te veranderen. De nieuwe uitbraken in Europa kan een teken zijn dat het virus is veranderd. Ziekte uit zich door pijnlijke blaasjes op de huid, al gaan die weg na uiterlijk 2-3 weken. De Europese Commissie heeft een contract gesloten met het Deense bedrijf Bavarian Nordic voor de aankoop van circa 110.000 vaccins tegen apenpokken. De vaccins worden zo snel mogelijk verdeeld onder de EU-lidstaten, Noorwegen en IJsland. Bavarian Nordic levert binnen afzienbare tijd 109.090 vaccins aan de Europese Commissie. Die zullen verdeeld worden onder alle lidstaten, Noorwegen en IJsland. Nederland heeft al in 2019 zelf een strategische voorraad van zo’n 100.000 apenpokkenvaccins aangelegd. Officieel is er inmiddels sprake van een Public Health Emergency of International Concern (PHEIC). Ondanks dat er geen consensus was over de toekenning van een internationale noodtoestand. (Negen van de commissieleden waren tegen, zes voor) besliste directeur-generaal Tedros van de WHO dat deze classificering moest worden toegekend. Het is de eerste keer dat de beslissing om een PHEIC uit te roepen op een dergelijke manier is genomen. Volgens Tedros is doorslaggevend dat de uitbraak zich mondiaal snel verspreidt in landen waar het virus nog niet eerder voorkwam, via nieuwe transmissieroutes “waarover we nog te weinig begrijpen”. In Europa is volgens Tedros sprake van een hoog risico voor de volksgezondheid, in de rest van de wereld is het risico gematigd. Tich heeft de Amerikaanse staat Californië de noodtoestand uitgeroepen. Het is na Illinois en de staat New York al de derde staat die dit doet. In de Verenigde Staten zijn er tot nu in totaal 5.810 besmettingen geteld. In Nederland zijn dat er 925. Per 100.000 inwoners heeft Amerika er 1,76. In New York is het aantal besmettingen het allerhoogst, ook hoger dan in Nederland. In april kreeg ook Stockholm te maken met een plotselinge toename van het aantal gevallen van apenpokken – ongeveer tien gemelde gevallen – zoals gerapporteerd door de Zweedse Volksgezondheidsdienst (Fohm). De infecties die zich in Zweden zelf hebben voorgedaan hebben vooral mannen getroffen die seks hebben met andere mannen. Daarom worden personen die tot risicogroepen behoren dringend verzocht zich te laten vaccineren. Tot nu toe zijn in Zweden ruim 200 gevallen van apenpokken bevestigd, voornamelijk in 2022, toen de ziekte zich over Europa verspreidde. Sindsdien zijn 2.800 Zweden tegen deze infectie ingeënt.  Officieel wordt het virus op twee plaatsen bewaard: in de Verenigde Staten en Rusland. Er zijn echter aanwijzingen dat de voormalige Sovjet Unie een groot onderzoeksprogramma had naar het gebruik van pokken als biologisch wapen. Het is goed denkbaar dat ook andere landen en organisaties in het bezit zijn gekomen van het pokkenvirus of daar toegang toe hebben. Wat introductie van pokken in een gevaccineerde populatie kan betekenen, illustreert de pokkenepidemie in 1972 in Joegoslavië. Ondanks routinevaccinatie in Joegoslavië infecteerde de indexpatiënt elf anderen. Gemiddeld infecteerden deze elf personen op hun beurt weer dertien anderen. Ook andere uitbraken in Europa vanaf 1958 lieten zien dat pokken zich explosief kan verspreiden. Waarschijnlijk zal het pokkenvirus zich nog sneller verspreiden in de huidige situatie, waarbij decennia lang niet meer gevaccineerd is. De mate van bescherming van eerdere vaccinatie in de rest van de populatie is onbekend. Achter de schermen wordt rekening gehouden met het gebruiken van het virus als biologisch wapen door Rusland. In Duitsland werd 18 oktober 2024 een eerste besmetting met een nieuwe variant genaamd clade 1b vastgesteld. De variant gaat al langer rond in Afrika. De besmette persoon werd in het buitenland besmet. 

Mpox kent twee versies. Clade 1 komt oorspronkelijk uit Congo en omgeving en clade 2 uit West-Afrika. Die tweede variant ging twee jaar geleden rond in Europa. Die uitbraak trof vooral mannen die wisselende seksuele contacten met mannen hebben. In de Europese Unie, Noorwegen, IJsland en Liechtenstein raakten meer dan 22.000 mensen met die virusvariant besmet. Onder hen waren ongeveer dertienhonderd mensen in Nederland. Het is nog niet duidelijk of clade 1b dodelijker is dan eerdere varianten en hoe de verspreiding van het virus in Europa uitpakt. In Afrika overlijden relatief veel mensen na een besmetting, maar dat kan volgens virologen ook komen door andere gezondheidsrisico’s of een zwak zorgsysteem. De Europese gezondheidsdienst ECDC zegt dat het risico voor Europa heel laag is en dat beschikbare vaccins effectief zijn. Volgens het RIVM is in Nederland nog geen besmetting met clade 1b vastgesteld.

De WHO handhaaft Mpox bovendien als internationale gezondheidsnoodsituatie, omdat het aantal gevallen wereldwijd sinds begin 2024 verder is gestegen tot meer dan 21.000 bevestigde infecties en circa 70 doden, waarvan de meerderheid in Congo. De voortdurende gewapende conflicten in het oosten van het land ondermijnen de respons en belemmeren vaccinatie-inspanningen, waardoor ook andere ziekten zoals cholera en malaria moeilijker onder controle te houden zijn. Volgens gegevens van de Europese CDC zijn gevallen van Clade I nog steeds vooral geconcentreerd in Congo, maar ook aangetroffen in Oeganda, Burundi, Kenia, Tanzania en Rwanda. In de zomer van 2025 lijken de besmettingstrends in Congo en Oeganda te stabiliseren of zelfs licht af te nemen. Buiten Afrika gaat het tot nu toe vrijwel uitsluitend om sporadische en reisgerelateerde gevallen, zonder tekenen van bredere verspreiding in gemeenschappen.

Een Nederlandse viroloog is begin juni 2026 in de VS aangeklaagd voor het smokkelen van flesjes met gedeactiveerd mpox-virus vanuit Afrika en het daarover liegen op de luchthaven in Detroit. Ook een collega-onderzoeker uit Kameroen moet om dezelfde reden voor de rechter verschijnen. Dat melden een Amerikaanse rechtbank en de FBI. Het tweetal werd in januari tegengehouden op de luchthaven na een vlucht vanuit Parijs en een verblijf van negen dagen in de Republiek Congo. Volgens de FBI ontkende de Nederlander “stellig” dat hij biologische materialen of monsters mee terug naar de Verenigde Staten bracht.

Uit later onderzoek bleek dat de twee onderzoekers buisjes met gedeactiveerd mpox-virus bij zich hadden, aldus de FBI. Een virus wordt gedeactiveerd om het te kunnen onderzoeken, het kan zich dan niet vermenigvuldigen of een infectie veroorzaken. Toch nemen de autoriteiten de zaak hoog op. “Ze hebben onze wetten overtreden door virale ziekteverwekkers te smokkelen in een volgepakt commercieel vliegtuig vanuit een uitbraakgebied in de Republiek Congo. In de gerechtelijke stukken van de overheid wordt niet vermeld waarom de virologen het gedeactiveerde mpox-virus mogelijk naar hun laboratorium wilden meenemen. Wel zegt de FBI dat zij virologen zijn die uitgebreid onderzoek hebben gedaan naar mpox. Het Amerikaanse laboratorium waar de Nederlander en zijn collega voor werken laat weten volledig mee te werken met de autoriteiten. 

Ascaridose

Ascaris suum is een spoelworm die bij het varken voorkomt, maar ook de mens kan besmetten. De spoelworm Ascaris lumbricoides komt alleen bij de mens voor en is heel moeilijk te onderscheiden van Ascaris suum. Ascaris lumbricoides komt vooral in de (sub)tropen voor, terwijl Ascaris suum ook in Nederland veel voorkomt.

Ascaris suum is niet goed aangepast aan het menselijke lichaam, hierdoor kan de larve zelden tot volwassen worm uitgroeien. Bij de mens worden ongeveer dezelfde symptomen als bij het varken gezien: meestal geen symptomen, soms leverproblemen, hoesten en astmatische klachten wanneer de larven door de longen trekken. Een enkele keer verplaatsen de larven zich via de bloedbaan naar andere organen dan lever en long, ze komen dan bijvoorbeeld in de nieren, ogen of hersenen terecht. Dit kan zorgen voor ernstige problemen.

Met spoelworm besmette varkens scheiden grote aantallen wormeieren uit in de mest. De wormeieren belanden op de stalvloer of op het land. Ze zijn zeer resistent en kunnen tot 5 jaar in de omgeving overleven. Andere varkens nemen de wormeieren vervolgens weer op met het eten of wroeten. In ieder eitje groeit een larve. Nadat het varken het eitje met de larve heeft binnen gekregen, gaan de larven eerst vanuit de darmen naar de lever. Vervolgens trekken ze richting longen en luchtpijp. Daar worden ze opgehoest en weer doorgeslikt, waarna ze weer terug in de dunne darm zijn. In de dunne darm ontwikkelen de larven zich uiteindelijk tot volwassen wormen, die weer eitjes produceren en zo begint 6 weken na opname van de eitjes de hele cyclus opnieuw.
Besmetting ontstaat door besmette aarde, bijvoorbeeld door na tuinieren de handen niet goed te wassen, of wanneer buiten spelende kinderen hun vieze handen in hun mond stoppen.
Ziekte ontstaat alleen als de eitjes zich in de omgeving hebben kunnen ontwikkelen tot besmettelijke eitjes met larve. Directe overdracht van varken naar mens vindt dus nooit plaats.
De worm komt vrij veel voor bij varkens maar het is onduidelijk hoe vaak mensen besmet raken en hoe ernstig de symptomen dan zijn.
Infectie wordt voorkomen door een goede persoonlijke hygiëne: handen wassen, vooral na tuinieren of buiten spelen.
Door intensivering van de varkenshouderij en het gebruik van anti-wormmiddelen is het voorkomen van Ascaris suum flink afgenomen. Het komt echter nog steeds voor, bovendien neemt het op sommige varkensbedrijven (biologische en scharrelvarkenshouderijen) weer toe, doordat de varkens daar de gelegenheid krijgen in de aarde te wroeten. De worm, met de zeer resistente eitjes, krijgt zo meer gelegenheid om zijn cyclus te vervolmaken.

Botulisme

Botulisme is een ernstige ziekte die veroorzaakt wordt door de gifstoffen (toxines) van een bacterie, Clostridium botulinum. Bij mensen in Nederland is botulisme zeer zeldzaam. Sporen van de Clostridium botulinum-bacterie kunnen heel lang overleven in de grond en in water. Als deze sporen in voedsel, de darmen of een wond komen, kunnen ze uitgroeien en gifstoffen maken. Deze gifstoffen, ook wel toxines genoemd, werken verslappend en verlammend. Als mensen ziek worden van deze toxines, dan heet dat botulisme. De bacterie(sporen) kunnen ook in de grond of in water zitten en gifstoffen aanmaken in dode vissen of watervogels. Daardoor kunnen andere watervogels verlamd raken en doodgaan. U kunt ook besmet raken wanneer u dode vissen of watervogels aanraakt waarin de bacterie aan het uitgroeien is. Raak dode dieren in de natuur daarom ook nooit met blote handen aan.

De tijd tussen het besmet raken en ziek worden bij besmetting via dode waterdieren is vier tot veertien dagen.

Er zijn vier vormen van botulisme:

  • Voedselgerelateerd botulisme ontstaat via besmet voedsel. Voedsel raakt besmet wanneer er bacteriën in zitten die toxines aanmaken;
  • Wondbotulisme ontstaat via een wond;
  • Infantiel botulisme komt voor bij baby’s tot 1 jaar (meestal tot 6 maanden). Vooral als zij besmette (rauwe) honing eten waarin sporen zitten die in de darm uitgroeien tot bacteriën;
  • Iatrogeen botulisme ontstaat als iemand te veel botulinetoxine ingespoten heeft gekregen. Deze toxines werken verslappend en verlammend. Sommige mensen laten ze daarom inspuiten om bijvoorbeeld rimpels weg te krijgen. Dit staat ook wel bekend als botoxen.

De klachten van voedselgerelateerd botulisme en wondbotulisme beginnen meestal met:

  • misselijkheid
  • overgeven
  • vermoeidheid
  • duizeligheid
  • buikpijn
  • droge mond
  • zwak voelen

Daarna kunnen de volgende klachten ontstaan:

  • dubbel zien
  • wazig zien
  • niet tegen licht kunnen
  • moeite met slikken
  • moeite met spreken
  • slappe spieren in de armen en benen
  • Soms zijn er problemen met ademen door verlamming van de ademhalingsspieren. Mensen kunnen zelfs overlijden als zij niet behandeld worden.

De klachten van baby’s met infantiel botulisme lijken erg op de klachten hierboven. Soms hebben baby’s daarvóór nog andere klachten, zoals:

  • verstopte darm
  • niet willen eten en drinken
  • kwijlen
  • op hoge toon huilen

Als voor cosmetische doeleinden te veel botulinetoxine wordt ingespoten, kan dit lekken naar andere weefsels. U kunt dan last krijgen van spierzwakte rond de plek waar u de prik heeft gehad. Heel soms komen de gifstoffen nog verder in het lichaam terecht. Als dat gebeurt kunt u last krijgen van dezelfde klachten als bij andere vormen van botulisme.

Kinderen jonger dan 1 jaar hebben meer risico op botulisme en dan vooral infantiel botulisme. In hun darmen kunnen de sporen makkelijker uitgroeien, omdat de afweer daar nog niet optimaal is.
Mensen kunnen botulisme krijgen via voedsel, dode vogels en vissen, of via besmet water of besmette grond. Mensen kunnen elkaar niet besmetten

De bacterie of de sporen van de bacterie kunnen in eten terechtkomen. Als voedsel onvoldoende wordt verhit voor het eten of inmaken, dan overleven deze bacteriën en hun sporen. Onder zuurstofarme omstandigheden, zoals in een blik of potje, kunnen zij weer uitgroeien en toxines gaan produceren.

Baby’s tot 1 jaar oud kunnen sporen van de bacterie binnenkrijgen, bijvoorbeeld via besmette (rauwe) honing en hierdoor infantiel botulisme krijgen. Deze sporen kunnen in de darmen van de baby uitgroeien tot bacteriën. Die kunnen gifstoffen in de darmen aanmaken die het kind ziek maken. De tijd tussen het besmet raken en ziek worden bij besmetting via voedsel is meestal 12 tot 72 uur, maar dit kan soms tot acht dagen duren.

Wanneer er besmette grond of water in een wond komt, kan de bacterie in de wond uitgroeien en botulisme veroorzaken. 

Waarschuwing ter voorkoming van Botulisme:

  • Wilt u zelf voedsel inmaken/wecken? Kijk dan eerst op de pagina’s over veilig wecken(externe link) en botulisme(externe link) van het Voedingscentrum
  • Eet geen voedsel uit blikken of potten die bol staan of lekken
  • Geef baby’s onder 1 jaar geen honing.
  • Raak geen dode vissen of vogels aan.
  • Zwem niet in water waarin dode dieren liggen
  • Maak wondjes altijd goed schoon.

Botulisme kan behandeld worden met een infuus met anti-toxines. Dit moet zo snel mogelijk gebeuren. Hiervoor moet de patiënt opgenomen worden in het ziekenhuis. Vaak worden mensen die snel behandeld worden weer helemaal beter. Wel kan het lang duren voordat zij beter zijn, omdat de verlamming maar langzaam herstelt. Iemand die botulisme heeft gehad en is genezen, kan de ziekte later opnieuw krijgen.

Botulisme komt over de hele wereld voor, maar mensen worden er bijna nooit ziek van. Tussen 2015 en 2024 zijn er in Nederland in totaal vijf meldingen geweest van botulisme. In 2016 waren er twee meldingen van voedselgerelateerd botulisme en in 2022 was er één melding. Alle drie de patiënten zijn in Nederland besmet geraakt, maar de precieze oorzaak was onduidelijk. In 2023 was er één baby van 8 maanden met infantiel botulisme. Ook hier was de precieze oorzaak niet bekend.

Bij dieren komt botulisme veel vaker voor, maar de meeste vormen daarvan zijn niet gevaarlijk voor mensen. Er zijn meerdere typen gifstoffen. De gifstoffen waar dieren ziek van worden, maken niet altijd mensen ziek.

Brucellose

Sinds 1999 is Nederland en in 2003 België officieel vrij verklaard van brucellose. In België was de laatste uitbraak van brucellose in 2000. In juli 2010 is in Nederland een geval van Brucellose geconstateerd. In de periode 2016-2019 kwam Brucellose nog wel voor in Nederland bij enkele honden, geïmporteerd uit het buitenland. Besmetting bij mensen was er niet. Er worden echter jaarlijks meerdere importgevallen geconstateerd. In Zuid-Europese landen en de nieuwe lidstaten van de Europese Unie vormt Brucellose nog steeds een belangrijk probleem.

Brucellose (bij mensen Maltakoorts) is een infectieziekte bij zoogdieren die wordt veroorzaakt door bacteriën uit het geslacht Brucella. In 1887 werd deze bacterie voor het eerst geïsoleerd door de Britse militair chirurg Sir David Bruce op Malta. *Brucella abortus veroorzaakt Brucellose bij runderen. Dit wordt ook wel abortus bang genoemd naar de eerste die de ziekte beschreef, Bernhard Bang. *Brucella melitensis en Brucella ovis veroorzaken het bij schapen en geiten *Brucella suis veroorzaakt brucellose bij varkens *Brucella canis veroorzaakt Brucellose bij honden De Brucella-bacterie wordt door besmette dieren uitgescheiden in melk, urine, ontlasting en vruchtwater. Via voer en drinkwater komt de bacterie in de maag en de darmen, waar het in het bloed wordt opgenomen. De bacterie nestelt zich in de uier en de baarmoeder. De ziekte heeft een incubatieperiode van tien dagen tot enkele maanden.

Drachtige dieren die besmet zijn met Brucellose kunnen een miskraam krijgen, of de jongen worden te vroeg of dood geboren. De placenta komt vaak niet los en er ontstaat een baarmoederontsteking. Ook kan het dier mastitis (uierontsteking) krijgen waardoor de melkgift vermindert. Mannelijke dieren kunnen ontstekingen krijgen aan de testikels en onvruchtbaar worden.

Naast de miskramen zijn er meestal weinig andere symptomen, waardoor Brucellose niet direct wordt opgemerkt en de bacterie zich ongestoord kan uitbreiden. Vooral bij een miskraam wordt een grote hoeveelheid bacteriën met de vrucht naar buiten gebracht.

Brucellose bij mensen wordt met name door Brucella melitensis veroorzaakt en wordt ook wel Maltakoorts, Middellandse-Zeekoorts of ziekte van Bang genoemd. De besmetting vindt plaats door contact met besmette dieren, het drinken van rauwe melk of ongepasteuriseerde zuivelproducten. Een besmetting van de ene mens op de andere mens wordt zeldzaam, maar is niet onmogelijk De naam Maltakoorts verwijst naar de Maltees Themistocles Zammit, die de manier van overdracht door melk ontdekte. Meestal uit brucellose bij mensen zich in griepachtige verschijnselen. Maar zwangere vrouwen kunnen ook een miskraam krijgen. Brucellose wordt bij de mens bestreden met antibiotica. Wanneer er tijdig begonnen wordt, zijn er goede vooruitzichten op volledige genezing. Er bestaat een vaccinatie tegen Brucellose, maar deze geeft maar een paar weken bescherming. Door middel van bloedonderzoek is te zien of er antistoffen tegen de bacterie zijn aangemaakt en het dier Brucellose heeft (gehad). Dit bloedonderzoek wordt uitgevoerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren op de bloedmonsters die genomen zijn voor CAE- en CL-onderzoek. Alle positieve dieren worden afgevoerd. Na twee maanden wordt het bloedonderzoek herhaald op het besmette bedrijf. Dit onderzoek is onderdeel van de diergezondheidsmonitoring in Nederland. Iedere koe die een miskraam of een te vroeg of doodgeboren kalf heeft gekregen, wordt ook onderzocht op Brucellose. Daarnaast worden oudere runderen op twintig procent van de bedrijven onderzocht.

CWD/CJD

Twee jagers in de Verenigde Staten zijn in 2022 hoogstwaarschijnlijk overleden aan de ziekte van ‘zombieherten’ na het eten van geïnfecteerd hertenvlees. Een zombievirus dat de hersenen in een spons verandert, kan overslaan op mensen.  Twee mannen in Wyoming stierven aan de chronische slopende ziekte. Deskundigen hadden gewaarschuwd dat de ziekte, met een sterftecijfer van bijna 100%, van herten op mensen zou kunnen overgaan. Een nieuwe studie beweert dat dit al is gebeurd. Een 72-jarige man ontwikkelde verwarring en agressie en kreeg epileptische aanvallen. Hij stierf binnen een maand. Na zijn dood werd bij hem een ​​degeneratieve hersenziekte vastgesteld die leek op de gekkekoeienziekte. De andere jager stierf ook. Bij de ziekte van zombieherten degeneren de hersenen langzaam tot een sponsachtige consistentie en de dieren vóór de dood kwijlen en staren wezenloos. Er zijn geen behandelingen of vaccins en de ziekte is 100% dodelijk. De ziekte is zo besmettelijk dat als één dier positief test, de hele kudde als besmet wordt beschouwd. Tot nu toe is het aangetroffen bij dieren in ten minste 32 Amerikaanse staten, vier Canadese provincies en vier andere landen. CJD wordt veroorzaakt door verkeerd gevouwen eiwitten – wanneer eiwitten niet in de juiste vorm vouwen – genaamd prionen. Na infectie reizen prionen door het centrale zenuwstelsel, waardoor prionafzettingen achterblijven in hersenweefsel en organen. CJD wordt veroorzaakt door verkeerd gevouwen prionen, hoewel patiënten hoogstwaarschijnlijk willekeurig worden getroffen. Het kan meer dan een jaar duren voordat een besmet dier symptomen ontwikkelt, waaronder drastisch gewichtsverlies , struikelen en lusteloosheid. Een vrouw uit Michigan (55) stierf aan een gekkekoeienziekte . CJD heeft de bijnaam ‘zombiehertenziekte’ omdat het ervoor zorgt dat delen van de hersenen langzaam degenereren tot een sponsachtige consistentie en dieren zullen kwijlen en wezenloos staren voordat ze sterven. De exacte transmissieroute is nog niet volledig bekend, maar er wordt aangenomen dat de ziekte van dier tot dier wordt verspreid door het eten van voer of water dat is verontreinigd met geïnfecteerde uitwerpselen of door blootstelling aan karkassen. Direct contact, inclusief speeksel, bloed, urine en zelfs geweifluweel tijdens de jaarlijkse vervelling, kan ook bijdragen aan de overdracht van de ziekteverwekker. Elk hert dat op een boerderij sterft, moet voortaan worden getest. Omdat de ziekte zo besmettelijk is, wordt de hele kudde als besmet beschouwd als één dier positief test. Er wordt aangenomen dat de aandoening alleen dieren zoals herten, elanden, rendieren, kariboes en elanden infecteert. Chronische verspillingsziekte werd voor het eerst ontdekt in 1967 in Colorado bij herten in gevangenschap. Volgens de CDC is het nu aangetroffen bij dieren in ten minste 32 staten, vier Canadese provincies en vier andere landen in het buitenland. De drie staten met de grootste verspreiding van met CWD geïnfecteerde herten zijn Kansas (49 provincies), Nebraska (43 provincies) en Wisconsin (43 provincies). Het meest recente geval bij herten vond afgelopen herfst plaats in Kentucky, volgens het Kentucky Department of Fish & Wildlife. CWD werd voor het eerst gemeld in 1967 in een hertenfaciliteit in gevangenschap in Colorado. CWD zou ontstaan ​​zijn als gevolg van een infectie met scrapie bij schapen die gewoonlijk samenleven met hertachtigen. Ter ondersteuning van deze conclusie bleek uit experimentele infectie van hertachtigen met met scrapie besmet hersenhomogenaat dat scrapieprionen van schapen elanden en witstaartherten kunnen infecteren. Bovendien hebben onderzoeken door Greenlee en medewerkers aangetoond dat experimentele infectie van schapen met CWD een ziekte veroorzaakt die sterk lijkt op conventionele scrapie, wat verder bewijs levert voor een mogelijke oorsprong van CWD door scrapie. Een ander alternatief voor de oorsprong van CWD is het optreden van mutaties in het prioneiwitgen ( Prnp ), wat resulteerde in een eiwit dat gevoeliger is voor omzetting in PrP Sc. Bij mensen komt tot 15% van de TSE-gevallen voort uit Prnp- mutaties. In de afgelopen decennia heeft de ziekte zich snel en geleidelijk geografisch verspreid over 32 staten in de VS. 30% bij wilde populaties in endemische gebieden, en in uitzonderlijke gevallen tot 80-90% bij populaties in gevangenschap.Het vroegtijdig ruimen van geïnfecteerde dieren of hertachtigen met een hoog risico op infectie zou een mogelijkheid kunnen zijn om de prevalentie van CWD te verminderen. CWD is momenteel de gevaarlijkste prionziekte, omdat deze ziekte wilde dieren treft, zich efficiënt verspreidt, een hoge mate van perifere uitscheiding van infectieuze agentia en een lange incubatietijd kent. De mechanismen die betrokken zijn bij de gemakkelijke overdracht van CWD worden niet volledig begrepen, maar brengen waarschijnlijk aanzienlijke vervuiling van het milieu met zich mee. Ook onbekend zijn het aantal en de eigenschappen van prionstammen die betrokken zijn bij natuurlijke CWD en hun bijdrage aan de verspreiding van ziekten. Ten slotte blijft het zoönotische potentieel van CWD tot nog toe een gevaarlijk raadsel.

Campylobacter

Campylobacter is een bacterie die voorkomt in de darmen van dieren. Mensen kunnen via dieren en voedsel besmet raken en een maag-darminfectie krijgen. Ook kunnen mensen elkaar besmetten.
Niet iedereen die besmet is met campylobacter wordt ziek. En niet iedereen wordt even ziek.

Elk jaar krijgen in Nederland meer dan 100.000 mensen een darmontsteking en diarree door campylobacter. Meer dan 23.000 patiënten gaan hiervoor naar de huisarts. Heel soms (ongeveer 24 tot 52 keer per jaar) overlijdt een patiënt door de gevolgen van een campylobacterinfectie.

Campylobacterinfecties komen vooral veel voor in de zomer. De meeste gevallen staan op zichzelf. Epidemieën komen bijna nooit voor.

De klachten beginnen meestal met:

  • koorts (38 graden of hoger)
  • hoofdpijn
  • spierpijn
  • moeheid
  • een grieperig gevoel

Daarna kun je last krijgen van:

  • buikpijn en -kramp
  • diarree, soms meer dan tien keer per dag en soms met bloed
  • misselijkheid en overgeven

Heeft u last van uitdroging, bloed in de ontlasting of hoge koorts (40 graden of hoger)? Of worden de klachten niet minder na een week? dan snel naar de huisarts.

Als de infectie heel ernstig is of niet vanzelf over gaat, kan de huisarts antibiotica voorschrijven.

Heel soms krijgen mensen na een campylobacterinfectie problemen met hun gewrichten of zenuwen. Dit heet reactieve artritis (Syndroom van Reiter) of het Guillain-Barré-syndroom.

Het zijn ziektes waarbij het afweersysteem het eigen lichaam aanvalt.

De bacterie is vooral gevaarlijk voor:

  • jonge baby’s (jonger dan 3 maanden)
  • ouderen (70+)
  • mensen die al ziek zijn
  • mensen met een slechte weerstand, zoals mensen met hiv
  • Bij mensen met een zwakke weerstand en ouderen kan de bacterie zich in zeldzame gevallen via het bloed verspreiden.

U kunt de besmetting oplopen via dieren. De bacterie komt voor bij veel verschillende dieren. Vooral dieren met diarree kunnen veel bacteriën verspreiden via hun poep. Maar ook dieren die niet ziek zijn, kunnen de bacterie bij zich dragen en verder verspreiden. Een heel kleine hoeveelheid van de bacteriën is al genoeg om iemand ziek te maken.

Mensen en dieren krijgen de bacterie binnen via de mond. Meestal gebeurt dat via voedsel. Bijvoorbeeld door vlees (vooral kip) dat niet goed genoeg is verhit bij het koken, of ander eten waar de bacterie op is gekomen via besmet vlees. 

Andere manieren om besmet te raken zijn:

  • door contact met boerderijdieren of huisdieren;
  • door het drinken van rauwe melk (direct van de koe of geit);
  • door te spelen of zwemmen in water waar de bacterie in zit;
  • via ontlasting van iemand die besmet is. Bijvoorbeeld via de wc of handen;
  • tijdens reizen in het buitenland in gebieden waar het minder schoon is.

De tijd tussen besmet raken en ziek worden is één tot tien dagen. Meestal is dit na drie dagen. Zolang iemand klachten heeft, en soms zelfs daarna, kan deze persoon anderen besmetten.

Om een campylobacterbesmetting te voorkomen, is vooral goede hygiëne in de keuken heel belangrijk. Was uw handen goed met water en zeep voordat u gaat koken en verschoon hand- en vaatdoeken het liefst elke dag. Daarnaast is het belangrijk dat u eten, vooral vlees, door en door verhit. Zorg er ook voor dat al bereid vlees en ander eten dat niet (meer) verhit wordt, nooit in contact komt met rauw vlees.

Snijd groenten bijvoorbeeld niet op een snijplank die u ook voor rauw vlees heeft gebruikt.Campylobacterinfecties gaan meestal vanzelf over. Meestal is iemand één tot tien dagen ziek. De koorts verdwijnt meestal binnen 72 uur.

Om uitdroging te voorkomen is het belangrijk om goed te drinken en zout en suiker binnen te krijgen. Dit kan bijvoorbeeld door thee (met suiker), water, bouillon of een suikerzoutoplossing (ORS) te drinken.

Elk jaar zijn er ongeveer zestig gevallen van het Guillain-Barré syndroom door campylobacter en enkele duizenden gevallen van reactieve artritis.

Kinderen met klachten voelen zich vaak te ziek om naar het kinderdagverblijf of naar school te kunnen gaan. Als een kind zich weer goed voelt, kan het gewoon naar school of naar het kinderdagverblijf.

Laat wel aan de leraar of pedagogisch medewerker weten dat uw kind een maag-darminfectie heeft door campylobacter. Heeft uw kind bloed bij de diarree, overleg dan eerst met de huisarts.

Zelf mag u gewoon naar uw werk wanneer u zich goed voelt, tenzij u in de zorg werkt of met kleine kinderen, of met voedsel, bijvoorbeeld in een restaurant of slagerij.
In dat geval mag u niet werken zolang u klachten heeft van een maag-darminfectie door campylobacter. Overleg met uw werkgever wanneer u weer aan het werk mag.

Covid-19

Varkens kunnen naast de pest ook verschillende soorten coronavirussen bij zich dragen, zoals het Porcine Epidemic Diarrhea Virus (PEDV) en het Transmissible Gastroenteritis Virus (TGEV). Sommige van deze virussen kunnen zich aanpassen en infecties bij mensen veroorzaken, hoewel dit relatief zeldzaam is. Onderzoek heeft aangetoond dat varkens zijn geïnfecteerd met bepaalde coronavirussen die specifiek zijn voor hen, zoals PEDV en TGEV. Genetische analyses van coronavirussen hebben aangetoond dat sommige virussen een nauwe verwantschap vertonen met menselijke coronavirussen, maar dit betekent niet noodzakelijkerwijs dat varkens als reservoir fungeren voor menselijke infecties. Instellingen zoals de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en het Werelddierengezondheidsorganisatie (OIE) hebben studies uitgevoerd en rapporten gepubliceerd over de overdracht van virussen tussen dieren en mensen. Zij hebben aangegeven dat hoewel huisdieren en bepaalde boerderijdieren besmet kunnen raken met SARS-CoV-2, het risico op overdracht naar mensen relatief laag zou zijn. Tijdens de pandemie is er epidemiologisch onderzoek gedaan naar uitbraken in dieren en mogelijke transmissie naar mensen. Tot nu toe zouden er geen sterke aanwijzingen zijn dat varkens een significante rol spelen bij de verspreiding van COVID-19 naar mensen.

Creutzveld Jacob/Chronic Wasting Disease/Zombieherten (CJD)/Gekke koeienziekte

De gekkekoeienziekte is aangetroffen bij het kadaver van een koe in Nederland. Dat heeft het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bekendgemaakt. Het gaat om een boerderij in Zuid-Holland. De aangetroffen variant is niet gevaarlijk is voor mensen. De Nederlandse autoriteiten hebben daarnet ook bevestigd dat het om de atypische variant van BSE gaat. Het gaat dus om de sporadische ouderdomsvorm van BSE die heel af en toe opduikt. “Het vlees van het dier is bovendien niet in de voedselketen terechtgekomen en vormt geen gevaar voor de voedselveiligheid. Er zijn twee varianten van de gekkekoeienziekte: de atypische en de klassieke variant. Het is belangrijk om te weten welke soort dit kadaver had, want de klassieke variant is zeer gevaarlijk voor mensen. Zo kan die de ziekte van Creutzfeldt-Jakob veroorzaken, een dodelijke hersenziekte. De atypische variant, die sporadisch en spontaan kan voorkomen bij oudere koeien, is vooral vervelend voor de koe zelf. De klassieke variant, die ontstaat door besmet voer, werd voor het eerst in 1986 gevonden in Groot-Brittannië en vanuit daar verspreidde die zich naar andere landen. Meer dan 180.000 besmette runderen moesten toen in Engeland worden afgemaakt. Vanaf 1987 werd bij 88 runderen afkomstig uit Nederland een klassieke variant van de gekkekoeienziekte vastgesteld. Drie mensen overleden in Nederland aan de ziekte van Creutzfeldt-Jakob. Vooral mensen rond de dertig jaar oud werden getroffen door de ziekte. Eenmaal besmet is er weinig tegen te doen. Patiënten ervaren zware pijn door aantasting van het zenuwstelsel. Ook ervaren zij angsten en hallucinaties, waarna ze dement worden. Binnen een tot twee jaar is de ziekte vaak dodelijk. De laatste keer dat de atypische gekkekoeienziekte voorkwam in Nederland, was in 2011. Tot nu toe was BSE bij runderen de enige prionziekte bij dieren die op mensen is overgedragen. Vergeleken met BSE lijkt CWD een bredere perifere distributie van prionen te hebben en een veel efficiëntere horizontale transmissie. CWD-prionen zijn gemakkelijk gedetecteerd in veel perifere weefsels en biologische vloeistoffen, waaronder spieren, huid, lymfeklieren, speekselklieren, urineblaas, pancreas, nieren, darmen, bloed, urine, ontlasting en speeksel. Dit maakt CWD-prionen toegankelijker voor blootstelling aan andere dieren en mensen dan BSE-prionen.

Cryptosporidiose

Cryptosporidiose wordt veroorzaakt door een eencellige parasiet (protozo): Cryptosporidium. 

Deze protozoa kunnen zich in de darm vermeerderen, hierbij vormen ze oöcysten, een soort eitjes. De oöcysten worden uitgescheiden in de mest/ontlasting en komen zo in de omgeving terecht. Vervolgens ondergaan de oöcysten een paar veranderingen waardoor ze besmettelijk worden en dus tot ziekte kunnen leiden bij opname door andere dieren/mensen via de mond.

Landbouwhuisdieren, vooral herkauwers, maar ook de mens zelf vormen een belangrijke bron van besmetting met Cryptosporidium. Sommige Cryptosporidium soorten besmetten alleen dieren, sommige soorten besmetten alleen mensen en sommige soorten kunnen zowel dier als mens besmetten.

Vooral jonge dieren met diarree scheiden oöcysten uit. De oöcysten van Cryptosporidium zijn zeer resistent tegen allerlei weersinvloeden en ontsmettingsmiddelen zoals bijvoorbeeld chloor. Daardoor kan iemand op vele manieren besmet raken. Wanneer mest/ontlasting van besmette dieren of mensen in zwemwater terecht komt, dan kan iemand een besmetting oplopen als diegene dat water binnen krijgt. Maar ook als sla in de moestuin met besmet water besproeid wordt, kan de oöcyst lang genoeg overleven om voor een besmette salade te zorgen. Alle manieren waardoor een mens in aanraking komt met besmette mest/ontlasting kunnen leiden tot een infectie, ook al is een spoortje mest of zijn de oöcysten vaak niet zichtbaar.

Nadat men besmet is, duurt het twee tot vijf dagen voor de oöcysten in de ontlasting verschijnen. Deze oöcysten blijven gemiddeld acht tot veertien dagen aanwezig in de ontlasting. Mensen die helemaal geen ziekteverschijnselen vertonen na infectie, kunnen wel een klein aantal oöcysten uitscheiden en zo een bron van infectie voor anderen vormen.

Waarschijnlijk komen Cryptosporidium infecties veel voor onder de bevolking (vooral onder kinderen), terwijl er geen contact gezocht wordt met de huisarts omdat de verschijnselen mild zijn. Ook als de huisarts wel geraadpleegd wordt zal er niet altijd naar Cryptosporidium gezocht worden.

Van cryptosporidiose zijn ook uitbraken bekend waarbij veel mensen ziek zijn geworden. Bijvoorbeeld na een bezoek aan hetzelfde zwembad, of na het eten van besmet voedsel dat door één cateraar geleverd is. Een beruchte uitbraak in de Verenigde Staten vond plaats in Milwaukee in 1993 waar besmet drinkwater zorgde voor een uitbraak van ernstige diarree bij meer dan 400.000 personen.

Om infectie te voorkomen, is een goede persoonlijke hygiëne van belang. Dit houdt in: handen wassen na een bezoek aan de wc, het verwisselen van een luier, tuinieren, omgang met jonge en zieke dieren en na contact met ontlasting van mens of dier. En uiteraard ook handen wassen vóór het eten.

Oöcysten van Cryptosporidium zijn in Nederland te vinden in oppervlaktewater. Dit wordt veroorzaakt door lozing van rioolwater en de afvloeiing van mest. In de spaarbekkens van watervoorzieningen zijn zeer kleine hoeveelheden oöcysten gevonden, in een gericht onderzoek werden in Nederland geen oöcysten in het uiteindelijke drinkwater gevonden.

Op kinderdagverblijven wordt vaak circulatie van Cryptosporidium en mens-naar-mens overdracht beschreven. Naar schatting veroorzaakt Cryptosporidium in Nederland jaarlijks ongeveer 2000 gevallen van maagdarmklachten per miljoen inwoners (LCI-richtlijn).

Kalveren worden ziek op een leeftijd van 5 tot 14 dagen. Er ontstaat een hevige, geelgroene of waterige diarree en de dieren verliezen gewicht. Ook kunnen ze achterblijven in groei. Het kan voorkomen dat de diarree niet continu aanwezig is, maar met tussenpozen optreedt. Hoe ouder de kalveren zijn, hoe minder symptomen ze vertonen. Lammeren vertonen een soortgelijk ziektebeeld.
Gemiddeld verloopt er een week tussen de besmetting en het optreden van ziekteverschijnselen (dit kan variëren van 2 tot 12 dagen). Het uiteindelijke ziektebeeld bij de mens varieert van geen enkel verschijnsel tot ernstige symptomen. Kinderen jonger dan vijf jaar en mensen met een verminderde afweer vormen een extra gevoelige groep en vertonen een ernstiger beeld van de ziekte.

Belangrijke ziekteverschijnselen zijn hevige buikkrampen en een (waterdunne) diarree. Daarnaast behoren ook misselijkheid, braken, algehele zwakte en lichte koorts tot de mogelijke klachten.
Bij mensen met een goede afweer gaat de ziekte na twee tot vier weken vanzelf weer over. Aidspatiënten kunnen een langdurige en (heel zelden) dodelijke diarree ontwikkelen.

Difterie (Corynebacterium diphtheriae en Corynebacterium Ulcerans)

De Difterie bacterie wordt soms gevonden bij runderen, paarden, geiten en schapen, soms ook bij honden en katten. Het drinken van rauwe, ongepasteuriseerde melk en nauw contact met dieren die de bacterie bij zich dragen, kan leiden tot besmetting. Mensen kunnen elkaar besmetten via de lucht (niezen, hoesten) of via direct contact met een besmette persoon (zoenen, aanraken besmette wond). 

Difterie is een besmettelijke ernstige ziekte die wordt veroorzaakt door de Corynebacterium bacterie. De bacterie wordt door hoesten van mens op mens overgedragen. Ook via besmette (huis)dieren, ongepasteuriseerde melk of besmet voedsel kan men de ziekte oplopen. Voor invoering van vaccinatie was difterie een belangrijke doodsoorzaak bij kinderen. In Nederland worden nog sporadisch gevallen van difterie gemeld. Deze gevallen komen dan meestal uit het buitenland. Difterie wordt voornamelijk veroorzaakt door de bacteriën Corynebacterium diphtheriae en Corynebacterium Ulcerans. De bacterie kan een krachtige gifstof, ook wel toxine genoemd, produceren. Die beschadigt weefsels , bijvoorbeeld van de huid of de longen, maar ook van het hart, het zenuwstelsel en de nierbuisjes. De plaats van de infectie bepaalt welke ziekteverschijnselen de patiënt heeft. De tijd tussen besmetting en de eerste verschijnselen is meestal 2-5 dagen, nooit langer dan 7 dagen. Ook de verwante bacterie Corynebacterium ulcerans en Corynebacterium pseudotuberculosis kan soms de gifstof produceren en difterie veroorzaken.Omdat de ziekteverschijnselen afhangen van de plaats van de infectie en of de bacterie de gifstof produceert, kan een patiënt met difterie veel verschillende ziekteverschijnselen hebben. Als de beschadiging van weefsel beperkt blijft tot de neus, is het beloop mild. De patiënt is niet algemeen ziek en er treden meestal geen complicaties op. Bij huiddifterie ontstaan er zweren in de huid. Als de ademweg (keel, luchtpijp en longen) geïnfecteerd is, verloopt de ziekte ernstiger. De patiënt heeft koorts en kan ernstig ziek worden met benauwdheid. Difterie kan tot verstikkingsgevaar leiden. Bij 10 tot 20% van de patiënten tast het gif van de bacterie de hartspier aan. Ook het zenuwstelsel kan beschadigd raken. Verder kan iemand zich erg verslikken, gaan scheel kijken of minder goed zien. Later kan spierzwakte van de ledematen optreden. De complicaties kunnen dodelijk zijn. De risico’s zijn het grootst bij jonge baby’s en heel oude mensen. Difterie kan behandeld worden met difterieantitoxine en antibiotica. Maar dit doet niets tegen al ontstane schade. De kans op overlijden is 3-12%. Volledig gevaccineerde mensen overlijden bijna nooit aan difterie. Vaccinaties bieden een goede bescherming tegen difterie. Herhalingsvaccinaties zijn nodig bij een mogelijke besmetting of bij reizen naar landen waar difterie nog voorkomt. Vaccinatie tegen difterie wordt sinds 1953 aangeboden en is sinds 1957 onderdeel van het Rijksvaccinatieprogramma (RVP(Rijksvaccinatie programma)). Difterie komt in Nederland nog maar weinig voor. Soms lopen mensen difterie op tijdens een reis naar een land waar difterie nog veel voorkomt. Voordat vaccinatie werd ingevoerd, overleden er elk jaar 100-10.000 mensen aan difterie. Na invoering van vaccinatie is dit aantal sterk gedaald. In Nederland is sinds 1994 geen sterfgeval meer gemeld.

E-Coli/Escherichia coli/STEC EHEC

STEC en in het bijzonder EHEC, zijn binnen Nederland de belangrijkste ziekteverwekkende E. colibacteriën. E. coli is kort voor Escherichia coli. Het is een darmbacterie die bij mensen en warmbloedige dieren voorkomt. Sommige soorten E. coli kunnen urineweginfecties of maagdarmklachten veroorzaken. De E. colibacterie zit van nature in de darmen van mensen. Er zijn ook E. colibacteriën waar mensen ernstig ziek van kunnen worden, zoald van de shigatoxine-producerende E. coli (STEC).

STEC EHEC  is een groep bacteriën die shigatoxine aanmaken: een gifstof die de cellen in de darmwand beschadigt. De bekendste bacterie binnen deze groep is de enterohaemorragische E. coli (EHEC). Deze veroorzaakt een ernstige darminfectie.

Mensen die ziek worden van E.coli krijgen vaak last van:

  • diarree, soms met bloed
  • buikpijn en buikkrampen
  • misselijkheid en overgeven

Hoe ernstig deze klachten zijn, verschilt per geval. Sommige mensen hebben vrijwel geen last of milde diarree. Heel soms worden mensen zo ziek dat ze in het ziekenhuis opgenomen moeten worden. Dit kan komen door bijvoorbeeld uitdroging, maar ook omdat ze last krijgen van nierproblemen.

Sommige mensen hebben meer kans om hier ziek van te worden:

  • kinderen jonger dan 5 jaar;
  • volwassenen ouder dan 60 jaar en die hebben ook meer kans om door E. coli problemen met hun nieren te krijgen.
  • mensen die door een ziekte minder afweer hebben;
  • Kinderen jonger dan 5 jaar;

Een E. coli-infectie is besmettelijk. De bacterie zit in de ontlasting van een besmet persoon en kan na een wc-bezoek op de wc-bril, spoelknop, kraan of deurklink achterblijven. Ook kan de bacterie via de handen in de mond, op spullen en in eten terechtkomen. Iemand met een E. coli-infectie kan anderen besmetten zolang er klachten zijn en soms zelfs langer.

E. coli zit ook in de darmen van dieren, vooral boerderijdieren. Deze dieren worden hier zelf niet ziek van, maar kunnen wel mensen besmetten. Dat kan gebeuren via:

  • Vlees: door het eten van rauw of niet helemaal gaar vlees
  • Zuivel: door het drinken van rauwe melk of het eten van kaas die daarvan is gemaakt, zoals sommige soorten schimmelkaas
  • Groente: door het eten van rauwe en ongewassen groenten die bemest zijn met mest waar de bacterie in zit. Groenten kunnen ook besmet raken via water waar de bacterie in zit;
  • Contact met boerderijdieren: door bijvoorbeeld het aaien van dieren op de (kinder)boerderij zonder daarna de handen te wassen.

De tijd tussen besmet raken en ziek worden is een tot zeven dagen. Meestal gebeurt dit na drie tot vier dagen.

Er zijn geen inentingen of medicijnen om een E. coli-infectie te voorkomen. Daarom kun je niet altijd voorkomen dat je besmet raakt en ziek wordt. Wel helpt goede hygiëne om besmetting te voorkomen, zoals handen wassen en het toilet regelmatig schoonmaken. Zorg daarnaast dat vlees altijd goed gaar is en was groenten en fruit goed.

E. coli-infecties gaan meestal vanzelf over na twee tot negen dagen. Wordt u steeds erger ziek of krijgen andere mensen in uw huishouden ook klachten? Neem dan contact op met de huisarts. Ook wanneer u al eens een E. coli-infectie heeft gehad, kunt u later een nieuwe infectie krijgen.

Sinds 2022 heeft de GGD tussen de 550 en 650 meldingen ontvangen van mensen met een STEC-infectie. Dit zijn mensen die zo ziek waren dat ze zijn getest door een arts. De arts is verplicht melding te doen wanneer uit de test blijkt dat de patiënt een STEC-infectie heeft.

Het echte aantal besmettingen met STEC in Nederland is niet bekend, omdat mensen die minder ziek zijn niet getest worden. Uit een internationaal onderzoek blijkt dat het aantal besmettingen ongeveer 69 keer zo hoog is als het aantal meldingen. Dat betekent dat er in Nederland naar schatting ongeveer 35.000 mensen per jaar besmet raken met STEC.

Kinderen met klachten voelen zich vaak te ziek om naar het kinderdagverblijf of naar school te kunnen gaan. Als een kind zich weer goed voelt, kan het gewoon naar school of naar het kinderdagverblijf. Laat wel aan de leraar of pedagogisch medewerker weten dat uw kind een maag-darminfectie heeft door E. coli. Heeft uw kind bloed bij de diarree? Overleg dan eerst met de huisarts.

Zelf mag u gewoon naar uw werk wanneer u zich goed voelt, tenzij u in de zorg werkt, of met kleine kinderen, of met voedsel, bijvoorbeeld in een restaurant of slagerij

In dat geval mag u niet werken zolang u klachten heeft van een maag-darminfectie door E. coli. Overleg met uw werkgever/bedrijfsarts wanneer u weer aan het werk mag.

HPAI

HPAI is een besmettelijke dierziekte, die tot hoge sterftecijfers kan leiden bij vogels en kan worden overgedragen op mensen (een zogenoemde zoönose). Het isoleren van de gevonden besmettingshaard en het voorkomen van verdere verspreiding van de ziekte is daarom van het grootste belang. HPAI is op grond van artikel 5 van verordening (EU) nr. 2016/429 een ziekte waarvoor bestrijdingsmaatregelen moeten worden getroffen. Daarnaast is HPAI gecategoriseerd als een A-ziekte voor vogels in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de diergezondheidsverordening. Dit betekent dat een lidstaat bij een uitbraak bestrijdingsmaatregelen moet treffen. Verordening (EU) nr. 2020/687 bevat daartoe de door de minister te nemen maatregelen. Één van die maatregelen is het instellen van een beperkingszone die bestaat uit een beschermings- en bewakingszone rond de besmette inrichting in Eefde. In deze gebieden gelden diverse maatregelen. De verboden zijn in beide zones gelijk; verordening 2020/687 voorziet voor de bewakingszone in verhoudingsgewijs meer ruimte voor de bevoegde autoriteit om uitzonderingen op de verboden te verlenen in vergelijking met de beschermingszone. Dit vereist maatwerk door middel van ontheffing verlening. De beschermingszone is een gebied met een straal van 3 km rond de besmette inrichting, zoals aan de hand van een plattegrond is aangeduid in bijlage 1. Een inzoombare, gedetailleerde kaart van die zone is beschikbaar op de website van RVO (https://www.rvo.nl/dierziektenviewer/). De bewakingszone betreft wegen en waterwegen die het gebied met een straal van 10km rond de besmette inrichting begrenzen. In een regeling zijn voornamelijk voorschriften opgenomen ten aanzien van handelingen met dieren en producten die afkomstig zijn van, worden vervoerd naar of aanwezig zijn in een inrichting. Op grond van deze regeling gelden er vervoersverboden voor gehouden vogels, gedomesticeerde zoogdieren, eieren, vlees en karkassen van gevogelte, sperma van andere dieren dan vogels, diervoeders en mest. In enkele gevallen is het toegestaan die dieren en producten toch te vervoeren. De toegestane uitzonderingen en de voorwaarden waaronder van deze uitzonderingsmogelijkheden gebruik kan worden gemaakt, zijn in de betreffende artikelen opgenomen. De toegang tot inrichtingen waar gevogelte aanwezig is of normaliter wordt gehouden is voor bezoekers verboden, met uitzondering van het woonhuis of een boerderijwinkel of –camping of andere agrarische nevenactiviteit (zogenoemde andere bedrijfsgedeelten), mits fysiek afgescheiden van de vogelverblijfplaatsen. Een deugdelijke fysieke afscheiding betekent de aanwezigheid van een muur of een met platen opgetrokken wand en dergelijke. Afscheiding door middel van een lint of vergelijkbaar materiaal voldoet niet. Bepaalde categorieën bezoekers (zoals politie of medische hulpverleners) hebben wel toegang tot de vogelverblijfplaatsen, voor zover dat noodzakelijk is in het kader van volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of de gezondheid van aanwezige personen in de stal. Een dierenarts mag bijvoorbeeld wel de stal in als sprake is van ziek pluimvee, maar een adviseur van de veevoerindustrie heeft geen toegang tot de stal om te beoordelen of de kippen goed groeien. Het personeel van de bedrijven mag het bedrijf onder voorwaarden betreden. De exploitant van de inrichting moet bovendien een register bijhouden van degenen die zijn inrichting hebben bezocht. Exploitanten van inrichtingen dienen ervoor te zorgen dat hun vogels worden afgeschermd van de op de inrichting aanwezige andere dieren en wilde dieren. Aanvullend op de verplichting tot het afschermen geldt dat een exploitant van een inrichting met commercieel gehouden vogels, met uitzondering van vogels behorende tot fazanten, loopvogels of sierwatervogels, deze vogels ophokt in een gebouw. Een ophokplicht is strenger dan de Europese voorschriften, maar is vanwege de vaak hoge pluimveedichtheid en de grote hoeveelheid van het virus dat in de omgeving aanwezig is, noodzakelijk. Afschermen met netten of open hekwerk biedt onvoldoende bescherming voor commercieel gehouden vogels. De uitzondering voor exploitanten van fazanten, loopvogels zoals de familie van struisvogels, Emoes en Nandoes, en sierwatervogels wordt gemaakt vanwege welzijnsoverwegingen. Houders van deze vogels mogen op andere wijze aan de afschermplicht voldoen. Tot slot is het samenbrengen van vogels in de beschermings- en bewakingszone verboden. Hierbij moet gedacht worden aan tentoonstellingen, wedvluchten of andere evenementen waarbij vogels bijeen worden gebracht. Ingevolge artikel 10 van de diergezondheidsverordening en artikel 3.3a van het Besluit houders van dieren geldt een algemene zorgplicht voor iedere dierhouder om redelijkerwijs al het noodzakelijke te doen of na te laten om besmetting te voorkomen. Dat betreft dus zaken die in zijn macht liggen, zoals zorg dragen voor adequate hygiënemaatregelen, zoveel mogelijk sleepsporen gescheiden houden en in het algemeen het verkeer over zijn bedrijf zo min mogelijk langs de verblijven van het gevogelte leiden.

Direct contact met besmet pluimvee kan leiden tot ernstig verlopende infecties bij mensen. De vrees bestaat dat het virus zodanig verandert dat het zich makkelijk onder mensen kan verspreiden. Dat kan dan zelfs leiden tot een pandemie. Een laagpathogeen aviair influenzavirus kan muteren tot een zeer besmettelijk en dodelijk hoog pathogeen virus. In Hong Kong overleed een man van 62 jaar aan de gevolgen van vogelgriep. Het is het tweede dodelijke geval door vogelgriep H7N9 in Hong Kong. Hong Kong heeft bevestigd dat er nu drie menselijke besmettingen zijn geweest in drie weken tijd. Er wordt gevreesd dat het virus zich verspreid naar Zuid-Korea, Japan en het vasteland van China. In China zelf zijn er tot dusverre zelfs al vier mensen overleden.

De laatste keer dat Nederland werd geraakt door de vogelgriep was in 2003. Bij 1.349 pluimveehouderijen werden toen kippen, kalkoenen en eenden geruimd. In totaal werden 30,7 miljoen landbouw- en hobbydieren gedood.

Op een pluimveeverwerkingsbedrijf in het zuiden van Rusland zijn in februari 2021 zeven medewerkers besmet met de vogelgriepvariant H5N8. Het is de eerste keer dat het hoog pathogene virus bij mensen is aangetroffen. Zij hadden milde klachten, aldus het Russische persbureau Interfax. Rusland heeft de Wereldgezondheidsorganisatie WHO geïnformeerd over de besmettingen. In januari raakten in China ook al twee mensen in China besmet met de H5N6-variant, waarbij een driejarig meisje overleed. In China werd in 2013 voor het eerst een besmetting bij een mens ontdekt. Sinds 2003 heeft het virus 319 mensen geïnfecteerd, waarvan 192 mensen overleden.

Hanta virusinfectie

De Hanta infectie is een zeldzame maar potentieel ernstige ziekte die wordt veroorzaakt door hantavirussen, een groep RNA-virussen die voornamelijk worden overgedragen via knaagdieren. Mensen raken meestal besmet door het inademen van virusdeeltjes uit opgedroogde urine, uitwerpselen of speeksel van geïnfecteerde dieren, vaak in stoffige omgevingen zoals schuren, kelders of opslagruimtes.

Er bestaan verschillende klinische vormen, afhankelijk van het type virus en de geografische regio. In Europa en Azië komt vooral hemorragische koorts met renaal syndroom voor, gekenmerkt door koorts, hoofdpijn, buikklachten en soms nierfunctiestoornissen. In Noord- en Zuid-Amerika wordt vaker het hantavirus pulmonair syndroom gezien, een ernstigere variant die leidt tot acute ademhalingsproblemen en een relatief hoge sterfte.

De incubatietijd varieert meestal van één tot vijf weken. Vroege symptomen zijn aspecifiek, zoals koorts, spierpijn en vermoeidheid, waardoor de diagnose in het begin lastig kan zijn. Naarmate de ziekte vordert, kunnen ernstigere complicaties optreden, afhankelijk van het type infectie.

Er bestaat geen specifieke antivirale behandeling die algemeen effectief is tegen hantavirussen; de zorg is voornamelijk ondersteunend en gericht op het stabiliseren van de patiënt, bijvoorbeeld met zuurstoftherapie of dialyse bij nierfalen. Vroege herkenning en medische zorg verbeteren de prognose aanzienlijk.

Preventie richt zich op het vermijden van contact met knaagdieren en hun uitwerpselen. Dit omvat het goed ventileren en bevochtigen van stoffige ruimtes voordat ze worden schoongemaakt, het afdichten van gebouwen tegen knaagdieren en het zorgvuldig opslaan van voedsel.

Hoewel hantavirusinfecties zeldzaam zijn in Nederland, worden ze sporadisch gemeld, meestal in verband met blootstelling aan wilde knaagdieren zoals woelmuizen. De kans op besmetting blijft laag, maar bewustzijn van de risico’s en preventieve maatregelen is belangrijk, vooral voor mensen die in landelijke of bosrijke gebieden werken of verblijven.

Hondsdolheid

Rabiës of lyssa, beter bekend als hondsdolheid, is een virusinfectie van het centraal zenuwcentrum in de hersenen. Het rabiësvirus is het typesoort van het genus Lyssavirus. Wanneer het virus zich in een spier- of zenuwcel bevindt, begint het virus zich te vermenigvuldigen. Het virus wordt verspreid door speeksel van besmette zoogdieren als honden, katten, apen of vleermuizen of wasberen. Dit jaar kreeg alarmcentrale SOS International 136 meldingen binnen van mogelijke besmettingen, waarvan 73 keer in de vakantie maanden juli en augustus. In 106 gevallen was de definitieve diagnose hondsdolheid. Voor de zomermaanden is dat ongeveer een verdubbeling ten opzichte van vorig jaar. In 2013 waren er slechts 21 meldingen waarvan 5 in juli en augustus. In 16 van die gevallen was de definitieve diagnose toen ook echt hondsdolheid. Sindsdien neemt het aantal meldingen en diagnoses van rabiës elk jaar flink toe.

Wereldwijd sterven er 55.000 mensen per jaar aan een besmetting met het rabiësvirus. Tegen een rabiës infectie bestaan geen medicijnen. Ook bestaat er geen test om bij leven vast te stellen of een dier rabiës heeft. Het virus kan alleen worden vastgesteld door laboratoriumonderzoek van de hersenen. Daarvoor moet het dier worden gedood. De afgelopen 40 jaar zijn er in Nederland 5 dodelijke gevallen van rabiës geweest. Allen werden in het buitenland besmet. Met rabiës besmette dieren dragen het virus bij zich zonder er vaak zelf zichtbaar last van te hebben.Het is tot 2024 niet meer mogelijk om een preventieve prik tegen hondsdolheid te halen. Door een landelijk tekort kunnen alleen mensen die al een kuur waren begonnen of op reis met het virus in aanraking zijn gekomen een prik krijgen.Steeds meer Nederlanders denken dat ze, op reis in het buitenland, hondsdolheid hebben opgelopen. Tot nu toe zijn dit jaar al ruim vijfhonderd meldingen binnengekomen, een stijging van 21 procent ten opzichte van een jaar eerder. De twee jaar daarvoor was het aantal ook al gestegen. De meeste meldingen van rabiës, zoals de dodelijke infectieziekte ook wel heet, komen dit jaar uit Indonesië, Thailand en Turkije. 

Kattenkrabziekte/Bartonella henselae

Kattenkrabziekte, ook wel Bartonella henselae-infectie genoemd, wordt veroorzaakt door een bacterie: Bartonella henselae. Mensen kunnen besmet worden met B. henselae via een krab of een beet van een kat. Bij mensen met een goede weerstand is kattenkrabziekte vaak een onschuldige, soms met koorts gepaard gaande ziekte, die meestal vanzelf overgaat.

Het begint vaak met één of meerdere knobbeltjes (2-3 mm) op de huid in de buurt van de krab of beet. Dit worden al snel blaasjes met na enkele dagen een korstje erop. Hierna verdwijnen de plekjes weer. Soms heeft men dit niet eens gemerkt. Na ongeveer twee weken kunnen de lymfeklieren groot en pijnlijk worden (lymfeklierontsteking of lymfadenitis)

Er kan zich in de lymfeklier een abces vormen. Wanneer men echter contact met speeksel of de beet of krab in het oog heeft opgelopen, kan er een fikse ontsteking van de slijmvliezen rond het oog optreden.

Soms leidt dit tevens tot een ontsteking van de lymfeklier bij het oog, waardoor een abces kan ontstaan. Deze lymfeklierontsteking kan weken tot maanden aanhouden (gemiddeld 6 weken), maar verdwijnt uiteindelijk in het geheel spontaan.
Bij 1/3 van de patiënten gaat de ziekte in de eerste dagen tot weken gepaard met koorts, hoofdpijn en algemeen ziek-zijn. Bij 2 % van de patiënten kan de ziekte leiden tot een hersenvliesontsteking, waarbij men een verlaagd bewustzijn of zelfs coma en stuipen kan krijgen.
Bij mensen met een verminderde weerstand verloopt de ziekte vaak ernstiger. Hierbij vindt men in eerste instantie vaak knobbeltjes en bloedingen in de huid, lever en milt. Deze kunnen met koorts en algemeen ziek zijn gepaard gaan en soms zelfs tot de dood leiden.

Katten zijn drager van de Bartonella henselae-bacterie en kunnen hoge aantallen levende bacteriën in het bloed hebben zonder zichtbare ziekteverschijnselen. Uit onderzoek is gebleken dat 22% van de Nederlandse katten de bacterie in het bloed heeft en dat ongeveer de helft van de onderzochte katten antistoffen heeft tegen B. henselae. Dit betekent dat ze de bacterie een keer in hun leven in het bloed gehad hebben. Katten kunnen elkaar onderling via vlooien besmetten. Het is niet duidelijk of de mens ook via een vlo besmet kan worden. Wel is zeker dat de mens besmet wordt met B. henselae via een krab of een beet of contact met speeksel van een kat. Kattenkrabziekte kan niet tussen mensen worden overgedragen.
Hygiëne na een beet of krab (wassen van de huid, wonddesinfectie en wondverzorging) is belangrijk. Verder is het goed om vlooien bij katten te bestrijden. Mensen met een verminderde weerstand kunnen beter niet met (jonge, speelse) katten omgaan.

De ziekte kan op elke leeftijd optreden, maar risicogroepen zijn kinderen en jongvolwassenen (mannen vaker dan vrouwen) met katten als huisdier. De meeste gevallen worden gemeld in herfst en winter. Dit hangt waarschijnlijk samen met meer contact met jonge katten in die periode.
De bacterie komt wereldwijd voor. In Nederland weet men niet precies hoe vaak de ziekte optreedt, maar men schat minstens 300 tot 1000 gevallen per jaar. Dit is meer dan 2 per 100.000 inwoners per jaar.

Kruipworm / Larva migrans

Kruipworm, ook wel cutaneous larva migrans is een intens jeukende huidinfectie die wordt veroorzaakt door de larven van mijnwormen, vaak afkomstig van honden en katten. Je kunt dit doorgaans oplopen in warme, tropische oorden wanneer je met je blote huid in contact komt met besmette aarde of zand.

De aandoening kenmerkt zich door:

  • Rode, kronkelende en verheven gangetjes op de huid. Deze worden veroorzaakt door de larve die zich een weg door de opperhuid graaft.
  • Uitslag dat gepaard gaat met intense, soms pijnlijke jeuk
  • Komt vaak voor op de voeten, enkels of billen, of plekken die de grond raken bij het liggen of lopen in het zand

De parasiet kan niet overleven in het menselijk lichaam en sterft na enkele weken vanzelf af. Omdat de jeuk echter zeer hevig kan zijn, wordt aangeraden medische hulp te zoeken voor een snelle genezing.

Vaak wordt een eenmalige kuur met ivermectine (tabletten) voorgeschreven, hetzelfde middel dat je krijgt voor schurft. Een alternatief is albendazol. Vroeger werd soms vloeibare stikstof toegepast, maar dit is minder effectief omdat het lastig is de exacte locatie van de larve te bepalen. Raadpleeg bij klachten altijd je huisarts of een tropenarts. 

Leishmaniasis

Er zijn verschillende soorten Leishmania-parasieten. Er zijn veel soorten Leishmania, zoals de Leishmania infantum. Deze soort komt ook rond de Middellandse Zee voor. Daar brengen zandvliegen de parasiet vanuit honden en ratten naar mensen over. Via de beet van een zandvlieg komt de parasiet in het lichaam van dieren en mensen. De ernst van de ziekte hangt af van de soort parasiet en waar in het lichaam de infectie zit.
Hoewel de zandvlieg door klimaatverandering heel incidenteel in Noord-Europa wordt gesignaleerd, komt de ziekte vooral voor in de tropen, subtropen en het Middellandse Zeegebied (zoals Spanje, Italië en Griekenland). 
Veel mensen dragen de parasiet bij zich zonder dat ze het merken. Sommige mensen krijgen wel klachten. De klachten van leishmaniasis bij mensen hangen af van de plek in het lichaam waar de parasiet ziekte veroorzaakt en de soort van de parasiet. Patiënten kunnen leishmaniasis hebben op de huid, op de slijmvliezen, of in de organen in de buik. 

Leishmaniasis op de huid komt het meest voor. Hierbij ontstaan zweren op de plekken waar de besmette zandvlieg gestoken heeft. De zweren kunnen na maanden of jaren vanzelf verdwijnen. Op die plekken kunnen ernstige littekens achterblijven. Bij leishmaniasis op de slijmvliezen ontstaat er eerst een huidzweer. Daarna krijgt iemand zweren, vooral op de slijmvliezen van mond of neus. Deze kunnen het hele gezicht vervormen. Leishmaniasis in de organen in de buik wordt ook wel kala-azar (‘zwarte koorts’) genoemd. Hierbij raken de milt en lever vergroot. Andere klachten zijn:

  • bloedarmoede;
  • bloedinkjes in de slijmvliezen;
  • vlekken op de huid;
  • gewichtsverlies;
  • lange tijd koorts;
  • zich ziek voelen;
  • diarree;
  • soms hoesten

Als mensen eenmaal ziek worden van leishmaniasis in de organen in de buik, dan is dat zonder behandeling bijna altijd dodelijk. Maar er zijn ook mensen die met deze vorm van leishmaniasis geen of alleen maar milde klachten hebben. Dit hangt af van iemands weerstand. Als de weerstand later afneemt, wordt iemand alsnog ernstig ziek.

Ook dieren kunnen leishmaniasis krijgen. Vooral honden kunnen er ziek van worden, maar ook veel andere dieren, zoals knaagdieren, katten, schapen en geiten. Bij honden met leishmaniasis in de organen in de buik lijken de ziekteverschijnselen op die van mensen. Honden hebben daarbij ook vaak last van vermagering, haaruitval rondom de ogen, de snuit en de oorpunten, en snelgroeiende, breekbare nagels. Ook rundvee kan met leishmaniasis besmet raken. Runderen krijgen klachten als koorts, zwelling van de lymfeklieren, en huidzweren.De Leishmania-parasiet wordt overgebracht door de beet van een zandvlieg. Hierbij kan de parasiet van mens naar mens of van dier naar mens worden overgedragen.

De tijd tussen besmet raken en het krijgen van klachten ligt tussen tien dagen en een aantal jaar. Gemiddeld duurt het twee tot zes maanden vanaf de beet van de zandvlieg tot het ontstaan van klachten.

De volwassen zandvliegjes worden niet snel opgemerkt. Ze zijn erg klein (ongeveer 1,5 tot 3,5 millimeter), zoemen niet en hun steek is niet altijd voelbaar. De meeste zandvliegjes rusten overdag op plekken met veel schaduw. Ze zijn vooral actief tussen zonsondergang en zonsopkomst. Het zijn slechte vliegers die dicht bij de grond blijven. Soms voert de wind de zandvliegjes kilometers mee.

Er bestaat geen vaccin tegen leishmaniasis. Daarom is het belangrijk om mensen en dieren tegen de zandvliegjes te beschermen. Dit kan met:

  • Beschermende kleding (lange mouwen, lange broek, sokken, dichte schoenen) vooral na zonsondergang;
  • Insectenwerende middelen;
  • Een fijnmazige klamboe (de vliegjes zijn 1,5 tot 3,5 millimeter groot);
  • Voor honden: een speciale halsband met insectendodende middelen

De zandvliegen zijn vooral actief rond de schemering en zijn meestal te vinden bij water (strand, rivieroever, meer). Ze zijn minder vaak in huizen aanwezig, waar mensen ze met insecticiden kunnen bestrijden.

Leishmaniasis op de huid geneest meestal vanzelf na twee tot vijftien maanden, maar dit kan ook langer duren. Er bestaan verschillende behandelingen om het sneller en beter te laten genezen. Maar ook daarmee duurt het lang voordat de zweren genezen. De behandeling hangt af van het soort parasiet en de klachten.

Leishmaniasis op de slijmvliezen kan mogelijk dodelijke infecties veroorzaken en moet daarom altijd behandeld worden. Hier zijn verschillende medicijnen voor.

Leishmaniasis in de organen in de buik is dodelijk zonder behandeling. Welke behandeling een patiënt krijgt, hangt af van de soort Leishmania, bijwerkingen en beschikbaarheid van de medicijnen en andere ziekten van de patiënt. Leishmaniasis komt wereldwijd voor in 88 landen, vooral in tropische gebieden en rond de Middellandse Zee. In Nederland komt de ziekte alleen voor bij mensen die in het buitenland zijn geweest of van het buitenland naar Nederland zijn verhuisd. Soms krijgen zij leishmaniasis in de organen in de buik pas jaren na hun reis. Dit gebeurt pas wanneer hun weerstand lager is door een andere ziekte of (chemo)therapie. In Nederland zijn er elk jaar een aantal gevallen van leishmaniasis vanuit het buitenland bij mensen en honden. In vakantielanden als Spanje, Portugal, Italië en Frankrijk komt de ziekte ook voor. De laatste jaren zijn er meer mensen met leishmaniasis op de huid. Vooral bij reizigers uit Spanje, Turkije, Marokko en Midden- en Zuid-Amerika.

De zandvlieg die Leishmania verspreidt, leeft niet in Nederland. De ziekte zal zich daarom niet verder verspreiden in Nederland.

Leptospirose / De ziekte van Weil

De ziekte van Weil is een van dier op mens besmettelijke ziekte die ernstige gevolgen kan hebben. Over de hele wereld komt de ziekte voor, maar in Nederland is de aandoening zeldzaam. Sinds 2014 zien we een toename van meldingen van de ziekte van Weil. Waar de stijging door komt is nog niet duidelijk. Mogelijk spelen meerdere factoren een rol; de milde winters kunnen leiden tot een toename van ratten en muizen, evenals een toename van waterrecreatie door warme zomers. 
Leptospirose, een ziekte veroorzaakt door leptospiren, is een verzamelnaam voor meerdere ziektebeelden. Er zijn een aantal typen (serovars) van de bacterie Leptospira die ziekte veroorzaken, ieder met hun eigen gastheer. Vooral muizen en ratten zijn een bekend reservoir van leptospiren, die modderkoorts en ziekte van Weil bij de mens veroorzaken, maar ook runderen kunnen leptospiren bij zich dragen (die melkerskoorts bij de mens veroorzaken).

De ziekte wordt gekenmerkt door griepachtige verschijnselen. Symptomen zijn onder andere plotseling opzettende (doorgaans hevige) hoofdpijn, koorts, spier- en gewrichtspijnen, overgevoeligheid voor licht, misselijkheid en braken. In ernstige gevallen kan de ziekte leiden tot verstoringen in de functies van lever en nieren of treedt hersenvliesontsteking (meningitis) op. In het algemeen verloopt melkerskoorts, een infectie met Leptospira hardjo (van het rund), minder ernstig dan besmetting met de andere leptospiren. Wanneer de ziekte met relatief milde, griepachtige, verschijnselen verloopt, dan wordt meestal de diagnose leptospirose niet gesteld. De ziekte van Weil geeft veelal wel ernstige verschijnselen, die tot in 20% van de gevallen een dodelijke afloop kunnen hebben, indien behandeling niet tijdig wordt gestart.

Leptospiren leven in de nieren van hun natuurlijke gastheer, vaak zonder deze ziek te maken en worden uitgescheiden via de urine. De bacterie kan enkele weken tot jarenlang met de urine worden uitgescheiden en zo de omgeving besmetten. Oorzaken van infecties bij mensen zijn opspattende urine van runderen in een melkstal of zwemmen in buitenwaters waarin ratten leven, vooral als de omstandigheden voor de bacterie gunstig zijn: lauw, weinig stromend water. Honden raken ook regelmatig besmet door het zwemmen in buitenwater. Daarnaast kunnen honden de infectie oplopen door het likken aan elkaars genitaliën of door het oplikken van urine. Door rattenurine besmet oppervlaktewater is de grootste risicobron voor de mens. Zwemmen, zeker in lauw stilstaand water, kan daarom beter vermeden worden. Rattenvangers of landbewerkers die aan slootranden werken moeten uiterste hygiënemaatregelen in acht nemen, zij moeten beschermende kleding en schoeisel dragen. Contact met urine van mogelijk besmette runderen moet vermeden worden en het consumeren van rauwe melk wordt ten zeerste ontraden. Leptospirose bij honden wordt voorkomen door de dieren regelmatig in te enten, vooral voor honden die veel zwemmen is dit belangrijk. 

Leptospirose komt wereldwijd voor. In Nederland treden vooral de ziekte van Weil en modderkoorts op (door infectie met leptospiren die het zwemwater besmetten). Per jaar worden in Nederland bij de mens gemiddeld dertig gevallen van veelal ernstige leptospirose gediagnosticeerd met een duidelijke piek in de periode augustus-november. Ongeveer eenderde van de infecties wordt opgelopen (tijdens vakanties) in het buitenland, met name in tropische landen. Leptospirose bij runderen (en melkerskoorts bij mensen) komt in Nederland nauwelijks meer voor dankzij intensieve, verplichte, bestrijdingsprogramma’s (tankmelkonderzoek bij melkgevende runderen en bloedonderzoek bij niet-melkgevende runderen).

Leptospirose kan bij vrijwel alle diersoorten optreden. Bij honden, die in door ratten besmet water de ziekte van Weil oplopen, kan de ziekte acuut verlopen, waarbij sufheid, braken, diarree, geelzucht, nerveuze verschijnselen en bloedverlies met de urine optreden. Bij rundvee is vooral Leptospira hardjo bekend als veroorzaker van abortus. Koeien worden niet zichtbaar ziek, maar onder invloed van leptospiren kan naast abortus een verminderde melkproductie optreden. Ook varkens worden niet zichtbaar ziek maar kunnen aborteren. Daarnaast kan een infectie ervoor zorgen dat er zwakke biggen geboren worden. Bij kalveren en biggen kan een infectie met leptospiren geelzucht en bloedverlies met de urine veroorzaken. De urine heeft dan een donkere bruine tot rode kleur.

Leverbotinfectie (fasciolose)

Leverbot wordt veroorzaakt door de platworm Fasciola hepatica (of Fasciola gigantica in de tropen) die in de lever en galgangen van herkauwers leeft en eventueel de mens kan besmetten.
De volwassen leverbot leeft in de lever van eindgastheren en legt eitjes die met de gal in de mest terecht komen, en zo op het weiland belanden. De larven die uit de eitjes komen hebben een tussengastheer nodig, een poelslak van de soort Lymnea, waarin ze tot een volgend stadium evolueren. Uit de slak komen dan weer een soort larven van een daarop volgend stadium. Deze larven gaan aan waterplanten of gras in vochtige omgeving ‘vastplakken’ en veranderen daar in een larvestadium dat infectieus is voor de eindgastheer, meestal een herkauwer, zoals rund of schaap. Maar ook andere dieren en mensen kunnen eindgastheren zijn voor leverbot. Door het eten van gras of waterplanten krijgt de eindgastheer deze larve binnen. Deze larve verandert tijdens de trektocht vanuit het maagdarmkanaal op weg naar de lever in een leverbotje. In de lever groeit het botje uit tot een volwassen bot die eitjes gaat leggen. Hiermee is de cyclus rond.

Het stadium in de slak is een verplicht tussenstation voor de larven. Zonder de veranderingen die hierin worden doorgemaakt kan er geen stadium ontstaan dat infectieus is voor de eindgastheer. Eindgastheren kunnen zich niet rechtstreeks besmetten met de eitjes die door de leverbotten in hun lever zijn uitgescheiden.
Voor het onderhouden van leverbotinfecties bij de dieren zijn zowel geïnfecteerde herkauwers nodig, als omstandigheden die maken dat er slakken zijn (vocht, bijvoorbeeld drassige weilanden). Andersom is het bestrijden van de infectie enerzijds mogelijk door geïnfecteerde dieren te behandelen en anderzijds door slakken te weren, bijvoorbeeld door drainage van het grasland.
Ook de mens kan zich besmetten met het larvale stadium dat infectieus is voor de herkauwer.

Een bekende uitbraak van leverbot besmetting bij de mens werd veroorzaakt door het eten van rauwe waterkers in Frankrijk.
Preventief wordt aangeraden waterkers goed te wassen, maar dit is echter niet voldoende om het leverbot stadia eraf te wassen. Het is beter te kijken naar de herkomst van de waterkers. Als dat van een bedrijf is waar herkauwers gemakkelijk in de buurt van de waterkersvelden kunnen komen, kunt u het beter niet rauw eten. In Nederland zou men in verband met leverbot niet moeten kauwen op grassprietjes of veldzuring in gebieden waar zowel herkauwers als poelslakken voorkomen (slootranden in weilanden bijvoorbeeld).

Bij runderen, schapen en geiten, kan een plotselinge heftige ziekte ontstaan (vooral bij lammeren), die veroorzaakt wordt door ernstige schade en ontsteking aan de buikholte, lever en galgangen.
De jonge dieren kunnen plotseling sterven of slechts enkele dagen ziek zijn (verlies aan eetlust, zwakte) voor ze sterven. Bij volwassen dieren verloopt de ziekte meestal chronisch en is mede afhankelijk van de hoeveelheid leverbotten in de lever. Gewichtsverlies, bloedarmoede, diarree en oedeem zijn mogelijke verschijnselen.

De ziekte bij de mens wordt gekenmerkt door verschijnselen van leverlijden (vergrote lever, geelzucht, bloedarmoede), koorts, buikpijn en gewichtsverlies.

Lintworm/Echinococcus

Echinococcus granulosus (hondenlintworm) en Echinococcus multilocularis (vossenlintworm) zijn kleine lintwormen die respectievelijk voorkomen bij de hond en de vos. Deze parasieten kunnen ook de mens infecteren en echinokokkose veroorzaken.

Lintwormen hebben een eindgastheer en een tussengastheer. Bij de eindgastheer leeft de volwassen lintworm in de darm en bij de tussengastheer leeft de parasiet in het larvale stadium, als blaasworm.

Echinococcus granulosus (hondenlintworm)
Heeft de hond als eindgastheer en verschillende andere diersoorten als tussengastheer, bijvoorbeeld het schaap, het rund of het varken maar ook de mens. In deze tussengastheren ontwikkelt de parasiet zich als een afgekapselde hydatide cyste ofwel blaasworm, die enkele millimeters tot vele centimeters groot kan worden. Meer informatie over Echinococcus granulosus

Echinococcus multilocularis (vossenlintworm)
Heeft de vos als eindgastheer en als tussengastheer kleine knaagdieren maar incidenteel ook de mens. E. multilocularis groeit in tussengastheren niet als een afgekapselde cyste, maar als een invasief proces dat doorgroeit in andere organen en eruit ziet als een kwaadaardige tumor. Daarin onderscheiden deze parasieten zich van elkaar. 

Listeriose

Listeriose is een zeldzame infectieziekte die je oploopt door de listeriabacterie, die meestal in voedsel, in dieren, in de grond, in water of op groenten zitten. De ziekte komt in Nederland weinig voor, maar kan wel ernstig verlopen. 
Bij gezonde mensen verloopt een besmetting met listeria vaak zonder klachten of met milde griepverschijnselen, misselijkheid en diarree. Listeriose kan ernstiger verlopen bij jonge baby’s, ouderen en mensen met een verzwakte afweer. Bij deze mensen kan in zeldzame gevallen hersen(vlies)ontsteking of bloedvergiftiging (sepsis) optreden. Bij een klein deel van deze mensen kan de infectie dodelijk aflopen.

Zwangeren hebben een grotere kans om na besmetting met listeria ziek te worden. Het ongeboren kind kan dan ook besmet raken. Dit kan leiden tot een miskraam of vroeggeboorte en ernstige ziekte van de baby. Het is du voor een zwangere vrouw belangrijk om bij het verschonen van een kattenbak goed op te letten of het beter nog door een ander te laten doen. Als een zwangere ziek wordt van een listeriabesmetting, heeft ze vaak klachten als:

  • hoofdpijn;
  • rugpijn;
  • gewrichtspijn;
  • spierpijn;
  • flinke koorts

Soms krijgt een zwangere eerst buikgriepachtige klachten, zoals diarree. Dat gebeurt vooral als ze listeriose krijgt in het derde trimester. In die periode is er ook een grotere kans op vroeggeboorte of overlijden van het ongeboren kind. Een zwangere die besmet is maar geen klachten heeft, kan in zeldzame gevallen de bacterie overdragen aan het ongeboren kind.

Mensen raken bijna altijd besmet met listeria door het eten van besmet voedsel. Vaak gaat het dan om rauwe ingrediënten. Ook kan tijdens de productie van voedsel ‘kruisbesmetting’(externe link) optreden: de bacterie gaat dan van het ene naar het andere product, bijvoorbeeld via een besmette snijplank. Voorbeelden van voedsel waar listeria het vaakst in voorkomt en die zwangeren moeten mijden, zijn:

  • zachte (schimmel)kaas gemaakt van rauwe melk;
  • gerookte vis;
  • vleeswaren;
  • filet américain;
  • paté;
  • kant-en-klaar producten, zoals rauwkostsalades en kant-en-klare pannenkoeken

De bacterie komt ook voor in de grond, in dieren, in water en op gewassen. Maar listeria zit vooral op voedsel dat lang in de koelkast bewaard wordt en niet verhit wordt voor het eten. De tijd tussen besmet raken en ziek worden is een paar uur tot een paar maanden. Meestal duurt het 2 tot 4 weken.
Directe besmetting van mens op mens komt (met uitzondering van een zwangere op het ongeboren kind) vrijwel nooit voor.

Er zijn een aantal maatregelen om de kans op besmetting met listeria te verkleinen of te voorkomen:

  • Zet de koelkast op 4 graden Celsius. Bij kou groeit listeria minder snel;
  • Zet voedsel waar listeria in kan zitten op de onderste plank in de koelkast. Doe dit zo snel mogelijk na aankoop of gebruik;
  • Was rauwe groenten altijd goed voor gebruik;
  • Verhit voedsel door het te koken, bakken of braden voordat u het eet. Verhitting doodt de listeriabacterie;
  • Eet voedsel dat kan bederven niet na de houdbaarheidsdatum;
  • Bewaar eten dat kan bederven niet te lang. In de bewaarwijzer van het Voedingscentrum(externe link) staat hoelang een product na openen nog goed blijft.

Een arts kan listeriose behandelen met medicijnen. In Nederland krijgen 4 op de miljoen mensen per jaar een infectie met listeria. De ziekte komt het meest voor bij mensen die ouder zijn dan 65 jaar. Elk jaar krijgt het RIVM ongeveer 85 meldingen van patiënten met een listeria-infectie. Gemiddeld 5 daarvan zijn zwanger.

Ook voor zwangeren is listeriose een zeldzame ziekte. Zwangeren hebben wel een grotere kans om van besmetting met listeria ziek te worden. Het ongeboren kind kan dan ook besmet raken. Dit gebeurt vooral als de moeder listeriose krijgt in het derde trimester. Het ongeboren kind kan dan bloedvergiftiging krijgen. Dit kan leiden tot een miskraam, vroeggeboorte of overlijden van de baby. Een zwangere die besmet is maar geen klachten heeft, kan in zeldzame gevallen de bacterie overdragen aan het ongeboren kind.

Pasgeboren baby’s hebben een grotere kans op ernstige ziekte. Zij kunnen sepsis krijgen, of hersen(vlies)ontsteking, en hieraan overlijden.

Ben je in het derde trimester van je zwangerschap en heb je een mogelijk besmet product gegeten en heb je klachten die wijzen op een listeriabesmetting (flinke koorts, hoofd-, rug-, spier- en gewichtspijn)? Vertel dit dan aan de huisarts. De huisarts kan hier rekening mee houden bij de diagnose en eventuele behandeling.

Directe besmetting van mens op mens komt bijna nooit voor. Voelt een kind zich goed? Dan kan het gewoon naar de kinderopvang of school. Vertel wel aan de pedagogisch medewerker of de leerkracht dat uw kind listeriose heeft. Zij kunnen in overleg met de GGD andere ouders informeren, omdat hun kinderen mogelijk aan dezelfde bron zijn blootgesteld. Ouders kunnen dan letten op de klachten van listeriose bij hun kind. Soms zijn extra maatregelen op het kindercentrum of de school nodig. Een volwassene met listeriose die zich goed voelt, kan gewoon werken. Werkt u in de zorg, met kleine kinderen, in de voedselbereiding, bijvoorbeeld in een restaurant of slagerij dan moet je overleggen met de GGD/bedrijfsarts of met je werkgever voor je weer gaat werken.

Ziekte van Lyme

In Nederland lopen we elk jaar 1,5 miljoen tekenbeten op. Ongeveer 2 op de 100 mensen krijgen de ziekte van Lyme na een tekenbeet, zo’n 27.000 mensen per jaar. De aard en de ernst van de klachten bij patiënten met de ziekte van Lyme zijn verschillend. Verreweg de meeste mensen die deze ziekte oplopen, krijgen een kenmerkende ring of vlek bij de plek van de tekenbeet. Jaarlijks krijgen daarnaast ongeveer 1.500 mensen gewrichtsklachten, huidklachten, zenuwklachten en heel soms hartklachten door de ziekte van Lyme. Van de 27.000 patiënten houden naar schatting 1000 tot 1500 mensen per jaar langdurig klachten.

De ziekte van Lyme wordt veroorzaakt door de bacterie Borrelia burgdorferi. De ziekte van Lyme kun je via de beet van een besmette teek oplopen. De teek wordt besmet als hij bloed zuigt bij kleine (knaag)dieren of vogels die de bacterie bij zich kunnen dragen. Wanneer een teek later bloed van mensen zuigt, kan de bacterie op de mens overgedragen worden. Ongeveer 1 op de 5 teken draagt de bacterie bij zich.
Het ziektebeeld van de ziekte van Lyme is wisselend. Niet iedereen krijgt dezelfde klachten. De ziekte van Lyme kan zich uiten in de volgende klachten:

Een verkleuring van de huid, meestal op de plek van de tekenbeet, die groter wordt. Deze kan tot drie maanden na een tekenbeet verschijnen. De verkleuring kan verschillende verschijningsvormen hebben. 
Koorts en eventueel spier- en gewrichtspijn, in de eerste weken na een tekenbeet.
Soms kunnen gewrichtsklachten, huidklachten, zenuwklachten of hartklachten ontstaan. Dat kan gebeuren als de vroege klachten van de ziekte van Lyme niet behandeld zijn met antibiotica. Maar deze klachten zijn soms ook een eerste uiting van de ziekte.
Zowel de vroege als de latere stadia zijn te behandelen met antibiotica, maar in een later stadium kan al wel schade zijn ontstaan door de ontsteking. Daarom is het belangrijk om contact op te nemen met de huisarts met deze klachten.
Soms kunnen mensen besmet raken zonder dat ze de huiduitslag hebben gezien. Ook wordt een tekenbeet regelmatig over het hoofd gezien. Goed controleren op teken na bezoek aan het groen is daarom erg belangrijk.  De huiduitslag kan er uit zien als een ring, maar ook als een egaal gekleurde vlek.

Om de diagnose voor de ziekte van Lyme vast te stellen beoordelen artsen allereerst de gezondheidsklachten van de patiënt, daarnaast de ziektegeschiedenis en het gedrag van de patiënt (bijvoorbeeld of de patiënt grote kans heeft om tekenbeten op te lopen doordat hij veel in de natuur is). En als derde kijkt de arts naar de bloedwaarden. Deze gecombineerde methode is de beste manier om de ziekte van Lyme vast te stellen. Dit is beschreven in de CBO-richtlijn Lymeziekte. 

De ziekte van Lyme is te behandelen met antibiotica. Hoe eerder de ziekte wordt opgemerkt, hoe beter de behandeling zal aanslaan. Het is daarom belangrijk dat je aan je huisarts meldt dat je door een teek gebeten bent als je binnen 3 maanden na de beet gezondheidsklachten krijgt.

De behandeling kan per patiënt met de ziekte van Lyme verschillen. Om te bepalen welke behandeling wanneer gepast is, werd in 2013 een landelijke richtlijn geschreven (CBO-richtlijn Lymeziekte(externe link)). 
Behandeling zal in eerste instantie door de huisarts gebeuren. Als klachten blijven bestaan na behandeling met antibiotica, of er ontstaan nieuwe klachten ondanks behandeling met antibiotica, kan de huisarts de patiënt doorverwijzen naar een gespecialiseerd ziekenhuis.

Marburgvirus

In Duitsland zijn op het treinstation van Hamburg twee mogelijke met het dodelijke Marburgvirus besmette passagiers uit een intercity gehaald. Het gaat om een 26 jaar oude geneeskundestudent en zijn vriendin, die net terug waren uit Rwanda. De student was eerder op de dag teruggekomen uit Rwanda, waar hij contact had gehad met een patiënt die positief werd getest op het virus. Samen met zijn vriendin reisde hij van het vliegveld van Frankfurt met de trein naar Hamburg. Hij zou zich onderweg grieperig hebben gevoeld en daarom de hulpdiensten hebben ingeschakeld. Er werden in de trein geen andere mensen besmet. Het zeer dodelijke Marburgvirus is namelijk alleen overdraagbaar van mens tot mens via lichaamsvloeistoffen. Het verspreidt zich dus niet door de lucht. Rwanda meldde vorige week zes doden en twintig besmettingen waaronder personeel van de intensive care afdeling. De uitbraak met het zeer dodelijke virus is een van de grootste in de laatste tientallen jaren voor Rwanda. Het marburgvirus is een zogenoemde virale hemorragische koorts, net zoals ebola. Het is een besmettelijke ziekte waar mensen erg ziek van worden en aan dood kunnen gaan. De klachten zijn hetzelfde als voor het ebolavirus. De bron van het virus is een dierreservoir, het is een zoönose. In 2006 werd bekend dat een buitenproportioneel groot aantal lijders was geassocieerd met grotten en mijnen, wat deed vermoeden dat de natuurlijke gastheer van het virus in een dergelijke omgeving zou moeten leven. Een team van onderzoekers uit de Verenigde Staten en Gabon ontdekte het virus kort daarna in de fruitetende vleermuizensoort Nijlroezet (Rousettus aegyptiacus). Het marburgvirus was het eerste filovirus dat werd ontdekt. Het virus werd voor het eerst beschreven in 1967, toen 37 personen ziek werden in de Duitse steden Marburg en Frankfurt am Main en in Belgrado (Joegoslavië). Het werd veroorzaakt door besmette, Afrikaanse groene meerkatten (Cercopithecus aethiops) uit Oeganda, die werden gebruikt voor het ontwikkelen van vaccins tegen polio. De apen waren ingevoerd door Behringwerke, een Marburgse onderneming, opgericht door de eerste Nobelprijswinnaar voor de Geneeskunde, Emil Adolf von Behring. De onderneming, die toentertijd onderdeel was van Hoechst, later van Dade Behring en daarna van Siemens, was oorspronkelijk opgericht voor het ontwikkelen van sera tegen tetanus en difterie. Uitbraken van deze ziekte zijn bekend in 1967, 1975, 1980, 1987, 1998, 2000, 2004, 2005, 2022, 2023 en 2024. De ziekte heeft een incubatietijd van twee tot tien dagen. Hierna volgen plotseling optredende koorts, hoofdpijn en spierpijn. Binnen een week ontwikkelt zich een maculopapulaire huiduitslag (huiduitslag met vlekken en knobbeltjes) gevolgd door braken, pijn in de borst, buikpijn en diarree. De ziekte kan vervolgens steeds ernstiger worden en gepaard gaan met geelzucht, een delirium, gestoorde leverfunctie en omvangrijke bloedingen. Herstel van de ziekte duurt lang, er kunnen nog zwelling van de teelballen, terugkerende hepatitis en ontstekingen van het ruggenmerg, de ogen of de speekselklieren optreden.In de jaren 80 experimenteerde de toenmalige Sovjet-Unie met het geschikt maken van het marburgvirus voor biologische oorlogsvoering. Dankzij Ken Alibek (voorheen Kanatjan Alibekov), een Sovjet-wetenschapper die in 1992 naar de Verenigde Staten overliep, is meer bekend geworden over de Sovjet-activiteiten op dit gebied. Hij was de eerste onderdirecteur van Biopreparat, de organisatie die zich bezighield met het ontwikkelen van biologische wapens. Wetenschappers van Biopreparat ontdekten dat, in aerosolvorm, er slechts een paar virusdeeltjes nodig waren voor het infecteren van een slachtoffer. Ze onderzochten verder hoe dit virus met een intercontinentale raket van het type SS-18 ingezet kon worden tegen bevolkingscentra in NAVO-gebied. Nadat een van de wetenschappers, dr. Nikolai Ustinov, zichzelf per ongeluk geïnjecteerd had met Marburg, konden zijn collega’s uit zijn stoffelijk overschot een nog dodelijkere versie van het virus isoleren en cultiveren. Deze werd variant U genoemd naar dr. Ustinov. Volgens Alibek waren de Sovjets in 1991 zover dat ze Marburg-variant U in grote hoeveelheden konden produceren. Volgens de plannen zouden dan tien afzonderlijk richtbare, met Marburg U geladen koppen op de genoemde raketten geplaatst worden die daarna in het operationele arsenaal van de Sovjets zouden worden opgenomen.

Miltvuur

Miltvuur of antrax is een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis en van de eerste ziekten waarvan werd aangetoond dat ze door een bacterie worden veroorzaakt. Miltvuurbacteriën hebben het vermogen tot sporenvorming: ze gaan over in een vorm zonder actief metabolisme en kunnen in deze rusttoestand decennialang overleven en weer actief worden als de omstandigheden zich daarvoor lenen (hoge temperaturen en hoge luchtvochtigheid).

De bacterie kan op verschillende manieren de mens besmetten en bij mensen die met vee of huiden omgaan treedt dan soms een zwarte pijnloze steenpuist-achtige ontsteking van de huid op (de pustula maligna). Deze geneest in de regel zonder ernstige gevolgen; als zij niet wordt behandeld kan de kans op overlijden echter oplopen tot 20%. Bij inademing van miltvuursporen echter kan een longontsteking gevolgd door sepsis optreden die snel dodelijk kan verlopen, vooral indien veel sporen zijn ingeademd; longmiltvuur (anthrax pulmonalis). Miltvuur ook via het maag-darmkanaal worden opgelopen; darmmiltvuur (anthrax intestinalis), dit betreft minder dan 1% van de antrax-gevallen. Bijvoorbeeld wanneer besmet vlees onvoldoende is verhit kan dit tot besmetting leiden. De gemiddelde incubatietijd bedraagt een halve dag tot vijf dagen. Symptomen die daarna optreden zijn sterk verschillend en variëren van steenpuistachtige huidinfectie, longontsteking en een vergrote en ontstoken milt. Bij mensen komen drie vormen van miltvuur voor: de longvorm, de huidvorm en de systemische vorm. De huidvorm is de vorm van miltvuur die in 95% van de gevallen voorkomt en het is de minst ernstige vorm. Het ontstaat na besmetting via de huid. Er vormt zich een pijnloos maar jeukend bultje op de handen, in de nek of het gezicht. Na 2-3 dagen gaat dit over in een blaartje en daarna in een zweer die bedekt wordt met een zwarte korst. Daaromheen ontstaat vaak een flinke zwelling en een krans van blaasjes. Nadat de korst weg is, blijft een litteken altijd zichtbaar. Soms gaat de huidzweer gepaard met hoofdpijn en koorts. Behandeling met antibiotica zorgt er niet voor dat de zweren sneller genezen, maar voorkomt wel sterfte doordat de bacterie geremd wordt. Als er niet behandeld wordt, kan de ziekte in 10 tot 20 % van de gevallen tot de dood leiden. De longvorm wordt ook wel ‘wolsorteerdersziekte’ genoemd. Deze vorm ontstaat doordat de sporen worden ingeademd. Eerst ontstaat een normale verkoudheid, maar na 2 tot 4 dagen treedt kortademigheid op. Dit gaat gepaard met hoge koorts en het opgeven van bloed. Zelfs bij behandeling met antibiotica overlijden de meeste patiënten binnen 24 uur.

Na het eten van met de miltvuurbacterie besmet voedsel kan de darmvorm ontstaan, die twee verschillende beelden heeft: de zogenaamde abdominale vorm (abdomen = buikholte) en de orofaryngeale vorm (orofaryngeaal = van mond en keel). In het eerste geval ontstaan misselijkheid en koorts, die overgaan in bloederige diarree en heftige buikpijnen. In het tweede geval ontstaat ook koorts, maar nu gaat het gepaard met moeilijk slikken, lymfklierzwelling in de nek en bloedvergiftiging, waaraan zo’n 50 % van de patiënten uiteindelijk (ongeacht behandeling) sterft.

In de eerste helft van de twintigste eeuw kwam miltvuur nog regelmatig in Nederland voor, maar sinds de invoering van de Destructiewet uit 1957 is het aantal gevallen drastisch afgenomen. Dat betekent niet dat de ziekte in Nederland niet meer voorkomt, maar wel dat miltvuur er uiterst zeldzaam is geworden. In totaal werden sinds 1976 (toen de ziekte aangifteplichtig werd) slechts zeven gevallen van miltvuur bij mensen gemeld, waarvan de laatste twee gevallen in 1994. Er is echter weleens een uitbraak opgetreden na graafwerkzaamheden langs de uiterwaarden van de IJssel waar in het verleden dieren met miltvuur waren begraven. Ook dienen bijvoorbeeld archeologen en landbewerkers alert te zijn op de ligging van de miltvuurbosjes of waar deze gelegen hebben, de “witte plekken”. In 2013 werden bij graafwerkzaamheden in Lent levensvatbare miltvuursporen gevonden op een plek waar vóór 1942 kadavers van aan miltvuur overleden vee waren begraven[4]. In andere delen van de wereld komt miltvuur nog wel veelvuldig voor. In Turkije en Kroatië kwam in 2022 nog wel miltvuur voor. Verenigde Staten In oktober en november 2001 werd in de Verenigde Staten een aantal brieven met miltvuursporen aan personen en instanties gestuurd, die bij het openmaken vrij kwamen. Dit leidde tot 22 besmettingen die vijf slachtoffers eisten. Een Amerikaanse onderzoeker die toegang had tot de gebruikte bacteriestam, Bruce Edwards Ivins, pleegde in 2008 zelfmoord kort voordat hij voor deze feiten aangeklaagd zou worden. Het bewijs tegen hem was echter waarschijnlijk niet hard genoeg voor een veroordeling, hoewel aannemelijk was dat de sporen uit zijn laboratorium kwamen. Uit het onderzoek kwam naar voren dat de sporen van een zeer virulente stam afkomstig waren (de Ames-stam), zeer geconcentreerd waren en zeer fijn verdeeld en daarnaast gecoat met middelen om de klontering tegen te gaan en de dispersie te bevorderen, aanwijzingen dat ze uit een geavanceerd biologisch wapenlaboratorium afkomstig waren. Verenigd Koninkrijk In 1942 werden op het Schotse eiland Gruinard militaire proeven met miltvuur genomen om te testen of het als biologisch wapen gebruikt kon worden. Het miltvuur was zo effectief en doordringend dat het eiland 48 jaar lang in quarantaine moest worden gehouden. Tot de jaren ’80 was het een van ’s werelds dodelijkste plekken. Pas in 1986 besloot de overheid het eiland te ‘ontsmetten’. Hoewel het in 1990 veilig werd verklaard, blijft de ondergrond sporen bevatten van antrax. Zelfs een verblijf van een paar dagen heeft zware gevolgen voor de menselijke gezondheid. Daardoor zal het eiland nog enkele honderden jaren ongeschikt blijven voor menselijke vestigingen. Sovjet-Unie Op het eiland Vozrozhdeniya in het Aralmeer bevindt zich een oud laboratorium dat gebruikt is voor het ontwikkelen van biowapens, waaronder pokken. Hoewel er waarschijnlijk geen monsters van het pokkenvirus meer zijn, was het eiland nog vervuild met andere ziekteverwekkers, met name miltvuur. Het is niet duidelijk hoeveel afval op het eiland is achtergebleven. Het is waarschijnlijk dat de eilandbodem nog steeds vervuild is.

Myxomatose

Myxomatose komt voor bij wilde en tamme konijnen en laatste tijds vooral bij hazen en is hoewel redelijk ongevaarlijk ook besmettelijk voor mensen. De ziekte wordt overgebracht door stekende en/of bloedzuigende insecten (bijvoorbeeld muggen en vlooien)

Myxomatose is een ernstige konijnenziekte. Ze wordt verspreid door vectoren (dragers) zoals muggen, konijnenvlooien en onderlinge besmetting via bijvoorbeeld contact, urine of andere virus-houdende lichaamsvloeistoffen. De ziekte kent een tweejaarlijkse piek in de zomermaanden. Konijnenfokkers vrezen de besmetting, vaccinatie is echter mogelijk. Het myxomavirus behoort tot de pokkenvirussen (familie poxviridae, genus Leporipoxvirus). Het komt van nature voor bij het Braziliaans konijn (Sylvilagus brasiliensis), waarbij het echter slechts milde ziekteverschijnselen veroorzaakt. Het virus is ook aangetroffen bij het Californische Bachmankonijn (Sylvilagus bachmani). De oorspronkelijke vorm van myxomatose gaf een sterfte van meer dan 90% en het ziektebeeld was goed te herkennen. Het begon met vlekken in de oren die zich ontwikkelden tot tumoren op de kop en rond de geslachtsorganen. De konijnen ontwikkelden bindvliesontsteking die kon leiden tot blindheid en ontwikkelden koorts, werden lusteloos en verloren hun eetlust. Vaak ontwikkelden zich secundaire infecties, die longontsteking konden veroorzaken. Het konijn overleed meestal aan de ziekte zelf of aan secundaire infecties, bovendien zijn zieke of blinde konijnen makkelijke prooien voor roofdieren. De laatste jaren heeft de ziekte een ander karakter aangenomen, veel minder typisch en minder dodelijk. Omdat het ook minder herkenbaar is wordt vaak te laat ingegrepen. De eerste week vertonen de aangetaste konijnen alle tekenen van “snot”, een pasteurellabesmetting. Het begint met rood-omrande, maar niet-tranende ogen. Daarna begint het konijn te niezen waardoor men denkt aan snot. Pas de tweede week beginnen de myxomatose-tumoren zich te ontwikkelen. Deze vorm van de ziekte, ook wel de wildvorm genoemd, is ook overdraagbaar van konijn op konijn zonder de tussenkomst van stekende insecten. Hazen zijn resistent voor de ziekte maar kunnen deze wel overdragen. Doordat de ziekte minder dodelijk werd, maar ook omdat de konijnen resistentie tegen de ziekte ontwikkelden namen de sterftecijfers af. Hoewel er vaccinatie mogelijk is bestaat er geen behandeling tegen myxomatose. Men kan slechts palliatieve zorg bieden in de hoop dat het konijn de ziekte zelf de baas wordt en overleeft. In praktijk worden konijnen met myxomatose door dierenartsen geëuthanaseerd om hun lijden te beëindigen. Op tal van plekken worden in de Achterhoek dode hazen aangetroffen. Daarmee lijkt de eerste grote uitbraak van de vaak dodelijke ziekte Myxomatose een feit. Het gaat om tientallen meldingen in de afgelopen twee maanden, van zowel zieke als dode hazen. In 2016 werd voor het eerst is in Nederland RHDV-2 (Rabbit Haemorrhagic Disease Virus) als doodsoorzaak bij een haas aangetoond. Het dier werd dood gevonden in het werkgebied van de Wildbeheereenheid Aalten, op de grens van de gemeenten Aalten en Winterswijk. De haas is doodgegaan aan zeer acute ontstekingen aan lever en milt. De ziektebacillen worden bij herhaling gebruikt tegen konijnenplagen. Het RHD virus is zeer besmettelijk. Konijnen en hazen raken besmet door zowel direct (dit is onderling) als indirect contact. Voorbeelden van indirect contact zijn: contact met urine en keutels van besmette dieren, en via onder andere besmet water, voedsel, kleding, schoeisel en handen. Ook in de uitwerpselen van roofdieren die een besmet konijn hebben gegeten, kan levensvatbaar virus aanwezig zijn. Daarnaast kan overdracht van het virus plaatsvinden via contact met insecten, zoals vliegen. Gehouden konijnen kunnen tegen beide typen RHDV worden ingeënt. Het RHD-virus is niet besmettelijk voor andere gezelschapsdieren zoals honden, katten, cavia’s en andere knaagdieren.

Newcastle disease (ND)

Een zeer besmettelijke ziekte bij vogels, ook wel pseudovogelpest genoemd. Besmetting met dit virus vindt plaats door contact met zieke vogels, via besmet materiaal of via de lucht. Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) verricht onderzoek naar deze ziekte. Kippen, kalkoenen, kwartels, duiven, struisvogels en kanaries zijn zeer gevoelig voor Newcastle disease. Papegaaiachtigen, eenden en ganzen kunnen het virus bij zich dragen en uitscheiden, maar worden niet altijd ziek van het virus. Mensen die direct in aanraking komen met hoge concentraties ND-virus kunnen daarbij ontstoken ogen krijgen. De ontsteking geneest vanzelf zonder blijvende schade.Pluimvee in Nederland wordt verplicht gevaccineerd tegen Newcastle disease. Binnen de Europese Unie hanteren de lidstaten verschillende regelingen betreffende vaccinatie. In Nederland is het verplicht om bedrijfsmatig gehouden kippen en kalkoenen te vaccineren tegen Newcastle disease. Dit geldt ook voor postduiven die deelnemen aan tentoonstellingen en wedstrijden. Voor hobbypluimvee is vaccinatie in Nederland niet verplicht tenzij de dieren naar tentoonstellingen gaan. Voor de vaccinatie worden zowel levende als geïnactiveerde niet-virulente paramoxyvirus 1 varianten gebruikt. Vaccinatie wordt meestal uitgevoerd door het toedienen van levende vaccins door middel van sprayen of aerosolen. Virusstammen die geen ziekteverschijnselen veroorzaken worden vaak dit vaccin gebruikt.Bedrijfsmatig gehouden pluimvee moet worden gevaccineerd op een wijze beschreven in paragraaf 3 van de ‘Regeling preventie, bestrijding en monitoring besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE’s’. In deze regeling zijn de randvoorwaarden neergelegd waaraan vaccinatie moet voldoen. Het gaat hierbij om een doelregeling. Doel is dat koppels door vaccinatie antilichaamtiters verkrijgen die voldoen aan de waarden neergelegd in artikel 94 van deze regeling. Een mogelijke  infectie moet in het laboratorium worden bevestigd door het aantonen van het virus middels viruskweek dan wel het aantonen van het virusgenoom door een PCR-test. Serologie is alleen van waarde in regio’s waar niet wordt gevaccineerd. Voor de laboratoriumdiagnostiek worden dode of geëuthanaseerde, zieke dieren ingezonden. Op contactbedrijven waar geen ziekteverschijnselen worden gezien worden trachea swabs genomen. Desondanks dat het virus wereldwijd aanwezig is, veroorzaakt alleen de hoogvirulente stam APMV-1 acute en letale Newcastle disease.

Nipah/Henipavirus

Een door vleermuizen en soms ook varkens overgedragen zoönotisch virus met een zeer hoog sterftecijfer (40-75%). In Noordoost-Afrika en Zuidoost-Azië zijn al talloze ziekte-uitbraken geweest. Het Nipah-virus behoort samen met het Hendra-virus tot het geslacht Henipavirus , dat ook ziekte-uitbraken heeft veroorzaakt. De meest waarschijnlijke oorsprong van dit virus was in 1947 en er zijn twee varianten, waarvan één met de oorsprong in 1995 en een tweede met zijn oorsprong in 1985. Het Nipah-virus is geïsoleerd uit Lyle’s vliegende vos ( Pteropus lylei ) in Cambodja [9] en viraal RNA gevonden in urine en speeksel van P. lylei en Horsfield’s rondbladige vleermuis ( Hipsideros larvatus ) in Thailand. [10] Ineffectieve vormen van het virus zijn ook geïsoleerd uit milieumonsters van vleermuizenurine en gedeeltelijk gegeten fruit in Maleisië. [11] Antilichamen tegen henipavirussen zijn ook gevonden bij fruitvleermuizen in Madagaskar ( Pteropus rufus , Eidolon dupreanum ) en Ghana ( Eidolon helvum ), wat wijst op een brede geografische verspreiding van de virussen. Sinds mei 2018 is er in Cambodja, Thailand of Afrika geen infectie van mensen of andere soorten waargenomen. In september 2023 meldde India minstens vijf infecties en twee sterfgevallen.

Symptomen: Koorts, hoofdpijn, spierpijn ( myalgie ), braken en/of keelpijn wat gevolgd kan worden door: duizeligheid, slaperigheid, veranderd bewustzijn, acute encefalitis, atypische longontsteking, ernstige ademhalingsproblemen en/of  aanvallen.
De eerste gevallen van Nipah-virusinfectie werden vastgesteld in 1998, toen een uitbraak van neurologische en ademhalingsziekten op varkenshouderijen op het schiereiland Maleisië 265 menselijke gevallen veroorzaakte, met 108 sterfgevallen.  Een miljoen varkens moesten worden geruimd. In Singapore deden zich elf gevallen voor, waaronder één sterfgeval, onder werknemers van het slachthuis die werden blootgesteld aan varkens die werden geïmporteerd van de getroffen Maleisische boerderijen. Het Nipah-virus is door de Centers for Disease Control and Prevention geclassificeerd als een categorie C-agens . “Nipah” verwijst naar de plaats Sungai Nipah (letterlijk ‘ nipah- rivier’) in Port Dickson , Negeri Sembilan , de bron van het menselijke geval waaruit het Nipah-virus voor het eerst werd geïsoleerd. Het Nipah-virus is een van de vele virussen die door de WHO zijn geïdentificeerd als een waarschijnlijke oorzaak van een toekomstige epidemie in een nieuw plan dat na de Ebola-epidemie is ontwikkeld voor dringend onderzoek en ontwikkeling vóór en tijdens een epidemie in de richting van nieuwe diagnostische tests, vaccins en geneesmiddelen. Symptomen van infectie als gevolg van de uitbraak in Maleisië waren voornamelijk encefalitisch bij mensen en respiratoir bij varkens. Latere uitbraken hebben bij mensen luchtwegaandoeningen veroorzaakt, waardoor de kans op overdracht van mens op mens groter is geworden en er aanwijzingen zijn voor het bestaan ​​van gevaarlijkere virusstammen. Tijdens de uitbraak van het Nipah-virus in 1999, die plaatsvond onder varkenshouders, waren de meeste menselijke infecties het gevolg van direct contact met zieke varkens en het onbeschermd omgaan met afscheidingen van de varkens. Aangenomen wordt dat de overdracht van het Nipah-virus van vliegende vossen op varkens te wijten is aan een toenemende overlap tussen vleermuishabitats en varkensstallen op het schiereiland Maleisië. Er zijn geen speciale medicijnen of vaccins beschikbaar voor de behandeling of preventie van Nipah-virusinfectie. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft het Nipah-virus aangemerkt als een prioritaire ziekte binnen de WHO Research and Development Blueprint. Van 12 tot 15 september 2023 meldde het Ministerie van Volksgezondheid en Gezinswelzijn, de regering van India, zes door laboratoriumonderzoek bevestigde gevallen van het Nipah-virus, waaronder twee sterfgevallen, in het district Kozhikode, Kerala. Afgezien van het eerste geval, waarvan de infectiebron onbekend is, waren de andere gevallen familie- en ziekenhuiscontacten van het eerste geval. Op 27 september 2023 waren 1288 contacten van de bevestigde gevallen getraceerd, waaronder contacten met een hoog risico en gezondheidswerkers, die 21 dagen onder quarantaine staan ​​en onder toezicht staan. Sinds 12 september zijn 387 monsters getest, waarvan zes gevallen positief waren voor een Nipah-virusinfectie en alle overige monsters negatief waren. Sinds 15 september zijn er geen nieuwe gevallen meer vastgesteld. Het is de zesde uitbraak van het Nipah-virus in India sinds 2001.

Orf

Orf is een huidziekte die je kunt krijgen na contact met schapen of geiten. Het begint met kleine knobbeltjes en die kunnen overgaan in met etter gevulde pijnlijke blaren. Vooral mensen die met deze dieren werken, lopen risico. Het is een besmettelijke huidziekte die ook wel bekend staat als de lammerkwaal ‘zere bekjes’.

Orf komt door een virus. Het wordt overgedragen van dieren op mensen. Vooral door schapen en geiten. Mensen kunnen orf krijgen door contact met besmette schapen of geiten, bijvoorbeeld als je de dieren voert, aait of verzorgt. Het virus kan ook via wol, vlees, stro of kleding komen. De kans om besmet te raken is het grootst als je een wondje hebt. Orf kan niet van mens op mens overgaan.

Orf begint met kleine roodblauwe knobbeltjes op de vingers, handen of onderarmen. Vervolgens ontstaan blaasjes. Deze blaasjes gaan na enkele dagen over in met etter gevulde blaren van 2 tot 3 centimeter doorsnede die gemakkelijk bloeden en bedekt zijn met dunne korsten. Rond de blaren zit een ring van rode vlekjes.

Vaak zorgt orf voor lokale drukpijn of jeuk. Soms ontstaat na drie tot vier dagen een lymfeklierzwelling, koorts en algehele malaise. Uiteindelijk veranderen de blaren in droge, dikke korsten. De huidafwijkingen verdwijnen na ongeveer zes weken zonder littekens achter te laten. In ernstige gevallen kan een tweede bacteriële infectie ontstaan en duren de ziekteverschijnselen maandenlang.

Orf komt vooral voor bij boeren, dierenartsen, slagers en mensen die schapen slachten. Ook bezoekers van lammetjesdagen kunnen besmet raken. Daarnaast lopen medewerkers van kinderboerderijen, herders, schapenscheerders en kinderen die helpen bij het verzorgen van schapen of geiten een risico. Draag beschermende kleding en handschoenen als je met schapen of geiten werkt. Was je handen goed met water en zeep na contact met de dieren. Trek kleding die je bij de dieren hebt gedragen daarna meteen uit en stop ze in de wasmachine. Eet of drink niet bij de dieren.

Het is niet precies bekend hoe vaak de ziekte voorkomt in Nederland. Veel mensen hebben milde klachten en gaan daarmee niet naar de huisarts. In het voorjaar, bij de geboorte van lammetjes zijn de meeste meldingen.

Papegaaienziekte

Papegaaienziekte is een infectieziekte door de bacterie Chlamydia psittaci, die kan leiden tot een longontsteking en griepachtige klachten zoals koorts, hoofdpijn en hoesten. Door het inademen van stofdeeltjes van opgedroogde mest en snot van besmette vogels en vervuilde vogelkooien kunnen mensen besmet raken. Bij het bladblazen of vegen van droge grond kun je besmette stofdeeltjes inademen die tussen de bladeren zitten. Een besmetting kan dan snel gaan. Ook bijvoorbeeld via duivenpoep, waarvan stof op een buitentafel ligt en je neemt dat af, dn kun je de besmette deeltjes ook inademen. Niet alleen door papegaaien, maar ook door parkieten, duiven en andere vogelsoorten wordt de bacterie verspreid en kan deze overgebracht worden op mensen. De besmetting moet behandeld worden met antibiotica om ernstige gevolgen te voorkomen. Volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is er niet één gemeenschappelijke specifieke bron vastgesteld voor de uitbraak, maar bleken wel veel patiënten contact met wilde vogels en hun uitwerpselen te hebben gehad in de vier weken voor de eerste ziektedag. Wanneer je na een bezoek aan een vogelmarkt griepachtige verschijnselen krijgt die maar niet over gaan, is het belangrijk om dit duidelijk te melden bij de huisarts. Door een uitbraak van de papegaaienziekte tussen november 2019 en maart 2020 zijn zeker 66 Nederlanders besmet geraakt. Dat zijn er veel meer dan de gemiddeld tien tot twintig zieken per jaar in de vijf jaar daarvoor. In maart 2024 worden er opnieuw in verschillende Europese landen gevallen van de papegaaienziekte gesignaleerds. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) spreekt van een duidelijke stijging sinds november 2023 waarbij in Nederland al 21 patiënten in het ziekenhuis moesten worden opgenomen, waarvan er een overleed. Ook Duitsland, Oostenrijk, Zweden en Denemarken zien de laatste maanden een toename en in Denemarken overleden al vier mensen.

Pest

Pest is een besmettelijke infectieziekte die wordt overgedragen door vlooien en wilde knaagdieren. Bij de pest kunnen zeer pijnlijke builen op de huid ontstaan. De ziekte heeft in het verleden tot massale sterfte onder de Europese bevolking geleid. De laatste gevallen van pest in Nederland waren aan het begin van de 20e eeuw. Pest is een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis. De ziekte is een zoönose wat inhoudt dat de bacterie wordt overgedragen van dieren naar mensen. Er bestaan drie typen pest: builenpest, longpest en septische infecties als gevolg van pest. De tijd van besmetting tot de eerste ziekteverschijnselen hangt af van het type pest en varieert van enkele dagen voor longpest tot ongeveer een week voor builenpest en septische infecties. Builenpest begint met koorts, hoofdpijn en koude rillingen, gevolgd door het ontstaan van zeer pijnlijke builen, met name in de liesstreek en de oksels. Zonder behandeling dringt de bacterie in ongeveer de helft van de gevallen door in de bloedbaan en veroorzaakt sepsis (bloedvergiftiging). Onbehandelde sepsis is vrijwel altijd dodelijk. Longpest is de minst voorkomende, maar meest gevaarlijke vorm van pest. Wanneer geen adequate behandeling wordt toegepast binnen 24 uur na de eerste ziekteverschijnselen, is de ziekte nagenoeg altijd dodelijk. De verschijnselen van longpest lijken op die van een ernstige longontsteking, waarbij de patiënt (bloederig) slijm ophoest en last heeft van pijn op de borst en kortademigheid. Ook kan misselijkheid en braken optreden. Besmette dieren of producten kunnen leiden tot een infectie. Bij longpest wordt de bacterie overgedragen via druppeltjes die vrijkomen tijdens hoesten, niezen en praten. Builenpest kan worden verspreid wanneer pus uit de builen terechtkomt in het lichaam van een gezond persoon. Patiënten met longpest zijn het meest besmettelijk wanneer er sprake is van (bloederige) hoest. Wanneer een patiënt wordt behandeld met antibiotica bedraagt de duur van de besmettelijke periode ongeveer 2 tot 3 dagen. Pest komt al lange tijd niet meer voor in Nederland, het laatste humane geval was in 1929. Wereldwijd komt de pest nog voor in een aantal landen waaronder Madagascar, Congo en Peru. Pestepidemieën ontstonden in het verleden met name wanneer de ziekte bij ratten voor massale sterfte zorgde en de geïnfecteerde vlooien gedwongen werden een andere gastheer te zoeken. Gedurende de periode 2000-2009 zijn in totaal 21.725 vermoedelijke gevallen van pest gemeld.

Q-koorts (QVS)

Q-koorts is een zoönose en een koortsvermoeidheidssyndroon dat wordt veroorzaakt door Coxiella burnetii, een bacterie die algemeen voorkomt in de omgeving waar zich schapen of geiten bevinden. De bacterie kan bij veel diersoorten voorkomen, maar veroorzaakt meestal geen problemen. Bij schapen en geiten kan de bacterie aanleiding geven voor abortus, waarbij grote hoeveelheden bacteriën in de omgeving terecht kunnen komen. Dit laatste kan ook bij normale geboortes het geval zijn. Omwille van het risico voor de volksgezondheid geldt er nog altijd een vaccinatieplicht voor bedrijven met meer dan 50 schapen of geiten die worden gehouden voor de bedrijfsmatige productie van melk en op bedrijven met een publieksfunctie. Sinds 2016 waren er geen bedrijven met schapen of geitenmeer geweest met een officiële besmetstatus, maar 16 april 2024 werd bij een melkschapenhouderij in het Gelderse Brakel met 128 dieren toch weer Q-koorts geconstateerd. De besmetting kwam aan het licht via het monitoringsprogramma van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), via een tankmelkmonster van het bedrijf. Op het bedrijf lopen 35 niet-gevaccineerde ooien rond, waarvan 25 recentelijk lammetjes hebben geworpen. De NVWA acht het waarschijnlijk dat in die groep dieren de Q-koortsbacterie rondgaat, omdat de bacterie tijdens een reguliere controle werd ontdekt in de tankmelk na de komst van de nieuwe nog ongevaccineerde lammetjes. Het bedrijf is geblokkeerd en er zijn extra monsters afgenomen die ook positief werden bevonden. Een deel is naar de slacht afgevoerd, maar een deel ook naar andere bedrijven. Op basis van dit beeld brengenwe de risico’s in beeld voor besmetting van de andere dieren op diebedrijven en of er risico’s voor de volksgezondheid bestaan. Ook wordt beoordeeld wat de risico’s voor de andere aanwezige dieren op hetbesmette bedrijf zijn. Uit onderzoek van het Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg (Nivel) blijkt dat wanneer mensen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenboerderij af wonen, zij gemiddeld een hogere kans hebben om een longontsteking te krijgen. Q-koorts is een sinds 1978 meldingsplichtige infectieziekte (zoönose) die kan worden overgedragen van dieren op mensen. Veel levensbedreigende infectieziekten zijn zoönosen, daar deze bacteriën, protozoa, virussen of wormen vaak zijn aangepast om in hun specifieke gastheer te overleven zonder al te veel schade aan te richten, maar deze bij andere gastheren een heftige immuunreactie oproepen.

Besmetting van mens op mens is alleen mogelijk via bloedtransfusie of bij de bevalling van een vrouw met acute of chronische Q-koorts. In het algemeen wordt daarom gezegd dat Q-koorts niet van mens op mens overdraagbaar is. Bij 4.000 onderzochte bedrijven bleken een of meerdere dieren antistoffen tegen de bacterie te dragen. Dit was het geval op 43% van de geitenhouderijen, 79% van de melkschapenbedrijven en 31% van de fokschapenbedrijven. Bedrijven die in Noord-Brabant of Limburg gevestigd zijn, lopen een groter risico en ook de bedrijfsgrootte speelt een rol. Q-koortspatiënten blijven jarenlang last houden van onder meer vermoeidheid en sommigen kunnen zelfs jaren na hun besmetting niet of maar beperkt naar hun werk of deelnemen aan de samenleving. Sinds 2007 zijn 50.000 tot 100.000 Nederlanders besmet geraakt. Volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu waren er 74 mensen aan de besmetting en de gevolgen er van overleden, maar het aantal mensen dat aan Q-koorts overleed, is met 20 personen naar boven bijgesteld.
In totaal lieten namelijk maar liefst 95 slachtoffers het leven. In twee jaar tijd zijn er officieel ruim 20 doden bijgekomen, maar in werkelijkheid ligt het aantal slachtoffers waarschijnlijk nog hoger. De nieuwe cijfers komen uit een update van de Nationale Chronische Q-koorts Database.Melkveehouders, dierenartsen en studenten diergeneeskunde hebben een verhoogd risico om besmet te raken met de Q-koortsbacterie C. burnetii. De Provincie Utrecht heeft 10 juli 2018 een geitenstop afgekondigd vanwege gezondheidsrisico’s nadat uit meerdere onderzoeken van het RIVM is gebleken dat omwonenden van geitenhouderijen in een straal van twee kilometer meer kans hebben op een longontsteking. Geitenhouderijen van meer dan tien geiten mogen tot die tijd niet verder uitbreiden. Ook het omzetten van bestaande agrarische bedrijven naar geitenhouderijen met meer dan tien geiten, is niet meer mogelijk. De Provinciale Staten gaan tot die tijd geen omgevingsvergunningen afgeven voor vestiging, uitbreiding of omschakeling naar geitenhouderijen met meer dan tien geiten. Dit verbod werd opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Sinds 2018 wordt er gesproken over de komst van een geitenhouderij aan de rand van Enkhuizen met 2.000 geiten in een stal aan de Elsenburg. De provincie Noord-Holland heeft sinds december 2018 feitelijk ook een geitenstop, maar omdat de vergunningaanvraag voor die tijd is ingediend, moesten de burgemeester en wethouders er alsnog een gedwongen besluit over nemen.

Bijna zeshonderd kwetsbare organisaties zoals kinderopvangcentra en verzorgingstehuizen liggen zo dicht bij een geitenhouderij dat het verhoogde gezondheidsrisico’s met zich meebrengt. Zo bleek uit een inventarisatie van het Financieele Dagblad (FD). De krent verzamelde in samenwerking met Company.info de bedrijfsregistraties van 368 geitenhouderijen en een lijst met gevoelige bestemmingen, zoals basisscholen, kinderopvang en zorginstellingen. Hieruit bleek dat 219 geitenboerderijen binnen een straal van één kilometer afstand tot een gevoelige bestemming liggen. Wonen mensen binnen één kilometer afstand van een geitenhouderij, dan neemt het risico op een longontsteking met 19 procent toe, schreef de Gezondheidsraad eerder deze maand in een advies. Daarnaast bleek dat nog eens 77 geitenhouderijen binnen een afstand van een halve kilometer op een gevoelige locatie liggen. Deze afstand maakt het risico op een longontsteking zelfs 73 procent hoger. Omwonenden van een geitenstal hebben vaker een longontsteking. Wie binnen een straal van 500 meter van een geitenhouderij woont, heeft 73 procent meer kans op een longontsteking dan andere Nederlanders. Mensen die binnen een kilometer van een geitenstal wonen, hebben 19 procent meer kans op een longontsteking. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) publiceerde eerder al een onderzoek met vergelijkbare conclusies. Toch wordt de mest uitgereden tot dichtbij woningen en sportvelden. Van de 1.650 ziektegevallen per 100.000 mensen zijn er ruim tweehonderd binnen een straal van een kilometer van dergelijke stallen. Dat is ruim zeven procent meer ziektegevallen. Nieuwe geitenbedrijven komen er in Gemert-Bakel er niet bij en bestaande mogen niet meer uitbreiden. De gemeente neemt in de herziening van het bestemmingsplan de regels van de provincie Noord-Brabant op, die zijn toegespitst op de geitenhouderij. Een landelijke ‘geitenstop’ lijkt een stap dichterbij na een debat in de Tweede Kamer. Ook de VVD wil een stop op uitbreiding, verplaatsing of nieuwbouw van geitenhouderijen in Nederland.

In Bodegraven Reeuwijk Zuid-Holland zijn half november 2017 drie leden uit een gezin besmet geraakt. Peter de Groot (61), woonachtig aan de Blaaksedijk-Oost in Heinenoord, nabij de Mijnsheerenlandse geitenhouderij werd in september getroffen. De Q-koorts zorgde bij hem voor wekenlange koorts, vermoeidheid en hoesten. Onderzoekers konden geen oorzaak vinden en het onderzoek naar de herkomst is gestopt. Uit voorzorg heeft de eigenaar van het vleesschapenbedrijf, waar de Q-koortsbacterie is gevonden, de schapen vrijwillig laten vaccineren. GGD en huisartsen zijn extra alert op verschijnselen van Q-koorts. In een buitengebied, in een wijk tegen de Biesbosch aan woont de zeven jarige Emma van de Pluijm. In de omgeving zijn veel boeren met schapen, koeien en geiten. Alhoewel Q-koorts bij kinderen zelden voor komt werd Esmma toch besmet. Er zijn slechts dertien minderjarigen bij wie de diagnose Q-koorts officieel is vastgesteld. Aan de Q koorts hield Emma hetverwante Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS) over te hebben gehouden waardoor ze vooral ’s avonds nog dagelijks spierpijn heeft en vaak moe is. De afgelopen tien jaar overleden er in ons land 74 mensen aan Q koorts. In 2007 was er in Nederland een massale uitbraak van Q-koorts onder geiten rond het dorp Herpen in Noord Brabant, waarbij ruim vierduizend mensen ziek werden en 74 van hen overleden. Volgens de officiële cijfers hebben tussen de 1200 en 2400 mensen QVS en zijn er minstens 700 à 800 mensen met chronische Q-koorts. De Staat was naar het oordeel van de Rechtbank in Den Haag niet aansprakelijk voor de schade van Q-koorts-patiënten. 297 mensen spanden een civiele rechtszaak aan en verloren deze in de eerste instantie. Uiteindelijk besloot de Staat tot een schikking en maakte 15,5 miljoen euro vrij. 1 miljoen euro hiervan gaat op aan ‘uitvoeringskosten’ van de regeling en 14,5 miljoen euro wordt verdeeld onder de slachtoffers. Tot de mensen die geld kunnen krijgen horen: mensen met chronische Q-koorts, mensen met het Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS) en mensen met ‘een op QVS gelijkend ziektebeeld’. De besmetting moet hebben plaatsgevonden tussen 1 januari 2007 en 31 december 2011 en de diagnose moet vóór 1 oktober 2018 gesteld zijn. Iedere patiënt kan aanspraak maken op maximaal 15.000 euro. In totaal heeft de minister 15,5 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de patiënten. Ook nabestaanden van patiënten die inmiddels zijn overleden mits zij kunnen aantonen dat de overledene aan Q-koorts heeft geleden. Patiënten kunnen vanaf 1 oktober een aanvraag indienen. Aan de hand van de beoordeling wordt bepaald hoeveel geld er per individueel geval wordt uitgekeerd. De overheid neemt tot 31 januari 2019 de tijd om alle aanvragen te behandelen. De Tweede Kamer sprak zich in maart 2018 al uit voor een vergoeding voor patiënten. In 2008 waren er 1000 meldingen en in 2009 waren er 2.368 meldingen. Van de 4190 bekende Q-koorts meldingen bij het RIVM in de jaren 2007-2013 is 30% buiten Brabant. Ruim tweeduizend anderen die werden besmet en hebben nog steeds klachten als hartklep ontstekingen, ernstige vaatafwijkingen en/of chronische vermoeidheid. In totaal raakten tussen de 50.000 en 100.000 mensen in Nederland besmet met Q-koorts. Daarnaast wordt de Stichting Q-support nog drie jaar gefinancierd met in totaal 3,5 miljoen euro. Meer dan duizend mensen deden al een beroep op de stichting voor advies tot langdurige patiënte trajecten (632). Wat opviel was de complexiteit van de vraagstukken en de veelheid aan problemen waar patiënten zich voor gesteld zagen. Die beperkten zich niet tot hun gezondheid, maar deden zich voor op vrijwel alle leefgebieden: van werk en inkomen tot psychosociale problemen en juridische vraagstukken. Q-koorts is zeer besmettelijk en kan van met name kleine herkauwers zoals schapen en geiten via de adem worden overgedragen op mensen. Koeien, huisdieren, wild en vogels kunnen op grote schaal ongemerkt geïnfecteerd zijn en de bacterie uitscheiden in onder andere urine, feces, placentair weefsel en vruchtwater. Aangezien klachten en symptomen niet specifiek zijn, is het moeilijk om een diagnose te stellen zonder laboratoriumtest. De ‘Q’ verwijst naar ‘Query’, dat vraag of vraagteken betekent. Tot 1937 was de verwekker van de ziekte namelijk onbekend. Geïnfecteerde dieren vertonen meestal geen ziekteverschijnselen. Bij drachtige geiten en minder bij schapen kan laat in de dracht abortus optreden. Q-koorts wordt veroorzaakt door een pleomorfe coccobacil Coxiella burnetii met gramnegatieve celwand uit de orde Rickettsiales. Na overdracht vermenigvuldigt het micro-organisme zich in de longen en vervolgens vindt via het bloed verspreiding door het lichaam plaats. De daarop volgende systemische symptomen en klinische manifestaties zijn afhankelijk van de geïnhaleerde dosis en waarschijnlijk ook van de karakteristieken van de infecterende stam. De incubatieperiode varieert van 2 tot 48 dagen, met een gemiddelde periode van 14 tot 24 dagen. Een hogere dosis resulteert in een kortere incubatieperiode. De incubatietijd bij dieren is niet bekend. Q-koorts besmettingen worden opgelopen door het inademen van lucht waar de bacterie in zit. Vooral een maand na de lammerperiode (februari tot en met mei), maar soms ook nog daarna kunnen besmettingen optreden. Het vruchtwater en de moederkoek van besmette dieren bevatten grote hoeveelheden van deze bacteriën, maar kan ook in (rauwe) melk, mest en urine zitten. De bacterie wordt inactief door pasteurisatie of koken. De bacteriën nestelen zich niet in het vlees van de geit of het schaap. De bacterie kan maanden tot jaren in de omgeving overleven. Q koorts wordt niet van mens op mens overgedragen en komt vooral in het zuiden van Nederland regelmatig voor. In 2010 werden net zoals in 2008 en 2009 de meeste meldingen gedaan in de Brabant (176 meldingen) omdat daar veel geitenbedrijven zijn. In de periode 1 januari tot en met 31 december 2010 zijn in heel Nederland 505 ziektegevallen van Q-koorts gemeld. In 2010 gold voor een groot aantal geiten- en schapenbedrijven een vaccinatieplicht, waardoor het aantal ziektegevallen afnam. Meestal geneest acute Q-koorts spontaan na 1 à 2 weken. Er is maar zelden sprake van een dodelijke afloop. Zes maanden na de eerste verschijnselen is ongeveer de helft van de patiënten met klinische symptomen klachtenvrij. Veel patiënten beschrijven na de acute episode echter nog een periode van postinfectieuze vermoeidheid. Dit gaat in een groot deel van de gevallen binnen 6 maanden over en na een jaar is 76% klachtenvrij. Dit is een ander ziektebeeld dan bij een chronische Q-koortsinfectie die zich ontwikkelt bij 1-3% van de patiënten na een acute Qkoortsinfectie. Chronische Q-koorts kan zich ook ontwikkelen na een asymptomatische infectie. Q-koorts komt vooral voor bij veehouders, dierenartsen, laboratoriummedewerkers die werken met geïnfecteerde dieren of weefselkweken, veehandelaren en medewerkers in dierentuinen, kinderboerderijen en dierenwinkels. Werknemers kunnen worden blootgesteld door contact met besmette materialen, zoals stof, grond, huid van dieren, wol, bont en ongepasteuriseerde melkproducten. Dit betreft bijvoorbeeld medewerkers in een abattoir, in de vleesverwerkende industrie en de wolbewerkingsindustrie. Verschillende uitbraken hebben uitgewezen dat verspreiding plaats kan vinden via kleding, hooi, stro, verontreinigde schoenen en bouwmaterialen. Het is niet uitgesloten is dat Q-koorts ook via besmet bloed kan worden overgedragen. Sinds 2009 is verplichte vaccinatie ingevoerd voor geiten en schapen in getroffen gebieden in Nederland. In 2010 is deze verplichte vaccinatie uitgebreid over heel Nederland en naar bedrijven met een publieksfunctie. Tevens is een hygiëneprotocol ingevoerd voor alle melkgeiten- en melkschapenbedrijven met meer dan 50 dieren. Alle veehouders (dus ook hobbydierhouders, zorgboerderijen en bedrijven met minder dan 50 melkgeiten en -schapen) zijn verplicht afwijkende abortusaantallen te melden.

Het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU), het Radboud umc, en het Jeroen Bosch ziekenhuis houden een eigen database bij. Deze ziekenhuizen hebben vastgesteld dat 74 patiënten zeker of waarschijnlijk aan Q-koorts zijn overleden.

Q koorts is niet altijd te herkennen en meer dan de helft van de besmette mensen krijgen geen klachten of hebben slechts een griepachtig ziektebeeld. Bij klinisch manifeste gevallen is er een acuut begin met heftige hoofdpijn en hoge, vaak remitterende koorts (temperatuur schommelend tussen 38.5 en 40.5ºC). Verder komen koude rillingen, spierpijn, anorexie, misselijkheid, braken, diarree en relatieve bradycardie regelmatig voor. In zeldzame gevallen komen in het acute stadium ook neurologische afwijkingen voor, zoals meningitis, meningo-encephalitis, verwardheid, extrapiramidale stoornissen, dementie en multiple hersenzenuwafwijkingen. Bij een ernstige besmetting begint de ziekte in korte tijd met heftige hoofdpijn, hoge koorts en een longontsteking met droge hoest en pijn op de borst en kan de bacterie een leverontsteking veroorzaken. Mannen hebben vaker last van Q-koorts dan vrouwen en ook mensen die roken zijn een risicogroep. De ziekteverschijnselen openbaren zich gemiddeld 2 à 3 tot 6 weken na de besmetting en leiden soms tot een chronische infectie van de luchtwegen of een ontsteking aan het hart. Chronische Q-koorts komt vooral voor bij patiënten met een afweerstoornis en bij hartpatiënten. Bij zwangere vrouwen kan een eerder doorgemaakte Q-koortsinfectie tot chronische Q-koorts leiden. Mensen die zwanger of hartpatiënt zijn of die een afweerstoornis hebben moeten direct contact met melkgeiten en melkschapen vermijden, want er is alleen een vaccin voor dieren beschikbaar en niet voor mensen. De gevolgen van Q-koorts zijn wel te behandelen met antibiotica mits deze tijdig wordt gesignaleerd. Een algemene behandeling van patiënten met chronische Q-koorts ontbreekt. Het algemene beleid is dat een combinatie van twee middelen wordt aanbevolen, waaronder ten minste toediening van doxycycline.(18 maanden tot 4 jaar). Alternatieve behandeling is een combinatie van doxycycline en een chinolon-antibioticum of rifampicine of trimethoprim-sulfamethoxazol gedurende ten minste 2 jaar. Verder zijn ook succesvolle behandelingen met tetracycline, chloramphenicol en lincomycine bekend. Naast antibiotische behandeling kan chirurgie (hartklepoperatie, vaatreconstructie) noodzakelijk zijn. Een eenmalige extra controle een jaar na acute Q-koorts is nodig om een eventuele chronische infectie op te sporen. (98%). Wanneer een patiënt met acute Q-koorts al bekend is met risicofactoren voor een chronische infectie (hartklep- of vaataandoening), dan moeten in het eerste jaar al meerdere controles van de antistoffen plaats vinden. >Uit een promotieonderzoek van Jeroen van Leuken van het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en het IRAS (Institute for Risk Assessment Science) van de Universiteit Utrecht blijkt dat met behulp van een meteorologisch rekenmodel tot op straatniveau in kaart kan worden gebracht welke mensen en bedrijven een risico lopen om besmet te raken met Q-koorts. Hierbij wordt gekeken naar de bron van de Q-koortsbesmetting (zoals een besmette boerderij) en hoe de bacterie zich verspreidt in de omgeving. Dit rekenmodel maakt het mogelijk om enkele dagen vooruit te voorspellen hoe de Q-koortsinfectie zich zal verspreiden, waardoor huisartsen en dierenartsen risicovolle gebieden nauwkeurig in de gaten kunnen houden en patiënten sneller kunnen onderkennen en behandelen. In Uruguay was er in 1956 een uitbraak onder het personeel van een vleesfabriek waarvan 814 van de 1358 klinisch verdachte patiënten besmet bleken. Een andere grote uitbraak vond plaats in Zwitserland in 1987. Deze uitbraak werd duidelijk drie weken nadat ongeveer 900 schapen naar de vallei waren afgedaald. De epidemie bereikte alle plaatsen die langs deze route lagen. In totaal ontwikkelde 21,1% van de populatie in deze dorpen Q-koorts gedurende deze periode. In Duitsland raakten 229 mensen geïnfecteerd door een besmet schaap dat net gelammerd had op een veemarkt. Er zijn tussen 1 en de 32 meldingen per jaar met een gemiddelde van 17 patiënten per jaar. De enorme toename heeft geleid tot steeds verder gaande veterinaire maatregelen om het risico op besmetting van de bacterie C. burnetii van geiten naar mensen te voorkomen. Veterinaire vaccinatie was tot 2010 beperkt beschikbaar. In december 2009 werd gestart met het op grote schaal ruimen van drachtige geiten op met Q-koorts besmette bedrijven. De infectiebestrijding werd in 2011 aangepast maar het gevaar is nog niet geweken. De Brabantse oud GGD-arts Jos van de Sande leverde een grote bijdrage aan de bestrijding van de Q-koorts en richtte samen met de Provinciale Raad Volksgezondheid het kenniscentrum zoönosen op. Nadat in 2007 en 2008 in vooral Oost-Brabant verschillende uitbraken werden vastgesteld en honderden mensen zich met vage griep- en vermoeidheidsklachten zich bij hun huisarts meldden is er begin maart 2009 plotseling ook een besmetting op een geitenhouderij in Ransdaal. Ron Grooten, notabene een LLTB sub-vakgroepvoorzitter die zelf geiten hield op zijn melkgeitenbedrijf annex zorgboerderij Nuje Caris aan de Karstraat in Ransdaal liet verstandelijk en lichamelijk gehandicapten via de stichting Radar doorwerken terwijl zijn boerderij met ruim duizend geiten op stal besmet was. Grooten verzweeg drie weken lang de uitbraak van Q-koorts. Ook de GGD werd door hem niet geïnformeerd. Medewerkers moesten van hem de besmetting verzwijgen ondanks de gevaren die het opleverde voor henzelf en de bezoekers, waaronder een schoolklas van de Catharinaschool in Heerlen met gehandicapte leerlingen op 18 maart. De begeleiders werden ziek en 4 van de 24 leerlingen en een aantal begeleiders werden tijdens het bezoek besmet met de Q-koorts. 90 procent van de medewerkers van de zorgboerderij werd besmet en 40 procent van hen kreeg daadwerkelijk klachten. Toen op 24 maart de boerderij uiteindelijk toch officieel besmet werd verklaard en geruimd werd, liet zorginstelling Radar medewerkers doorwerken, waarna er opnieuw verschillende medewerkers en bezoekers ziek werden. Een zwangere medewerker die besmet raakte kreeg een miskraam en een scholier werd zo aangetast dat hij nieuwe hartkleppen kreeg, die vervolgens ook werden aangetast door de Q-koortsbacterie. 26 oktober 2013 moesten zijn ouders na steeds aanhoudende eplieptieaanvallen moeten besluiten tot euthanasie. Na de geconstateerde besmetting melden honderden omwonenden en mensen die in het gebied hebben gefietst of gewandeld zich week na week met klachten bij hun huisarts en de GGD. De GGD hield op haar beurt ook de precieze locatie van de besmettingshaard nog eens bijna twee maanden geheim. Wanneer een journalist van de Limburger in mei 2009 aan Christian Hoebe van de GGD vraagt om welke boerderij het gaat, weigert deze dat te zeggen. Dat werd zo bepaald door het ministeries van Landbouw en Volksgezondheid die moest kiezen tussen economische belangen van de boeren of de gezondheid van burgers. Na de ruiming eind 2009 verhuisde Ron Grooten naar Klimmen en begon aan de Putweg opnieuw een zorgboerderij met dagbesteding. Uit onderzoek blijkt dat het aantal volwassen melkgeiten ondanks de stop met vijftig procent is gestegen tot meer dan 110.000. Het aantal melkgeiten is in Nederland is in 2020 opnieuw met 4% toegenomen. Het zijn er dit jaar 476.000. In de afgelopen twee decennia steeg het aantal melkgeiten vrijwel onafgebroken. Alleen in 2010 was er een daling van 10 procent van het aantal melkgeiten. Dat kwam door de ruimingen in verband met Q-koorts. In de andere jaren steeg het aantal melkgeiten wel. >Bedrijven in de melkgeitensector worden gemiddeld ook steeds groter. In 2000 had de gemiddelde melkgeitenhouderij nog 117 geiten, inmiddels zijn dat er 837. Er zijn in totaal 569 bedrijven met melkgeiten. De meeste melkgeiten worden gehouden in Noord-Brabant en Gelderland, waar 40 procent van de bedrijven met melkgeiten is gevestigd en ruim de helft van het aantal melkgeiten in ons land wordt gehouden. Ede is de melkgeitenhoofdstad van Nederland, daar zijn er maar liefst 16.500 te vinden. In de 2e Kamer gaan stemmen op voor een algehele geitenstop. Q-koorts patiënten wachten nog altijd op erkenning van de gevolgen van hun besmettingen de Nationale ombudsman vraagt nu voor een derde keer aandacht voor deze groep patiënten. Het is nu 15 jaar na de grote uitbraak, maar nog dagelijks ervaren patiënten ernstige gevolgen. Q-koortspatiënten willen excuses van de overheid en erkenning en herkenning van hun klachten. Dit blijkt uit het onderzoek “Leven met Q-koorts” van de Nationale ombudsman.

Het extra risico op een longontsteking is groter wanneer mensen binnen 2000 meter van een geitenhouderij wonen. In de stallen van geitenhouderijen zijn bacteriën gevonden die deze longontstekingen mogelijk verklaren.Uit VGO(Livestock farming and the health of local residents)-I en -II bleek dat mensen die wonen in Noord-Brabant of -Limburg in gebieden met veel veehouderijen minder last hebben van astma en allergie. Maar dat longontstekingen in deze gebieden wel vaker voorkomen. Vooral bij mensen die in de buurt van een geitenhouderij wonen. VGO-III onderzocht of dit tussen 2014 en 2019 ook zo was. Het onderzoeksgebied is daarvoor eenmalig uitgebreid met gebieden in de provincies Utrecht, Gelderland en Overijssel. 

VGO-III deed ook onderzoek naar de oorzaak van deze longontstekingen. Dit gebeurde in verschillende deelonderzoeken:

    • In de wetenschappelijke literatuur onderzocht VGO-III welke ziekteverwekkers bij geiten voorkomen en bij mensen longontsteking kunnen veroorzaken. 
    • Daarna keken verschillende deelonderzoeken bij patiënten, omwonenden en geitenhouders welke ziekteverwekkers zij bij zich droegen.
    • In de stallen van geitenbedrijven namen onderzoekers verschillende monsters om te kijken of daar ziekteverwekkers aanwezig zijn. Ook onderzochten zij de buitenlucht bij woningen rond geitenstallen.
    • Tot slot keek VGO-III of de ziekteverwekkers uit de stallucht ook in de andere deelonderzoeken waren gevonden. En wat de mogelijke bron is van de ziekteverwekkers in de stallucht.
Bij een recent nieuw regionaal bevolkingsonderzoek zijn 55 mensen in beeld gekomen die nog steeds kampen met chronische Q-koorts-klachten, ongeveer vijftien jaar na dato. Sinds de koorts zich verspreidde stierven er meer dan 100 mensen en tussen de 50.000 en 100.000 mensen werden ziek. Bij ongeveer 600 mensen werd vastgesteld dat ze chronische Q-koorts hebben. Naar schatting lopen nog 400 tot 1600 mensen rond bij wie die diagnose nog niet is gesteld. Meer dan de helft van de mensen met de infectieziekte heeft geen klachten. ongeveer 2 procent van de mensen die ooit besmet is geraakt ontwikkelt chronische Q-koorts. Daarbij is er vaak sprake van een ontsteking aan de hartkleppen of een bloedvat. Het nieuwe onderzoek is de afgelopen jaren uitgevoerd met hulp van huisartsenpraktijken in de buurt van geitenboerderijen die tijdens de Q-koortsepidemie besmet waren geraakt. De kans is groot dat er nog meer mensen zijn die kampen met chronische Q-koorts-klachten, omdat maar de helft van de geselecteerde huisartsen meewerkte aan het bevolkingsonderzoek. De huisartsen die wel meededen hebben bijna 10.000 patiënten uitgenodigd om mee te doen aan het bevolkingsonderzoek; bijna 50 procent gaf gehoor aan de oproep. De onderzoekers denken daarom dat er nog tussen de 400 en 1600 mensen zonder chronische Q-koorts-diagnose rondlopen. De ziekte wordt vaak niet of pas heel laat ontdekt. De onderzoekers vinden dat er bij huisartsen en inwoners onvoldoende kennis is over chronische Q-koorts. Ze hebben daarom voorlichtingsmateriaal ontwikkeld over de ziekte en geld vrijgemaakt voor bloedonderzoek om Q-koorts op te sporen.

De overheid faalt volgens de Nationale Ombudsman in de zorg voor de slachtoffers die chronisch ziek zijn geworden nadat zij Q-koorts kregen. Ombudsman Reinier van Zutphen schreef er al drie rapporten over.  In 2012 en 2017 en 2024 verschenen er rapporten waaruit al bleek dat Q-koortspatiënten niet de zorg en ondersteuning krijgen die noodzakelijk was. Opeenvolgende kabinetten negeerden de aanbevelingen om ruimhartiger te zijn als het gaat om uitkeringen en financiering van huishoudelijke hulp. De ombudsman heeft nu besloten voor de laatste en 3e keer in een rapport aandacht te vragen voor Q-koortspatiënten, om vergetelheid van deze groep te voorkomen.
Net zoals bij bijvoorbeeld Long Covid ziekte kunnen patiënten niet of nauwelijks meer werken. Wetenschappers van het Rotterdamse Erasmus MC onderzochten voor een gepubliceerd onderzoek 431 QVS-patiënten. Slechts de helft heeft nog betaald werk. Gemiddeld stoppen mensen acht jaar na de Q-koortsbesmetting volledig met werken. De ombudsman constateert dat het syndroom in de praktijk vaak niet wordt erkend als ernstige en chronische ziekte. Tot 2021 konden QVS-patiënten een eenmalige compensatie van 15.000 euro krijgen. Maar de blijvende problemen werden daar niet mee opgelost. Zo blijkt uitkeringsinstantie UWV zeer terughoudend in het toekennen van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Gemeenten bieden lang niet altijd de ondersteuning waar patiënten volgens de ombudsman recht op hebben. Ook is de medische expertise op het gebied van post-acute infectieuze ziekten als QVS, long covid en ME in Nederland niet op orde.

Vijftien jaar na de epidemie is de gezondheid van chronische patiënten aanzienlijk verslechterd. Zowel fysiek als mentaal. Dat laatste komt nadrukkelijk door stress veroorzaakt door de juridische strijd die patiënten vaak met overheidsinstanties moeten leveren voor compensatie.

De ombudsman stelt dat de overheid een “bijzondere verantwoordelijkheid” heeft jegens Q-koortspatiënten. Want burgers werden tijdens de epidemie niet voldoende en tijdig geïnformeerd over de risico’s, terwijl het jaren duurde voor besmette dieren werden geruimd. Het steekt veel slachtoffers dat de regering tot nu toe geen excuses heeft gemaakt.

Wetenschappers in binnen- en buitenland hebben aangetoond dat Q koorts patiënten een zogeheten inspanningsintolerantie hebben. Dit betekent dat zij bij inspanningen hun lichaam op celniveau afbreken. Dat resulteert in concentratieverlies, migraine en de afbraak van spieren tot het punt dat mensen bedlegerig kunnen worden.

De Gezondheidsraad bracht in 2018 een advies uit om de achterhaalde richtlijnen aan te passen op basis van de laatste wetenschappelijk inzichten. De beroepsverenigingen van verzekeringsartsen en medisch adviseurs weigerden de werkwijze aan te passen. In het rapport roept de ombudsman in het bijzonder de ministers van Volksgezondheid en Medische Zorg op om welgemeende excuses aan Q-koortspatiënten te maken. “Zorg ervoor dat je ook weet of deze zijn aangekomen.”

Ook moet er blijvend een aanspreekpunt komen waar slachtoffers terecht kunnen voor goede begeleiding. Daarnaast moet de regering toezien op bewustwording van de gevolgen van Q-koorts bij gemeenten, het UWV en zorgverzekeraars. En moet er ruimhartig worden omgegaan met aanvragen voor uitkeringen.

Demissionair minister Dijkstra vindt het heel belangrijk dat er bij het onderzoek naar post-covid ook de Q-koortspatiënten worden betrokken. Ze erkent dat mensen met Q-koorts ernstig getroffen zijn en ze vindt dat verzekeringsartsen goed moeten kijken wat precies de oorzaak is van de klachten. Een nieuwe ambassadeur Dortmans die voorheen werkte als topambtenaar op verschillende ministeries miet het probleem tackelen. Tijdens de epidemie was zij griffier van de Tweede Kamercommissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Later was zij zes jaar wethouder in Helmond. “Ik ben dus zeer bekend met de gevolgen van Q-koorts in Brabant”, zegt ze. Echte macht om instanties als het UWV maatregelen op te leggen heeft ze niet, dus het blijft een doekje voor het jarenlange bloeden.

Hondsdolheid
Woensdag 28 september 2021 was het de Internationale Dag tegen Hondsdolheid. Dit jaar vond deze internationale dag plaats onder het thema “Sensibiliseer. Vaccineer. Elimineer.” Wereldwijd komt hondsdolheid in zo’n 150 landen voor. Nederlandse alarmcentrales krijgen vrijwel dagelijks meldingen van infecties binnen. Rabiës, of hondsdolheid, lijkt bezig aan een opmars in Nederland. Er zijn nu al op 424 meldingen dit jaar. Vorig jaar zaten we in dezelfde periode tegen 300 meldingen aan.Gemiddeld komen er jaarlijks 80.000 honden vanuit het buitenland onze grens over, via illegale hondenhandel of als meegenomen zwerfdier. Deze dieren komen veelal uit gebieden waar hondsdolheid voorkomt. De illegale puppyhandel vergroot het risico voor mensen in Nederland om hondsdolheid te krijgen. De puppy’s uit met name Oost-Europa, (Polen Oekraïne) worden vaak niet of te vroeg ingeënt. Jaarlijks worden zo’n 50.000 puppy’s en honden illegaal Nederland binnengesmokkeld. Officieel moeten jonge honden, katten en fretten vanaf 29 december 2014 bij binnenkomst in Nederland verplicht gevaccineerd zijnRabiës of lyssa, beter bekend als hondsdolheid, is een virusinfectie van het centraal zenuwcentrum in de hersenen. Het rabiësvirus is het typesoort van het genus Lyssavirus. Wanneer het virus zich in een spier- of zenuwcel bevindt, begint het virus zich te vermenigvuldigen. Het virus wordt verspreid door speeksel van besmette zoogdieren als honden, katten, apen of vleermuizen of wasberen. Dit jaar kreeg alarmcentrale SOS International 136 meldingen binnen van mogelijke besmettingen, waarvan 73 keer in de vakantie maanden juli en augustus. In 106 gevallen was de definitieve diagnose hondsdolheid. Voor de zomermaanden is dat ongeveer een verdubbeling ten opzichte van vorig jaar. In 2013 waren er slechts 21 meldingen waarvan 5 in juli en augustus. In 16 van die gevallen was de definitieve diagnose toen ook echt hondsdolheid. Sindsdien neemt het aantal meldingen en diagnoses van rabiës elk jaar flink toe.Wereldwijd sterven er 55.000 mensen per jaar aan een besmetting met het rabiësvirus. Tegen een rabiës infectie bestaan geen medicijnen. Ook bestaat er geen test om bij leven vast te stellen of een dier rabiës heeft. Het virus kan alleen worden vastgesteld door laboratoriumonderzoek van de hersenen. Daarvoor moet het dier worden gedood. De afgelopen 40 jaar zijn er in Nederland 5 dodelijke gevallen van rabiës geweest. Allen werden in het buitenland besmet. Met rabiës besmette dieren dragen het virus bij zich zonder er vaak zelf zichtbaar last van te hebben.Het virus wordt overgebracht door een beet, krab of lik van een besmet dier. Via wondjes in de huid of de slijmvliezen (ogen, mond) dringt het virus het lichaam binnen. Er is na de besmetting een incubatietijd waarvan de lengte afhangt van de plaats waar men gebeten wordt: hoe verder van de hersenen, hoe langer de incubatietijd. Beten in het gezicht hebben de kortste incubatietijd. Eenmaal in het zenuwstelsel zal het virus hondsdolheid veroorzaken en is geen genezing meer mogelijk. Afhankelijk van hoe dicht bij de hersenen de beet of wond zich bevindt, kan het weken tot vele maanden duren voordat de verschijnselen zich openbaren.Hondsdolheid komt vooral voor in Afrika, Azië en Zuid-Amerika. In de VS wordt de ziekte ook wel overgebracht door beten van wasberen. In Nederland is in 2007 en 2013 één geval van menselijke hondsdolheid geregistreerd. Circa 10 miljoen mensen worden per jaar wereldwijd na een beet profylactisch behandeld. In Nederland wordt een minder besmettelijke variant van het rabiësvirus regelmatig gedetecteerd in vleermuizen, hoewel dit nooit tot besmetting bij mensen heeft geleid. In Nederland zijn tussen 1988 en 2010 twee gevallen van fatale rabiës bekend bij mensen die daarvoor in Afrika waren gebeten door respectievelijk een hond en een vleermuis. Op 26 juni 2013 werd bekend dat een 52-jarige man rabiës had opgelopen na een beet in zijn arm in mei in Haïti. De laatste gevallen van rabiësoverdracht door dieren op mensen in Nederland dateren van 1962. De laatste rabiësuitbraak onder dieren dateert uit 1988. Sindsdien heeft er in Nederland geen overdracht van het klassieke rabiësvirus onder dieren meer plaatsgevonden. House of Animals heeft acht maanden lang onderzoek gedaan naar een malafide hondenhandelaar in het Brabantse Diessen. “Ook daar zagen wij dat een deel van de puppy’s geen antistoffen in het lichaam hadden. Ze zijn waarschijnlijk veel te jong naar Nederland gehaald. Rabiës wordt veroorzaakt door een infectie met het rabiësvirus via speeksel door een beet, krab of lik van een geïnfecteerde hond, vleermuis, vos of kat. Infectie is in veel gevallen dodelijk. Menselijke slachtoffers zijn in theorie besmettelijk maar besmetting van artsen of verplegend personeel komt eigenlijk in de praktijk niet voor. Ook kan men in theorie door een beet of een kus besmet raken. Het ziekteverloop bestaat uit verschillende stadia. In de beginfase treden rillingen, koorts, zere keel, malaise, gebrek aan eetlust, misselijkheid, braken en hoofdpijn op. De plaats van de wond kan jeuken en pijnlijk zijn. Symptomen zijn dan prikkelbaarheid, verhoogde spierspanning en overgevoeligheid voor fel licht en harde geluiden. Het zien van water en pogingen te drinken kan krampen uitlokken van de slikspieren en de ademhalingsspieren die zo onaangenaam zijn dat de patiënt angst krijgt voor water. Soms overlijdt de patiënt al tijdens zo’n krampaanval. Door het verlammen van de kaakspieren zal het slachtoffer gaan kwijlen. In de tweede (neurologische) fase doen zich hyperactiviteit, nekstijfheid, stuiptrekkingen en verlamming voor .In deze fase veroorzaken spiegelende voorwerpen, zoals glas en water heftige krampen. Uiteindelijk raakt de patiënt in coma en overlijdt. De tijd tussen besmetting en eerste ziekteverschijnselen is afhankelijk van een aantal factoren zoals de plek van de beet of kras en de hoeveelheid virus dat het lichaam binnenkomt. Na een beet kan een preventieve behandeling voorkomen dat het virus in het zenuwstelsel terecht komt. De eerste verschijnselen treden meestal 20 tot 60 dagen na besmetting op.Vaccinatie wordt voornamelijk gegeven aan risicogroepen. Direct behandelen van de wond is essentieel. De wond moet worden schoongemaakt met water en zeep en ontsmet worden met betadine of alcohol en liefst binnen 24 uur moet er antiserum worden toegediend in een serie van vijf vaccinaties om de twee dagen. Bovendien moet u antibiotica en mogelijk een tetanusvaccinatie krijgen. Eenmaal vooraf gevaccineerd is er geen antiserum en zijn er minder vaccinaties. Elk jaar krijgen 15 miljoen mensen een rabiës vaccinatie na een beet. In december 2015 ontwikkelde de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Wereldorganisatie voor Diergezondheid (OIE) in samenwerking met de Voedsel – en Landbouworganisatie (FAO) en de Global Alliance for Rabies Control een globaal actieplan uit om hondsdolheid tegen 2030 de wereld uit te helpen. In Zuid-Afrika, Tanzania en de Filippijnen, waar testprojecten van de WHO en de Bill and Melinda Gates Foundation plaats vonden toonden projecten aan dat een combinatie van honden vaccinatie, verbeterde toegang tot menselijk vaccins en sensibilisering een sterke daling in het aantal rabiësgevallen teweeg brengt. Vele landen in Latijns-Amerika zijn de laatste jaren rabiësvrij verklaard. Ook in Zuidoost Azië doet de WHO inspanningen om een einde te maken aan hondsdolheid. In de drie jaar sinds de lancering van een rabiësprogramma in Bangladesh, daalde het aantal besmettingen met maar liefst 50%.

In Zuid-Afrika zijn zeehonden positief getest op hondsdolheid. De situatie langs de kustlijn wordt beschreven als ’s werelds eerste significante uitbraak van de ziekte bij zeezoogdieren. Veranderingen in hun gedrag werden voor het eerst gemeld in 2021, met berichten over zeehonden die mensen aanvielen. Eind juni 2024 stuurde het National Institute for Communicable Diseases (NICD) een waarschuwing uit om het publiek bewust te maken van het aanhoudende risico op hondsdolheid langs de kust van de West-Kaap. Dat was nadat een Kaapse pelsrob positief testte op hondsdolheid. De Kaapse pelsrob stierf op 22 mei en de laboratoriumresultaten kwamen op 7 juni binnen. Het NICD zegt dat iedereen die door een zeehond is gebeten, wordt aangespoord onmiddellijk medische hulp te zoeken en de relevante autoriteiten op de hoogte te stellen. “Na de recente bevestiging van hondsdolheid bij Kaapse pelsrobben langs de kust van de West-Kaap worden bewoners en reizigers dringend verzocht voorzichtig te zijn bij een bezoek aan onze kustlijn. Opgeslagen monsters die Sea Search sinds 2021 van zeehonden heeft verzameld (de organisatie heeft de afgelopen tweeënhalf jaar 120 hersenen bemonsterd en bewaard) worden momenteel getest om het tijdschema en de omvang van de uitbraak te bepalen. Het Veterinair Onderzoek Onderstepoort van de Agricultural Research Council heeft positieve gevallen van hondsdolheid bevestigd bij zeehonden uit Melkbosstrand (oktober 2023), Plettenbergbaai (januari 2024) en Die Dam bij Gansbaai (juni 2024). Bovendien hebben onderzoekers van de Universiteit van Pretoria hondsdolheid ontdekt bij zeehonden uit Fish Hoek (oktober 2023), Pringle Bay (februari 2024), Strand (mei 2024) en Muizenberg (mei 2024). Dit benadrukt het potentieel voor gevallen van hondsdolheid langs de hele kustlijn waar zeehonden aanwezig zijn.

Ringworm

Ringworm is een infectie van de huid. Mensen en dieren krijgen het door een schimmel. Ringworm herkent u aan ringvormige plekjes op de huid. Iedereen kan het krijgen, maar vooral bij jonge kinderen komt ringworm regelmatig voor.  Op de huid komen dan ronde plekken met schilfers voor van ongeveer één centimeter groot. Er zit een donkere ring aan de buitenkant van de plek. De ring om de plek is iets dikker en roder en kan gaan schilferen. Soms zitten er pukkeltjes op. De plekken worden langzaam twee keer zo groot en kunnen jeuken., dikker worden en er kan vocht uitkomen.
De plekken kunnen overal op het lichaam voorkomen, ook op de hoofdhuid onder het haar. Als de schimmel op het hoofd zit, breken de haren af. Er komt een kale plek. Als de plekken op het hoofd niet behandeld worden, kunnen ze kaal blijven. Na een tijd wordt de plek in het midden wat lichter gekleurd en geneest deze. De plekken gaan vaak vanzelf weer weg, maar dat kan lang duren.
Bij mensen met een verminderde afweer kan de schimmel vaak dieper in de huid doordringen. Dat kan een ernstige en pijnlijke huidontsteking geven.

Ook dieren kunnen ringworm hebben. Vooral jonge dieren hebben er last van. Bij dieren zien de plekken er verschillend uit, de meeste plekken zijn rood en rond, hebben een duidelijke rand en vaak zijn er ook grauwe schubjes of korsten en is er haaruitval op de plek van de schimmel. Runderen en paarden hebben meestal geen jeuk. Honden en katten wel.

Mensen en dieren kunnen elkaar besmetten met ringworm. De schimmel zit op de huid, haren en huidschilfers van een mens of dier met ringworm. Veel mensen en dieren zijn zonder klachten drager van de schimmel. Zij kunnen ringworm overdragen zonder het te weten.

De schimmel kan vooral goed doordringen in een natte, weke of beschadigde huid. Dit kan ook via de omgeving. Bijvoorbeeld via kleding, paardendekens, zadels of een hondenmand. Nadat de schimmel de huid is binnengedrongen, duurt het gemiddeld twee tot drie weken voordat ringworm te zien is. Ringworm is moeilijk te voorkomen. 

  • Ga naar de huisarts(externe link) of dierenarts voor een behandeling met zalf of pillen;
  • Draag alleen uw eigen kleren, pet, muts of hoofddoek;
  • Gebruik alleen uw eigen kam en andere spullen voor het haar. Leer dit ook aan uw kinderen;
  • Maak kammen, haarborstels en tondeuse na gebruik goed schoon, het liefst met 70% alcohol;
  • Neem tafels, stoelleuningen en vloeren af met een natte doek. Maak ze daarna droog;
  • Was verkleedkleren en knuffels op 60 graden
  • Laat kinderen geen verkleedkleren aantrekken totdat bij iedereen de klachten over zijn;
  • Was uw handen regelmatig met water en zeep, ook na het aanraken van dieren;
  • Zet, wanneer mogelijk, dieren met ringworm in isolatie;
  • Gebruik materialen als borstels en dekens niet voor meerdere dieren.

Verder is het belangrijk om op het volgende te letten:

Krijgt uw huisdier kale plekken in de vacht, of krabt het zich veel? Ga dan met uw dier naar de dierenarts. De dierenarts kan kijken of het dier een schimmelinfectie heeft. Het huisdier kan dan behandeld worden.
Krijgt iemand anders in het gezin ook klachten? Ga dan naar de huisarts.

Ringworm is goed te behandelen met zalf of pillen. De huisarts schrijft deze voor. Maak de kuur helemaal af, ook al zijn de klachten al over. Als je zalf gebruikt, blijf dan smeren tot een week nadat er niets meer te zien is op de huid. Bij een te korte behandeling kan de schimmel overleven en kun je opnieuw klachten krijgen.

Ringworm is de meest voorkomende zoönose die niet via voedsel overgedragen wordt. Ringworm komt wereldwijd voor. Jonge kinderen met intensief contact met een hond of kat kunnen makkelijk besmet raken.

Verder wordt de schimmelinfectie veel gezien bij veehouders en veeartsen. Ongeveer de helft daarvan zegt wel één of meerdere keren een schimmelplek gehad te hebben. De aandoening komt veel voor in de tropen, vooral daar waar mensen en dieren dicht op elkaar wonen. Krijgt je kind een behandeling met zalf of pillen via de huisarts, dan kan het gewoon naar de kinderopvang of school. Ringworm is al besmettelijk voordat iemand klachten krijgt. Thuisblijven helpt niet om te voorkomen dat anderen het krijgen.

Vertel het wel aan de pedagogisch medewerker of leerkracht. Zij kunnen in overleg met de GGD andere ouders informeren. Ouders kunnen dan letten op klachten van ringworm bij hun kind. Soms zijn extra maatregelen op school of kinderopvang nodig. Wordt een volwassene voor ringworm behandeld? Dan mag die persoon gewoon werken.

Rondworm / Trichinellose

Trichinellose bij mensen wordt veroorzaakt door de larven van Trichinella, een rondworm van vele diersoorten, inclusief de mens. Er zijn elf Trichinella soorten beschreven, waarvan T. spiralis de meest bekende is, die vooral voorkomt bij het varken.

De worm (van enkele millimeters lang) leeft slechts een paar weken in de dunne darm van de gastheer. Daar paren mannelijke en vrouwelijke wormen. De vrouwtjes zijn levendbarend. De larven die geboren worden, gaan op trektocht door het lichaam. In het lichaam nestelen ze zich uiteindelijk ergens in de spieren (spiertrichinen), met een voorkeur voor de middenrifspier, tongspier, kauwspier, oogspier en de spieren van rug en lendenen. Daar vormt zich bij de meeste Trichinella soorten een kapsel om de larve, die daarna jarenlang kan overleven. Wanneer een volgende gastheer besmet vlees op eet, zullen er uit de ingekapselde larven weer wormen groeien in de dunne darm en begint de cyclus van voren af aan.
Er zijn twee cycli van Trichinella overdracht, één waarin besmette wilde dieren elkaar besmetten en één waarin landbouwhuisdieren besmet raken. De mens kan via beide wegen besmet raken door het eten van onvoldoende verhit vlees. Varkensvlees, paardenvlees en wild zwijn zijn mogelijke bronnen van besmetting. Varkens eten alles en kunnen daardoor gemakkelijk een besmet (knaag)dier binnen krijgen.
Het risico van Trichinella-infecties is één van de redenen waarom varkens geen restaurantafval mogen eten: ze zouden zo besmet vlees kunnen eten en zelf besmettelijk worden voor de mens. Paarden zijn weliswaar geen vleeseters maar blijkbaar krijgen ze toch wel eens het kadaver van een besmette muis of ander klein dier binnen.
In Nederland is het risico op besmetting via deze vleessoorten minimaal, omdat de meeste varkens geen kans lopen om besmet te raken door de wijze van huisvesting (de meeste varkens zitten binnen, in stallen waar geen ongedierte komt) en omdat ieder van deze dieren getest wordt op het slachthuis. Het eten van meer exotische wildsoorten, of wild dat niet gekeurd is, vormt echter wel een risico wanneer het vlees onvoldoende verhit is.

Preventie is Europees geregeld, waarbij iedere EU lidstaat moet voldoen aan de Europese regelgeving. Dit betekent dat op landelijke schaal dieren worden onderzocht en gekeurd via de vleeskeuring op het slachthuis. Hierbij wordt al het varkensvlees en al het geïmporteerde paardenvlees gecontroleerd op de afwezigheid van spiertrichinen. Wilde zwijnen worden voor consumptie gecontroleerd op een Trichinella-besmetting indien ze via de groothandel worden verhandeld.
Daarnaast gaan bij langdurig invriezen (langer dan tien dagen) bij –20 graden Celsius alle in Nederland levende trichinen dood. Verhitting zorgt ook voor het doden van de spierlarven. Al het vlees is veilig zolang het maar goed verhit wordt. Gerookte – en rauwe produkten zoals rauwe hammen en salamiworsten zijn wel een mogelijke bron van Trichinella, indien het vlees niet is gecontroleerd.

Trichinella komt wereldwijd voor. In West- Europa komt Trichinella eigenlijk niet meer voor bij varkens, die binnen worden gehuisvest. Sinds 1926 is de Nederlandse varkensstapel vrij van Trichinella spiralis. Bij in het wild levende dieren (wilde zwijnen, vossen) komt nog wel trichinellose voor. Weliswaar zijn dat in het algemeen andere Trichinella-soorten, maar ook die zijn in meer of mindere mate besmettelijk voor de mens. Zolang er Trichinella voorkomt bij het wild in Nederland blijft zorgvuldige controle noodzakelijk, zeker nu er de laatste jaren meer varkens worden gehouden in biologische- of scharrelvarkenshouderijen waar de dieren naar buiten kunnen. Theoretisch zouden deze varkens zich dan kunnen besmetten door het eten van kleine wilde dieren die de Trichinella larven bij zich dragen (ratten, muizen ed.).
De gevallen van humane infectie met Trichinella in Nederland zijn tot op heden allemaal opgelopen in het buitenland. In andere Europese landen (Frankrijk, Italië en Turkije) zijn Trichinella uitbraken beschreven door consumptie van besmet wild zwijn, varkens- of paardenvlees. In Frankrijk ontstond bijvoorbeeld een uitbraak van trichinellose onder ruim 500 mensen door één besmet paardenkarkas. Ook (ijs)berenvlees en walvissenvlees (Siberië, Canada) zorgde recent voor uitbraken van trichinellose. Varkens worden veelal besmet door het eten van geïnfecteerde ratten of door het eten van vleesresten (maar dat is verboden in Nederland). De infectie verloopt bij varkens zonder symptomen.

Wanneer mensen besmet vlees met infectieuze larven binnen krijgen, ontwikkelen de larven zich in de dunne darm van de mens tot worm. De irritatie die het binnendringen van de wormen in het darmslijmvlies veroorzaakt zorgt voor misselijkheid, braken en diarree. Tijdens de trektocht die de larven maken om vanuit de darm naar de spieren te gaan, komen er allerlei irriterende en allergene stoffen vrij in het bloed. Dit kan zorgen voor het ontstaan van kleine puntbloedinkjes onder de nagels en aan de binnenzijde van de oogleden. Daarnaast ontstaan er ontstekingen op de plaatsen waar de larven zich inkapselen in een cyste. Dit leidt tot verschijnselen als koorts, oedeem, hoofdpijn, vergrote en pijnlijke lymfknopen, huiduitslag, bronchitis en verzwakte, erg pijnlijke spieren.
De periode tussen de besmetting en het optreden van verschijnselen is gemiddeld ongeveer tien dagen, maar varieert enorm, van één tot 40 dagen, afhankelijk van de hoeveelheid larven die men binnen gekregen heeft. Afhankelijk van de hoeveelheid larven variëren ook de symptomen. De ziekte kan goed ongemerkt voorbij gaan, of verward worden met andere ziektes of een griepje. Soms overlijdt de patiënt door uitputting, longontsteking of hartproblemen vier tot acht weken na de besmetting. Het sterftepercentage varieert van 0 tot 35 procent van de besmettingen, maar is in het algemeen minder dan 1 procent. Na jaren (soms pas na 5 jaar) kan verkalking optreden van de cystewand en afsterving van de larven. Zo kan de mens ook een chronische vorm van trichinellose overhouden, die gepaard gaat met spierpijn.

Runderpest

Runderpest (Engels: rinderpest) is meldingplichtige en zeer ernstige virusziekte bij herkauwers. Besmetting treedt op door direct contact of intensief indirect contact tussen zieke en vatbare dieren. Wageningen Bioveterinary Research (WBVR) verricht diagnostiek voor deze ziekte. Sinds 2011 was de hele wereld officieel vrijverklaard van runderpest maar nu steekt het virus toch de kop weer op onder schapen en geiten in Centraal-Griekenland. De ziekte is het land binnengekomen met de import van schapen en geiten uit Roemenië. Naar verluidt zijn er vanuit dezelfde leverancier ook dieren in andere EU-landen terechtgekomen. 24 juli 2024 arriveerden dierenartsen en experts van de EU in Griekenland om plaatselijke dierenartsen te ondersteunen om grip te krijgen op deze besmettelijke herkauwersziekte. Inmiddels zijn slachthuizen gesloten en zijn tientallen dieren geruimd. De EU-experts zijn extra alert, omdat de dieren afkomstig zijn uit Roemenië, dat ook lid is van de Europese Unie. Eerst werd gedacht dat de dieren uit Turkije kwamen. De Roemeense leverancier zou ook schapen en geiten naar bedrijven in andere EU-landen hebben verkocht. Het eerste geval van runderpest werd op 11 juli ontdekt in de Griekse regio Thessalië, een gebied dat vorig jaar zwaar werd getroffen door overstromingen. Het wassende water nam ook veel kuddes schapen en geiten mee. Het runderpestvirus kan alleen worden overgebracht via direct contact of intensief indirect contact van zieke dieren met dieren die vatbaar zijn voor het runderpestvirus. Het runderpestvirus zit met name in uitvloeiingen uit de neus en ogen van zieke dieren, maar ook in de mest van zieke dieren kan het runderpestvirus voorkomen. De incubatieperiode van de runderpest varieert van 3 tot 15 dagen. Er zijn twee varianten van runderpest, de klassieke en de snelle variant. Deze varianten hebben een verschillend ziektebeeld. De klassieke vorm van de runderpest doorloopt de volgende fasen na de incubatie: koorts en slechte opname van voedsel, ontstoken slijmvliezen, met als gevolg kwijlen en neusuitvloeiingen, maag-darmproblemen met als gevolg zware diarree, het dier sterft binnen 8 tot 10 dagen. De snelle vorm heeft een veel korter ziekteverloop. Bij deze variant krijgt het dier hoge koorts en sterft binnen afzienbare tijd.

Runder TBC

In het Belgische Meeuwen-Gruitrode werd begin november 2015 voor het laatst runder tbc geconstateerd. In de Belgische provincie Limburg werd 11 september op een bedrijf in Neerpelt ook al een besmetting met rundertuberculose vastgesteld. Het bedrijf stond in contact met het bedrijf waar de tbc op 30 juli werd vastgesteld.Opnieuw moest er epidemiologisch onderzoek en een staltuberculinatie plaats vinden. Dit betekent dat runderen van de omliggende bedrijven de stallen niet mochten verlaten, tenzij met een vrijgeleide van de Provinciale Controle-eenheid. In België zijn sinds 30 juli 2015 167 boerderijen in quarantaine vanwege een uitbraak van rundertuberculose waarbij 63 runderen besmet bleken. Alle boerderijen zijn in contact geweest met het besmette melkveebedrijf in Meeuwen, in de Belgische provincie Limburg waar alle dieren inclusief de honden moesten worden geruimd. Het besmette bedrijf ligt 20 km van de Nederlandse grens bij Weert.

De boerderijen liggen behalve in de provincie Limburg ook in Antwerpen en Luik. Nederlandse bedrijven zijn volgens de Limburgse Land- en Tuinbouwbond (LTTB) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) nog niet besmet. België was al tien jaar redelijk tuberculosevrij. Rundertuberculose (runder-tbc) wordt meestal pas in een laat stadium opgemerkt. De meeste besmettingen verlopen zelfs zonder zichtbare klinische symptomen. De ziekte uit zich door hoesten, vermagering en verminderde melkproductie. Het aantal besmettingen binnen een kudde hangt af van de aanwezigheid van open tbc. Naast runderen kunnen ook andere zoogdiersoorten zoals varkens, honden, paarden en wilde dieren (vooral dassen) besmet worden.

De rundertuberculose wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium bovis die via de luchtwegen of via de bek wordt opgenomen. De bacterie is verwant aan de Mycobacterium tuberculosis, die verantwoordelijk is voor tuberculose bij mensen. Van de ongeveer 2000 gevallen per jaar van tbc bij mensen, wordt slechts een heel klein percentage veroorzaakt door Mycobacterium bovis. Het overgrote deel van de mensen die tuberculose krijgen wordt ziek van de Mycobacterium tuberculosis.

Wanneer de bacterie in de lymfeklier belandt dan kunnen door het ontstekingsproces (tuberkel), uitzaaiingen ontstaan naar een of meerdere andere organen voor al naar de longen, waar een tuberkel, knobbel wordt gevormd. Van daaruit zijn uitzaaiingen naar meer organen mogelijk. De verschijnselen die optreden, verschillen al naar gelang de organen die zijn aangetast. Bij runderen zijn dat vooral de longen en de uier. Als een open verbinding ontstaat van zo’n tuberkel met de buitenwereld is er sprake van open tuberculose. Andere vormen zijn pareltuberculose (aantasting borstvlies en/of buikvlies), uiertuberculose en niertuberculose. >In de eerste fase van de infectie blijft de bacterie nog binnen het rund (gesloten tbc) maar in de tweede fase breekt de tuberkel open en wordt de bacterie verspreidt via hoesten, via urine of melk en is het open tbc. Rundertuberculose is vooral bij open tbc besmettelijk. >Nederland heeft in 1999 de officiële tbc-vrije status gekregen die wordt gecontroleerd door runderen bij het slachten te testen. Tuberculinatie is een snelle test die een goede indicatie geeft, maar voor een definitieve diagnose is het noodzakelijk sectie te doen met aansluitend bacteriologisch onderzoek. Ook wordt koemelk gepasteuriseerd om risico’s van besmetting via melk uit te sluiten. De tbc-vrije status komt officieel in gevaar indien per jaar meer dan 0.1% van een bedrijf een besmetting heeft. Rundertuberculose is besmettelijk voor mensen door bijvoorbeeld het drinken van rauwe melk. In Nederland komt de ziekte sinds de jaren 50 en 60 niet meer voor. 2 juli 2008 werd kortstondig ook in Nederland rundertuberculose geconstateerd. De besmetting kwam van een bedrijf in Engeland die runderen exporteerde naar zes verschillende Nederlandse bedrijven. 21 bedrijven die contact hadden met de besmette kalveren werden in quarantaine gezet. Op de zes bedrijven werden in totaal 32 dieren positief getest en 60 werden verdacht. De bedrijven werden succesvol geruimd. Eind 2012 werden in een Nederlands slachthuis ook twee gevallen van rundertuberculose vastgesteld. De bewuste runderen waren afkomstig uit België uit een bedrijf in de provincie Luik. Dat bedrijf werd meteen na de ontdekking geruimd. In april 2013 werd in het Verenigd Koninkrijk een kwart meer koeien geslacht als gevolg van runder tbc. Het ging om ruim 3.000 runderen. Ondanks het nieuwe vaccinatieprogramma in Wales had de ziekte zich verder verspreid. Tussen 2008 en 2012 lag het aantal gedwongen slachtingen door de ziekte op 186.664. In 2013 werden 32.620 dieren verplicht geslacht vanwege tbc, in 2012 was dat nog 37.734. Frankrijk In november 2014 was er een uitbraak in het Franse departement de Loire waar 275 vleeskoeien moesten worden geruimd. De tbc kwam aan het licht in slachthuis war bleek dat de bron een kudde Charolais runderen was uit de plaats Saint-Galmier. Dertig bedrijven met duizenden runderen moesten worden onderzocht. De gedupeerde veehouder kreeg een schadevergoeding van 100.000 euro De Europese Unie trekt dit jaar 62 miljoen euro uit voor de bestrijding van runder tbc. >Behalve runder tbc heeft anno 2019 maar liefst 90 procent van de sector ook last van ander ziekmakende bacteriën. 80 procent van de rundveehouderijen hebben dieren die besmet zijn met de darmbacterie campylobacter bacterie. maar ook de STEC (25%)en de ESBL bacterie (15%)komt voor en bij 4% van de bedrijven is er salmonella gevonden. Ook de veehouders zelf blijken soms besmet, bij 2% van hen kwam campylobacter voor en zelfs de STEC bacterie werd aangetroffen.
Salmonella

De Salmonella-bacterie leeft van nature in de darmen van veel verschillende dieren. Vooral pluimvee (zoals kippen en kalkoenen), varkens en runderen dragen de bacterie bij zich. Vaak merk je niks aan de dieren zelf; ze zijn kerngezond maar wel drager. Daarnaast zijn ook reptielen en amfibieën (zoals schildpadden, hagedissen en kikkers) beruchte verspreiders.

Je krijgt Salmonella bijna nooit rechtstreeks van een hoestend of niezend dier. De besmetting verloopt via de zogenaamde ‘feco-orale route’. Dit betekent simpelweg dat onzichtbare spoortjes ontlasting van het dier in onze mond terechtkomen. Dit gebeurt meestal op twee manieren:

  • Via voedsel (voedselinfectie): Het eten van rauwe of onvoldoende verhitte dierlijke producten, zoals kip, eieren, gehakt of rauwe melk. Ook kan er in de keuken ‘kruisbesmetting’ ontstaan als je rauwe kip snijdt en daarna met hetzelfde mes de sla snijdt.
  • Via direct contact: Het aaien of verzorgen van dieren (bijvoorbeeld op de kinderboerderij of thuis in het terrarium) waarna je je handen niet goed wast voor het eten.

Als mens kun je na een besmetting de ziekte Salmonellose ontwikkelen. Dit is een acute en heftige darminfectie. Binnen 6 tot 72 uur na de besmetting kun je last krijgen van:

  • Heftige buikkrampen en maagpijn
  • Waterige (en soms bloederige) diarree
  • Misselijkheid en braken
  • Koorts en hoofdpijn

Deze klachten beginnen vaak tussen de 12 en 96 uur na het eten van besmet voedsel. Meestal gaan deze klachten na drie tot zeven dagen vanzelf voorbij.

Maar voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen, ouderen, zwangere vrouwen en mensen met een zwakke weerstand kan de uitdroging door de diarree gevaarlijk zijn. Deze zoönose kun makkelijk buiten de deur houden met een goede hygiëne:

  • Bak kip, vlees en eieren altijd door en door gaar (Salmonella overleeft hitte niet);
  • Was je handen grondig met zeep na contact met dieren of het verschonen van een dierenverblijf;
  • Gebruik aparte snijplanken voor rauw vlees en groenten.
  • Ook aan de buitenkant van een ei kan salmonella zitten. Was daarom je handen wanneer je eieren hebt aangeraakt

Soms hebben mensen die besmet zijn met salmonella ook last van:

  • hoofdpijn
  • koorts
  • spierpijn
  • gewrichtspijn

In het bijzonder is de bacterie dus vooral gevaarlijk voor:

  • kinderen jonger dan 5 jaar
  • mensen ouder dan 65 jaar
  • mensen met problemen met hun bloedvaten
  • mensen met kanker
  • mensen die geen goede afweer tegen ziektes hebben

Bij mensen die verzwakt zijn, bijvoorbeeld door een andere ziekte, kan de besmetting uitbreiden naar de bloedbaan. Dat kan zorgen voor ernstige klachten, zoals bloedvergiftiging, hersenvliesontsteking of urineweginfecties. De kans hierop is heel klein. Minder dan 5% van de mensen met een salmonellabesmetting krijgt zulke ernstige klachten.

Meestal is een besmetting met de salmonellabacterie niet gevaarlijk voor zwangeren. Soms kan er een infectie in de baarmoeder ontstaan. Dit gebeurt bijna nooit. Een infectie in de baarmoeder kan ernstige gevolgen hebben voor de baby, zoals:

  • ernstige besmetting bij de pasgeboren baby
  • een miskraam
  • overlijden van de baby

Veel dieren kunnen drager zijn van salmonella, bijvoorbeeld kippen, varkens en koeien. Daar worden zij meestal niet ziek van. Wel kunnen ze de bacterie aan hun omgeving doorgeven en zo mensen ziek maken. De bacterie zit ook in het vlees, de melk en/of op de eieren van het besmette dier. Mensen die deze producten eten, krijgen de bacterie binnen en kunnen daar ziek van worden. Dat gebeurt vooral wanneer mensen rauw vlees of rauwe eieren eten. Of wanneer ze deze producten bij het koken niet goed genoeg verhitten. Wanneer besmette producten dicht bij andere producten worden bewaard, kunnen die producten ook besmet raken. Zo kan de bacterie bijvoorbeeld ook op groenten of fruit zitten. De kans dat mensen elkaar besmetten is klein.

Goede hygiëne is heel belangrijk om besmetting met salmonella te voorkomen. Vooral in de keuken:

De klachten die u krijgt door een salmonellabesmetting gaan vanzelf over. Wanneer u besmet bent, is het belangrijk dat u genoeg drinkt en suiker en zout binnenkrijgt.

Dit voorkomt uitdroging. Drink vooral veel thee, water, bouillon, of een suikerzoutoplossing (oral dehydration salts of ORS. Dit kunt u kopen bij de drogist)
Zit er bloed in de diarree, heeft u hoge koorts of is de diarree na een week niet minder geworden? Neem dan contact op met de huisarts.

In Nederland krijgen ongeveer 41.000 mensen per jaar een plotselinge maag-darminfectie door salmonella. Van deze mensen gaan er ongeveer zesduizend naar de huisarts vanwege deze klachten, en duizend naar het ziekenhuis. 
Wanneer u naar een tropische en subtropische land reist waar Buiktyfus en paratyfus voorkomt dan kun je zelfs buiktyfus of paratyfus oplopen. De klachten van buiktyfus en paratyfus zijn vaak ernstiger dan bij Nederlandse salmonellabesmettingen. De eerste klachten zijn hoge koorts, verminderde eetlust, hoofdpijn, lusteloosheid en buikpijn. Deze klachten beginnen ongeveer acht tot veertien dagen na besmetting. Mensen met buiktyfus hebben vaak last van verstopping van de darmen. Mensen met paratyfus hebben vaak diarree. Er bestaat een vaccin tegen buiktyfus. Dit wordt soms geadviseerd bij reizen naar (sub)tropische landen.

Schroefwormvlieg (Cochliomyia hominivorax) 

Hoewel de schroefwormvlieg niet direct besmettelijk is in de zin van een virus of bacterie die zich snel verspreidt tussen mensen, veroorzaken de larven (maden) van deze vlieg myiasis. Myiasis is een parasitaire infectie waarbij vliegenlarven levend of dood weefsel van een gastheer (in dit geval zowel dieren als mensen) binnendringen en zich daarin voeden. De overdracht van de schroefwormvlieg naar mensen gebeurt inderdaad via contact met besmette dieren of hun omgeving, zoals je beschreef bij het aaien van een dier. De vrouwelijke vlieg legt haar eitjes in wonden (of soms op slijmvliezen) van warmbloedige dieren, inclusief de mens. De maden die hieruit komen, boren zich in het weefsel en kunnen aanzienlijke schade aanrichten, wat ernstige gezondheidsproblemen kan veroorzaken. Hoewel het mechanisme van ‘besmetting’ verschilt van een typische virale of bacteriële ziekte, voldoet het aan de definitie van een zoönose omdat de ziekteverwekker (de larven van de vlieg) van dierlijke oorsprong is en mensen kan infecteren, wat leidt tot gezondheidsschade.

In de Verenigde Staten loopt een grootschalig project om miljarden schroefwormvliegen te kweken om deze daarna uit te zetten boven Texas en Mexico. Dit moet een plaag van vleesetende maden voorkomen. Een speciale ‘vliegenfabriek’ is in aanbouw en moet eind dit jaar operationeel zijn. De techniek, waarbij steriele vliegen worden gekweekt om de populatie wilde schroefwormvliegen te verkleinen, is niet nieuw en heeft zich al bewezen. In Panama werd jarenlang succesvol de verspreiding van deze vliegensoort ingedamd, en ook in de VS werd in de jaren 60 en 70 een plaag effectief bestreden met deze methode. Een gezond rund van 500 kilo kan binnen twee weken sterven, waarschuwt de voorzitter van de Amerikaanse dierenartsenorganisatie. De gekweekte vliegen zijn steriele schroefwormvliegen die per vliegtuig worden losgelaten boven risicogebieden. Door paring met steriele mannetjes leggen vrouwtjes eitjes die niet uitkomen, waardoor de populatie geleidelijk afneemt. De vliegen worden in de fabriek gesteriliseerd door bestraling. Hoewel de methode effectief is, waarschuwt een entomoloog van Texas A&M University voor risico’s: vruchtbare mannetjes, nodig voor de kweek, mogen niet ontsnappen. De schade van de schroefwormvlieg treft vooral boeren, met potentieel enorme economische gevolgen voor de veehouderij.

Schurft/Scabiës 

Scabiës (schurft) bij de mens werd al voor de jaartelling door Aristoteles beschreven. In 1634 verscheen het boek Insectorum Theatrum van Thomas Moffett, waarin één van de eerste beschrijvingen van de mijt staan. De scabiësmijt werd in 1687 in Italië beschreven en getekend. In grote delen van Europa, inclusief Frankrijk, was de methode van het met de naald de mijt extraheren nog niet bekend, evenmin van het aantonen van de mijt. 
Scabiës komt wereldwijd bij alle sociale klassen, rassen en leeftijden voor. Epidemieën komen voor tijdens oorlogen, armoede, slechte hygiëne, overbevolking en seksuele promiscuïteit. 

Scabiës (schurft) wordt veroorzaakt door de Sarcoptes scabiei (schurftmijt; orde: Acarina, familie: Acaridae). De ziekte komt voor bij de mens en een groot aantal diersoorten. Gewone scabiës is niet erg besmettelijk: over het algemeen is minimaal 15 minuten lichamelijk contact nodig. Patiënten met gewone scabiës zijn 12 uur na de start van een behandeling met bijvoorbeeld Permetrine Proleha niet meer besmettelijk, dat is na de hygiënische maatregelen én het douchen. Binnen een gezin of een woongemeenschap heeft een individuele behandeling weinig zin. Alle gezins- of woongemeenschap leden moeten gelijktijdig worden behandeld.
Er zijn meer dan 15 verschillende schurftvarianten. Schurft bij mensen wordt veroorzaakt door de Sarcoptes scabiei var hominis, die een ovaal, wit lichaam heeft met een platte onder- en bovenkant en 8 poten. De rug heeft borstels en stekels (denticuli) die helpen bij het graven van een gangetje in de opperhuid van de mens. Het vrouwtje wordt het meest gezien en is ongeveer 0,4 mm bij 0,3 mm groot. Het mannetje is kleiner: 0,2 bij 0,15 mm. Het gangetje wordt door het volwassen vrouwtje gegraven en bevindt zich tussen het stratum corneum (hoornlaag) en stratum granulosum (korrellaag) van de huid. Ze graaft met behulp van een secreet dat lysis (oplossing van celmateriaal) van de oppervlakkige cellen veroorzaakt. Het product daarvan vormt haar voedsel. Ze graaft 0,5 tot 5 mm per dag en een gangetje wordt maximaal 15 mm lang. In het gangetje vindt copulatie plaats, waarna het mannetje sterft. Gedurende de rest van haar 4 tot 6 weken durende leven legt zij 2-4 eitjes/dag (in totaal 40 tot 60 eitjes). Na 2 tot 7 dagen kruipt er een zespotige larve uit het ei die naar het huidoppervlak gaat en op de huid leeft. De larve maakt kleine gaatjes in haarfollikels of huidplooien om zich te voeden of te vervellen, waarna hij overgaat in de achtpotige nymfefase. Na enkele vervellingen ontwikkelt het mannetje zich in ongeveer 9-10 dagen en het vrouwtje in 12-15 dagen tot een geslachtsrijpe mijt. De mijten lopen in alle ontwikkelstadia over het menselijk lichaam behalve het vrouwtje in het legstadium (Hafner et al 2009).
Naast het ontstaan van de huidbeschadigingen door de gangetjes van de mijt zijn de belangrijkste symptomen jeuk en een ontstekingsreactie in de huid. De periode tussen het tot stand komen van de besmetting en het uitbreken van de eerste ziekteverschijnselen bedraagt meestal 2 tot 6 weken, maar bij een verminderde overgevoeligheidsreactie en verminderde immuun status kan dit tot maanden duren (Bouvresse 2010). (Gangbaar is om uit te gaan van een incubatietijd van maximaal 10 weken voor mensen die immuun gecompromitteerd zijn en in zorginstellingen). Bij een herbesmetting kan de jeuk al na 1 tot 4 dagen ontstaan, nog voordat er gangetjes zichtbaar zijn, omdat de overgevoeligheid dan al bestaat. Een van de belangrijkste symptomen van scabiës is nachtelijke jeuk. De jeuk is meestal ’s avonds/’s nachts in bed en bij warmte het ergst. Naast jeuk op de plekken waar de mijten zitten, is er een meer algemene jeukende uitslag die vaak verspreid over het hele lichaam voorkomt en die geen relatie heeft met de plaats of het aantal mijten. De jeuk neemt in de loop der dagen toe. Kenmerkend zijn de gangetjes die de mijt graaft op voorkeursplaatsen: tussen de vingers, zijkanten en plooien van de handpalm, buigzijde van de pols, strekzijde van de ellebogen, de mediale voetrand, enkel en wreef. Ze zien er uit als smalle, gekronkelde, iets verheven bruine laesies. Gangetjes zijn lang niet altijd te vinden omdat ze vaak dan al kapot gekrabd zijn. Mensen met overgevoeligheid en eczeem reageren vaak op scabiës met een verergering van het eczeem, wat de diagnose scabiës kan bemoeilijken. De mens is de belangrijkste gastheer voor de humane scabiësmijt. De dierlijke scabiës komt onder andere voor bij honden, vee, varkens, geiten en schapen. Een zoönotische infectie is zeldzaam (maar wel beschreven). Besmetting met de dierlijke scabiësmijt heeft vergeleken met de menselijke een andere verdeling van de huidafwijkingen (vooral op de delen die contact hebben met het dier). De aandoening gaat vanzelf over en er is geen behandeling nodig. Dierlijke mijten kunnen zich niet reproduceren in de menselijke huid. Ze kunnen wel voorbijgaande jeuk veroorzaken. Tot 1999 was er een aangifteplicht voor iedere patiënt met scabiës. Er werden jaarlijks 1000 tot 1300 patiënten gemeld. Sinds 2008 geldt er impliciet een meldingsplicht voor scabiës crustosa en scabiës in instellingen. In 2022 en begin 2023 zijn de besmettingen ernstiger en hardnekkiger dan ooit. Schurft kan resistent raken tegen permetrine en dan is er een inwendige behandeling nodig met Ivermectine Xiromed. Een kuur bestaat uit 2 x 5 pillen die met een tussentijd van een week dienen te worden ingenomen. Dus 15 mg per inname. Extra uitslag door eczeem moet eventueel aangepakt worden met Topicorte.

Toxocariasis

Toxocara-infecties (toxocariasis) van hond en kat vormen een potentieel risico voor de mens wanneer deze infectieuze toxocara-eitjes opneemt uit de omgeving. De larven uit deze eitjes komen vrij in de darm, migreren door het lichaam om zich uiteindelijk in te kapselen. Ze kunnen diverse ziektebeelden veroorzaken zoals het viscerale migranssyndroom, oculaire larva migrans of neurotoxocariasis. Mede door onbekendheid met toxocariasis bij artsen, wordt de infectie door de Centers of Disease Control and Prevention (CDC) in de Verenigde Staten gerekend tot 1 van de 5 ‘most neglected parasitic infections’.

Bij een patente infectie bevinden zich eiproducerende spoelwormen in de dunne darm van hond, vos (Toxocara canis) of kat (Tococara cati). In recent onderzoek was de prevalentie bij deze dieren in Nederland respectievelijk 4,6%, 61% en 7%. (1) De wormen scheiden dagelijks vele duizenden eitjes uit die in de omgeving terechtkomen via de ontlasting van de dieren. In gemiddeld 3 weken tot enkele maanden komen de eitjes (i.e. de larve in het eitje) in een infectieus stadium. De eitjes zijn in de grond zeer resistent tegen omgevingsinvloeden en kunnen tot waarschijnlijk enkele jaren infectieus blijven. Als de eitjes weer opgenomen worden door dieren komen in de maag en dunne darm de larven uit, die via de bloedbaan, lymfe of de buikholte en de lever naar de longen migreren. Hier worden ze opgehoest en komen na doorslikken terug in de darmen waar ze uitgroeien tot volwassen wormen (Figuur 1).

Geleidelijk ontwikkelen jonge dieren immuniteit (leeftijdsresistentie) en gaan de larven na opname in het dierenlijf over in een ruststadium en komen niet meer in de darmen terecht. Bij een drachtige gastheer worden deze ‘rustende’ larven weer geactiveerd en besmetten de pups in de baarmoeder, en na de geboorte, pups en kittens via de moedermelk. De eerste spoelwormeieren worden door pups al vanaf 2 tot 3 weken oud en door kittens vanaf 7 weken oud uitgescheiden. Naast directe besmetting uit de omgeving kunnen ook verschillende soorten zoogdieren en vogels de infectie overbrengen, als zogenoemde transportgastheer.

Na opname van een besmet prooidier vindt geen migratie plaats in het lichaam, maar ontwikkelen de larven zich direct in de darm tot volwassen wormen en beschermt eventueel aanwezige leeftijdsresistentie niet tegen ei-uitscheiding. (2)

Pups en kittens kunnen ernstig ziek worden door larven en volwassen wormen in de darm. Bij volwassen dieren worden zelden klachten gezien. Het is voornamelijk vanuit het oogpunt van de volksgezondheid dat infecties met volwassen wormen voorkomen/bestreden dienen te worden.

Toxoplasmose

Toxoplasmose is een infectieziekte die vaak voorkomt bij mensen en dieren. Het wordt veroorzaakt door de parasiet Toxoplasma gondii. Deze parasiet zit vooral in kattenpoep, grond waar katten op hebben gepoept en in rauw of niet goed doorbakken vlees. Vaak merken mensen niet dat zij toxoplasmose hebben. Dat komt doordat een toxoplasma-infectie bijna nooit klachten geeft. Soms zijn er milde klachten als vermoeidheid, lusteloosheid of koorts. Maar omdat deze klachten zo algemeen zijn, herkennen mensen ze niet als aanwijzing voor toxoplasmose.

Soms worden patiënten ernstiger ziek. Dit gebeurt vooral wanneer zij een slechte afweer hebben. Zij kunnen ernstige oogontstekingen, longontsteking en hersenvliesontsteking krijgen.

Er is ook een vorm van toxoplasmose die erg lijkt op de ziekte van Pfeiffer. Patiënten kunnen hierdoor vergrote lymfeknopen en spierpijn krijgen. Ook de milt en lever kunnen groter worden. Dat gaat vanzelf over. Deze vorm komt minder vaak voor. Vooral mensen met een slechte afweer kunnen erg ziek worden van toxoplasmose. Bijvoorbeeld mensen met hiv.

De meeste zwangeren met een toxoplasma-infectie hebben nog niet eerder toxoplasmose gehad. Meestal raken mensen namelijk pas voor het eerst besmet als zij tussen de 25 en 44 jaar oud zijn. Het lichaam heeft dan nog geen antistoffen aangemaakt tegen de parasiet. Er is dus nog geen afweer, en dat maakt een infectie extra gevaarlijk tijdens de zwangerschap.

Als u toxoplasmose heeft tijdens uw zwangerschap kan uw baby via u geïnfecteerd raken. Wanneer u vroeg in uw zwangerschap besmet raakt kunt u een miskraam krijgen of kan uw kind overlijden. De kans hierop is kleiner wanneer u later in de zwangerschap besmet raakt. Wel kan uw kind dan aangeboren afwijkingen krijgen aan bijvoorbeeld de ogen of zenuwen. Soms ontstaat een ernstige infectie en kan de baby voor, tijdens of kort na de geboorte overlijden.

Vermijd tijden de zwangerschap zoveel mogelijk het contact met mogelijk besmet voedsel of mogelijk besmette aarde. Bekijk voor meer informatie onze pagina over zwangerschap en infectieziekten.

Toxoplasmose wordt veroorzaakt door een parasiet die leeft in de darmen van katten. Vooral jonge katten kunnen deze parasiet bij zich dragen. De cysten (een soort eitjes) van de parasiet komen via de poep van de kat in de grond, op groente of in water terecht. Deze cysten kunnen heel lang overleven en zijn na 48 uur besmettelijk. Mensen en dieren kunnen besmet raken door:

  • contact met aarde of kattenpoep, bijvoorbeeld bij het tuinieren of het schoonmaken van de kattenbak; 
  • het eten van ongewassen groente of fruit, bijvoorbeeld uit eigen tuin;
  • het eten van rauw of niet goed doorbakken vlees van besmette dieren;
  • In zeldzame gevallen kunt u ook besmet raken door het drinken van rauwe melk van besmette dieren.

De tijd tussen besmet raken en ziek worden is meestal 5 tot 23 dagen.

De parasiet Toxoplasma komt in alle dieren voor. Katten en katachtigen zijn de enige dieren die de cysten van de parasiet verspreiden. Andere dieren dragen de parasiet bij zich zonder dat er cysten gevormd worden. Zij kunnen wel andere dieren besmetten wanneer zij opgegeten worden. In een besmette muis worden dus geen cysten gevormd. Maar als een kat deze muis opeet, raakt de kat ook besmet. De kat kan dan wél de cysten van de parasiet verspreiden. De meeste dieren worden niet ziek van een toxoplasma-infectie. Dat geldt ook voor katten. Soms kunnen jonge katjes wel diarree of hersenvlies-, lever- of longontsteking krijgen. Boerderijdieren, zoals schapen, kunnen een miskraam krijgen door toxoplasmose.

U kunt verschillende dingen doen om toxoplasmose te voorkomen:

  • Zorg dat vlees altijd goed gaar is voordat u het eet;
  • Voorkom dat katten kunnen komen op plaatsen waar kinderen vaak spelen. Doe bijvoorbeeld een deksel op de zandbak;
  • Was groenten en fruit (uit eigen tuin) altijd heel goed;
  • Draag handschoenen bij het tuinieren;
  • Maak de kattenbak iedere dag schoon;
  • Bent u zwanger? Laat dan iemand anders de kattenbak schoonmaken;
  • Was altijd goed uw handen na contact met aarde, zand, vuil of stro.


Werkt of woont u op een boerderij? Zorg dan voor goede hygiëne bij de geboorte of een miskraam van kalfjes, lammetjes of geitjes. Draag beschermende kleding en raak uw gezicht niet aan met uw handen. Laat bezoekers op afstand blijven. Meestal is behandeling niet nodig. Gezonde mensen met een goede afweer worden vaak vanzelf beter. Soms is behandeling wél nodig, bijvoorbeeld bij mensen met een verminderde afweer (zoals mensen met hiv) of bij ernstige klachten, zoals een oogontsteking. Een arts kan dan antibiotica voorschrijven om de parasiet te bestrijden.

De parasiet Toxoplasma komt over de hele wereld voor. Hoe vaak precies, verschilt per gebied. In Nederland heeft ongeveer 40% van de bevolking antilichamen tegen Toxoplasma in het bloed. Dat betekent dat zij al eens toxoplasmose hebben gehad vaak zonder het te merken.

Het is niet bekend welk deel van de mensen besmet is geraakt via vlees en welk deel via kattenpoep (bijvoorbeeld besmette aarde of groente). Het is niet zo dat alle mensen met een kat in huis antilichamen in hun bloed hebben.

Tuberculose

Tuberculose (tbc(Tuberculose)) is een infectieziekte door een bacterie. Als de bacterie in je lichaam komt kun je ernstige infecties (ontstekingen) krijgen. Vaak komt tuberculose voor in de longen. Longtuberculose kan besmettelijk zijn. Tuberculose kan ook in de botten, lymfeklieren, wervels of andere delen van het lichaam zitten. Dan is het niet besmettelijk. Tuberculose is goed te behandelen. In Nederland komt tuberculose weinig voor maar door de grootschalige immigratie zijn de kansen vergroot. De ziekte uit zich door lange tijd hoesten (bij tuberculose in de longen) en slijm bij het hoesten*, ’s nachts erg zweten, afvallen, geen zin in eten, vermoeidheid, koorts, moeilijker ademhalen. * Iemand die langere tijd tuberculose heeft, kan bloed ophoesten.

Usutu

Sovon en het Dutch Wildlife Health Centre (DWHC) melden een stijging van zieke of dode merels, vooral uit het oosten van het land. Het aantal zieke en dode merels in Nederland is de afgelopen weken toegenomen. De Vogelbescherming wijt de stijging aan het Usutu-virus. “Dat virus veroorzaakte al eerder hoge sterfte onder vogels, met name onder merels. Na de uitbraken in 2016 en 2018 en droge voorjaren kwam de populatie in een vrije val”, Het virus komt uit Afrika en wordt overgedragen door muggen en is vooral onder vogels levensgevaarlijk. Mensen hebben in veruit de meeste gevallen geen klachten. Een enkele keer krijgt een besmette persoon koorts en geelzucht. Een merel die is besmet met het virus is volgens de Vogelbescherming vaak gemakkelijk te herkennen. Ze zien er ongezond en verzwakt uit. Ze zijn makkelijk te benaderen, hebben een slordig verenkleed en zijn sterk vermagerd. Verder hebben ze evenwichtsstoornissen en kunnen ze soms moeilijk vliegen. Na twee tot drie dagen zijn ze dood.  Het DWHC die de gevonden dode vogels test op het virus laat weten dat 75 procent van de gevonden merels positief testte. Het onderzoekscentrum meldt ook dat er minder levende merels worden gespot dan normaal. Dat past in de trend die sinds 2005 is ingezet. Volgens de  Vogelbescherming waren er van 2018 tot 2020 zijn er 500.000 tot 900.000 broedparen in Nederland. Het Usutu-virus is een door muggen overgebracht flavivirus dat genetisch en antigeen erg lijkt op WNV en behoort tot het antigene complex van Japanse encefalitis . Bovendien deelt USUV in zijn transmissiecyclus met WNV dezelfde muggenvectoren en vogelpopulaties als versterkende gastheren, en vaak circuleren de twee virussen in dezelfde omgeving. In tegenstelling tot WNV lijkt USUV pathogener en dodelijker te zijn voor sommige vogelsoorten, terwijl het zelden ziekte veroorzaakt bij mensen. USUV werd voor het eerst geïsoleerd in Zuid-Afrika in 1959, en dook voor het eerst op in Europa in 1996, wat leidde tot sterfgevallen onder merels ( Turdus merula ) in de regio Toscane in Italië . Deze uitbraak werd retrospectief herkend, terwijl de eerste identificatie van USUV in Europa plaatsvond in Oostenrijk in 2001, toen het virus aanzienlijke sterfte onder vogelpopulaties veroorzaakte. In de daaropvolgende jaren leverde entomologisch en veterinair toezicht bewijs op van USUV-circulatie in verschillende landen in Centraal- en West-Europa . In de zomer van 2016 werd intense en wijdverspreide USUV-activiteit gemeld in Duitsland, Frankrijk, België en, voor het eerst, Nederland, waar een verhoogde sterfte onder merels en in gevangenschap levende grote grijze uilen werd waargenomen. Nederlands Screening van bloed- en orgaandonoren op WNV-RNA met zeer gevoelige maar kruisreactieve nucleïnezuurtesten heeft geleid tot de incidentele identificatie van menselijke gevallen van USUV-infectie in Oostenrijk, Duitsland en Italië. Seroprevalentiestudies in Italië hebben ook bewijs geleverd van USUV-infectie bij mensen, met een prevalentie die zelfs hoger lijkt te zijn dan WNV-infectie in gebieden waar beide virussen cocirculeren. Symptomatische USUV-infecties bij mensen zijn ongewoon, met tot nu toe slechts 17 gevallen van neuro-invasieve ziekte gemeld in Italië, Kroatië en Frankrijk, die zich presenteren als meningoencephalitis , encefalitis, polyneuritis of gezichtverlamming . Gezien de grote overeenkomsten tussen USUV en WNV en de uitdagingen bij laboratoriumdiagnostiek, is het denkbaar dat de last van USUV-gerelateerde ziekte wordt onderschat.

Varkenspest

Spanje, dat internationaal gezien de op één na grootste exporteur van varkensvlees ter wereld is, staat voor een ernstige uitdaging na de een uitbraak eind november 2025 van het Afrikaanse Varkenspest (AVP) virus. Dit is de eerste keer dat AVP in het land is vastgesteld sinds Spanje in 1995 officieel vrij werd verklaard van de ziekte. Het virus werd aangetroffen bij zes dode wilde zwijnen in de regio Catalonië, nabij Barcelona, in de omgeving van Bellaterra en het natuurpark Collserola. De Spaanse autoriteiten hebben direct een crisishandboek geactiveerd en een beschermingszone van twintig kilometer rond de vindplaatsen ingesteld. Binnen deze zone zijn strenge maatregelen van kracht, waaronder een jachtverbod om de verspreiding door besmette zwijnen tegen te gaan, en de invoering van aangescherpte veiligheidsmaatregelen op varkenshouderijen.

De Autoriteiten in Spanje bekijken of de recente uitbraak komt door een lekkage in een laboratorium. Aanvankelijk werd de oorzaak gezocht in besmet voedsel, maar er zijn nu twijfels over die verklaring. Dit komt doordat uit onderzoek blijkt dat de variant die vorige week in de regio Barcelona is aangetroffen, sterke gelijkenissen vertoont met variant die veel gebruikt wordt bij de ontwikkeling van vaccins. Andere gevallen van varkenspest in Europa behoren tot een andere genetische groep.

Eind vorige maand zijn in de buurt van Barcelona zes wilde zwijnen aangetroffen met Afrikaanse varkenspest. Inmiddels is duidelijk dat dertien dieren zijn besmet. De ziekte is niet gevaarlijk voor mensen, maar varkens en zwijnen kunnen er aan doodgaan. De vrees is dat de zeer besmettelijke ziekte overslaat naar commerciële varkenshouders. Spanje is de grootste producent van varkensvlees in Europa en een van de grootste in de wereld. Het exporteert voor ongeveer 9 miljard euro per jaar naar het buitenland. Veel landen hebben zoals Mexico hebben onmiddellijk de import van Spaans varkensvlees volledig stopgezet. Andere belangrijke importeurs, waaronder China en het Verenigd Koninkrijk, hebben importbeperkingen ingesteld die zich richten op varkensvlees afkomstig uit de getroffen regio’s van Spanje. EU heeft geen importverbod ingesteld. De economische gevolgen voor de Spaanse varkensvleesindustrie zijn aanzienlijk. Ongeveer een derde van de circa vierhonderd exportcertificaten die Spanje naar honderdvieren landen hanteert, is geblokkeerd of wordt opnieuw beoordeeld.

De sector vreest een zware economische klap, aangezien het herwinnen van de exportpositie na de uitroeiing van de ziekte in de jaren negentig een cruciale mijlpaal was. De Europese Unie zal de export naar lidstaten waarschijnlijk niet beïnvloeden, behalve voor varkens binnen de vastgestelde twintig kilometer risicozone. De groeiende wolvenpopulatie in Europa vormt een reëel gevaar voor de verspreiding van Afrikaanse varkenspest (AVP). Wolven eten besmette kadavers van wilde zwijnen, het belangrijkste reservoir van het virus. Het uiterst resistente AVP-virus blijft daarna aan bek, vacht, poten en uitwerpselen kleven en kan via braaksel of resten worden meegevoerd. Omdat een wolvenroedel dagelijks tientallen kilometers aflegt over gebieden van honderden vierkante kilometers, transporteren ze besmet materiaal ver buiten de oorspronkelijke uitbraakhaard. Onderzoek in Duitsland en Polen toont aan dat wolven het virus tot een week in keel en neus en enkele dagen in feces kunnen dragen en uitscheiden, zonder zelf ziek te worden. Met meer dan 20.000 wolven in de EU (tegenover minder dan 2.000 rond 2000) en een snelle toename in landen als Duitsland, Nederland en België, neemt dit risico alleen maar toe. Wolven fungeren daardoor als een moeilijk te controleren vector die AVP sneller en verder kan verspreiden dan kadavers of zwijnen alleen. Dit jaar zijn tot nu toe meer dan 390 uitbraken gemeld in de EU, vooral in Oost-Europa, met een focus op de Baltische staten waar Estland en Letland de grootste aantallen melden. In 2025 zijn er nieuwe gevallen in Slowakije en Noord-Macedonië; eerdere introducties in 2024 in Albanië en Montenegro. Surveillance toont uitbreiding in gebieden als Hessen en Nedersaksen in Duitsland. Er is recent een besmetting gevonden in een dood wild zwijn in Duitsland, in de deelstaat Noordrijn-Westfalen, in de regio Kirchhundem.

Buiten het eerder al besmette gebied in de deelstaat Hessen is er nu ook op 150 km van Nederland, in Noordrijn-Westfalen, een dood wild zwijn gevonden dat was besmet met Afrikaanse Varkenspest (AVP). Meerdere andere karkassen zijn momenteel in onderzoek. In deze gevallen is het gebruikelijk dat de autoriteiten een beperkingsgebied instellen rond de infectiehaard. De veterinaire autoriteiten van de districten en de steden die door het beperkingsgebied worden getroffen, organiseren momenteel het zoeken, bemonsteren, bergen en verwijderen van dood wild in coördinatie met de deelstaat Noordrijn-Westfalen.

LTO roept alle sectoren op breed te communiceren op de volgende punten: Bio-veiligheidsmaatregelen in acht te nemen: lege en geladen vervoersmiddelen voor evenhoevigen, die terugkeren of komen uit Duitsland, moeten onmiddellijk na binnenkomst in Nederland een extra reiniging en ontsmetting (R&O) ondergaan 
Laat geen varkensproducten achter in de natuur of bij een varkenshouderij.
Wees alert op een besmetting bij een houderij of wild zwijn, let op verschijnselen bij varkens en wilde zwijnen die lijken op AVP (zoals koorts, sloomheid, verminderde eetlust, en bloedingen, vooral op de huid, oren, poten, en staart, soms met blauwe of zwarte verkleuring). Meld deze zo snel mogelijk bij de NVWA.
Alle kadavers van dood gevonden wilde zwijnen dienen direct bij de lokale grofwild-coördinator te worden gemeld.Veevervoerders moeten de hygiëne bij varkenstransporten aanscherpen, waarschuwt de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. De besmettelijke Afrikaanse varkenspest rukt op in Duitsland. Daar zijn besmettingen vastgesteld in de deelstaten Hessen en Rheinland-Pfalz. Vervoerders moeten volgens de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) vooral letten op het reinigen en ontsmetten (R&O) van diertransportmiddelen. Indien nodig moeten de bedrijven hun maatregelen verder aanscherpen. Bij een zoektocht met honden in het district Bergstrasse in het zuiden van de deelstaat Hessen zijn 44 kadavers gevonden, waarvan minimaal 25 kadavers besmet met Afrikaanse varkenspest. Ook buiten het hekwerk rond het bestaande kerngebied is een met Afrikaanse varkenspest besmet wild zwijn gevonden. Daarom is het kerngebied in het district Bergstrasse naar het zuiden toe uitgebreid. Er worden nieuwe mobiele en vaste hekwerken geplaatst.Na de eerste ontdekking van Afrikaanse varkenspest bij een wild zwijn in de Duitse deelstaat Hessen op 15 juni 2024 is het aantal gevallen van Afrikaanse varkenspest enorm gestegen. Steeds meer Duitse deelstaten vinden dode wilde zwijnen die zijn overleden aan Afrikaanse varkenspest. Nedersaksen, Hessen, Rijnland-Palts en Baden-Württemberg zijn door de besmettelijke varkensziekte getroffen. Bijna dagelijks duikt ergens een nieuwe besmetting van Afrikaanse varkenspest op. De Afrikaanse Varkenspest komt steeds dichterbij Nederland en waart inmiddels al rond in de omgeving van Frankfurt am Main, op een paar uur rijden van de Nederlandse grens en op een klein varkensbedrijf in het Duitse Gerolsheim in het district Bad Dürkheim heerst nu ook varkenspest. Het bedrijf bevindt zich op slechts 300 kilometer van de grens met Nederland. Het aantal uitbraken van Afrikaanse varkenspest op varkensbedrijven in Polen is eind juli 2024 gestegen naar dertig. Polen krijgt de situatie bij wilde zwijnen maar niet onder controle. Er zijn nu 1.093 uitbraken waarbij een of meer wilde zwijnen zijn getroffen. Het totale aantal besmette wilde zwijnen ligt boven de 1.500. In Italië zijn dit jaar al 960 besmettingen bij wilde zwijnen vastgesteld.  Er zijn in Letland 321, in Litouwen 297  en in Hongarije 217 besmette zwijnen. Vooral het aantal uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij wilde zwijnen loopt flink op. Het aantal uitbraken van Afrikaanse Varkenspest (AVP) in de varkenshouderij is in 2023 vervijfvoudigd vergeleken met 2022. Er zijn nu zestien Europese landen waar Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens werd vastgesteld. Die bedrijven liggen vrijwel allemaal in het oosten van Europa, op Duitsland en Italië na. Polen is het land met veruit de meeste uitbraken bij wilde zwijnen.  In Italië zijn dit jaar vijf uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij gehouden varkens. In de regio Lombardije zijn twee uitbraken in Milaan, net buiten het besmette gebied, en twee uitbraken bij gehouden varkens in de provincie Pavia. Daarnaast is het virus opgedoken in Novara, onderdeel van de regio Piëmont. Voor het eerst zijn drie besmette wilde zwijnen ontdekt in Toscane. De meeste besmette zwijnen zijn gevonden in de regio Ligurië en de provincies Parma en Piacenza in de regio Emilia-Romagna. In totaal zijn er dit jaar 1.099 besmette zwijnen aangetroffen in heel Italië. Duitsland kampt met de nadelen van de uitbraak in de deelstaat Hessen. Daar zijn nu acht uitbraken bij gehouden varkens zijn en 217 bij wilde zwijnen. Bij gehouden varkens zijn de meeste meldingen van Afrikaanse varkenspest dit jaar in Servië met 116 uitbraken. Daarna volgt Roemenië met 104 besmette bedrijven. Oekraïne telt 29 besmette varkensbedrijven en in Bosnië en Herzegovina zijn dat er 25. Veel besmette wilde zwijnen zijn aangetroffen in Letland met 475 stuks, in Litouwen zijn dat er 352 en in Hongarije 242. De Mexicaanse griep kostte in 2014 zo’n 200.000 mensen het leven en is vermoedelijk ontstaan bij het intensief houden van varkens. De groep die na vaccinatie tegen de Mexicaanse griep (H1N1) in 2009 ziek werd, krijgt een schadevergoeding van de Staat. Zij ontwikkelden na de prik narcolepsie: een ziekte waarbij patiënten overdag onverwachts in slaap vallen. De Staat erkende echter geen aansprakelijkheid maar schikte. De klachten ontstonden binnen dertien maanden na de vaccinatie. Het gaat met name om jonge kinderen die ernstige hersenklachten kregen en daardoor invalide raakten. Patiënten hadden de vaccins van Pandemrix of Focetria toegediend gekregen. De Staat en de vaccinproducenten werden eind 2014 formeel aansprakelijk gesteld voor het ontstaan van narcolepsie bij 23 kinderen die in 2009 werden ingeënt.  Een deel van hen krijgt compensatie. Het kabinet stelde in 2018 vijf miljoen euro beschikbaar als schadevergoeding voor mensen die als kind gevaccineerd waren en daarna narcolepsie ontwikkelden. Ook in andere Europese landen werden patiënten gecompenseerd. H1N1 stak in 2009 als eerste de kop op in Mexico. De ziekte werd aanvankelijk ook varkensgriep genoemd. In juni 2009 verklaarde de WHO de ziekte tot een pandemie, die een jaar later officieel eindigde. In de zomer van 2009 was er al een vaccin beschikbaar. Volgens wetenschappelijk onderzoek had 1 op de 18.400 revaccineerden een verhoogde kans op narcolepsie. Met 4.096 uitbraken van ligt het totale aantal uitbraken dit jaar hoger dan ooit. Vooral in Bosnië en Herzegovina en Kroatië is AVP de laatste tijd vaak vastgesteld. In 2019 waren de meeste uitbraken, volgens de cijfers van het Animal Disease Information System (Adis). Dat kwam toen grotendeels voor rekening van Roemenië waar 1.724 uitbraken waren. In Roemenië waren er 702 uitbraken en in Servië  762. Het enorme aantal uitbraken van dit jaar is grotendeels toe te schrijven aan Bosnië en Herzegovina en Kroatië. In deze landen is de virusziekte op respectievelijk 21 en 23 juni vastgesteld op backyardbedrijven. De laatste tijd is dat aantal fors gestegen naar 1.405 uitbraken in Bosnië en Herzegovina en 1.094 uitbraken in Kroatië. Het gaat vooral om backyardbedrijven en kleine varkensbedrijven tot 150 varkens. AVP kwam in 2014 vanuit Rusland Letland, Litouwen en Polen binnen. Een hekwerk rond het bedrijf en een bioveiligheidsplan voor elke locatie met varkens zijn verplicht gesteld. De Europese verplichting geldt als het bedrijf vanwege Afrikaanse varkenspest in een beperkingsgebied komt te liggen. Feitelijk betekent dit dat ondernemers dit nu al moeten regelen.

Bij wilde zwijnen is AVP aanwezig in twintig landen. In totaal zijn hier in 2023 zo’n 6.778 uitbraken gemeld. Bijna net zoveel als in 2022, maar minder dan in 2021 en 2020. In die jaren kwamen er 12.150 en 11.027 uitbraken bij wilde zwijnen voor. Bij wilde zwijnen is AVP ook vooral aanwezig in het oosten van Europa, op Duitsland, Italië en Zweden na. In Zweden lijkt de besmetting onder controle: er zijn nu 53 besmette zwijnen gevonden, allemaal in het oorspronkelijke besmette gebied dat wordt omheind. De afgelopen maand zijn in Duitslands nog maar 12 besmette zwijnen aangetroffen in twee gebieden in de deelstaten Brandenburg en Saksen. Ook in Azië zijn er nu uitbraken gemeld. De varkenspest is ongevaarlijk voor mensen, maar bij varkens kan het leiden tot een sterftepercentage van 100 procent. Na de constatering van symptomen leven de dieren vaak niet langer dan vier tot zeven dagen. Wanneer AVP ontdekt wordt op een veehouderij, worden álle dieren gedood, ongeacht of ze gezond of ziek zijn. Dit was vorige week nog in Hong Kong het geval, waar bijna 5600 varkens geruimd moesten worden. Wereldwijd zijn er al miljoenen varkens preventief geruimd vanwege AVP.

Bij slachterij Vion uit Boxtel zijn drie medewerkers aangehouden op verdenking van fraude bij de tracering van vlees. De NVWA meldden dat zij worden verdacht dat zij documenten over de bestemming van vlees hebben vervalst en op die manier opzettelijk onjuiste informatie hebben verstrekt bij een terughaalactie in juli 2022 toen er een ontwormingsmiddel werd aangetroffen in de lever van een bij Vion geslacht varken. Nader onderzoek door de NVWA wees uit dat 390 varkens kort voor de slacht waren behandeld met dat geneesmiddel. De wettelijke limiet werd overschreden, meldt de NVWA, waardoor het vlees van de 390 varkens ongeschikt voor consumptie was en moest van de markt gehaald moest worden. Vion heeft meerdere keren gegevens over de bestemming van dat vlees aan de NVWA verstrekt. Die gegevens bleken niet te kloppen. Daarom startte de NVWA-IOD een strafrechtelijk onderzoek. De NVWA heeft de verstrekte informatie destijds direct beoordeeld. Daaruit bleek dat de bedrijven niet in staat waren om aan te tonen waar de producten van de met het ontwormingsmiddel behandelde varkens heen waren gegaan. Daarom heeft de NVWA de bedrijven opgedragen om het vlees van alle varkens die op dezelfde dag waren geslacht – in totaal zo’n 18.000 – van de markt te halen.

Vibrio Vulnificus

De bacterie Vibrio Vulnificus is een potentieel mogelijk dodelijke bacterie die voorkomt in rauwe zeevruchten en zeewater. Je kunt op twee manieren besmet raken met deze bacterie, namelijk „door besmet voedsel te eten of door je met een snee of tatoeage in water te begeven waar deze bacterie in zit. De infectie is in het bijzonder gevaarlijk voor mensen met een zwak immuunsysteem. Elk jaar worden ongeveer 150 tot 200 Amerikanen besmet met de bacterie. Ongeveer één op de vijf overlijdt. Een 40-jarige vrouw in de VS liep de bacteriële infectie op na het eten van tilapia. Ze kocht de tropische zoetwatervis eind juli op een markt in San Jose en bereidde de vis zelf, zoals ze dat wel vaker deed en at het op. Haar vingers, haar voeten en haar onderlip werden zwart. Ze kreeg een volledige sepsis en haar nieren faalden. Juist vanwege het zeer agressieve beloop van een invasieve V. vulnificus-infectie is een snelle diagnose van belang om adequaat medisch te kunnen handelen. Tevens lijkt V. vulnificus wereldwijd steeds vaker de kop op te steken, zelfs in landen waar men deze bacterie niet zou verwachten, zoals Spanje, Denemarken, Japan en ook Nederland. Jaarlijks worden in de VS ongeveer 150 tot 200 besmettingen gemeld en ongeveer één op de vijf mensen sterft aan de besmetting. Wereldwijd wordt tilapia in meer dan 140 landen gekweekt. Tilapia is de op één na meest gekweekte vissoort ter wereld,  niet alleen in de landen waar tilapia wordt geproduceerd, maar bijvoorbeeld ook in de Verenigde Staten, waar het in de supermarkten de op één na meest verkochte vissoort is, na zalm.

Vlekziekte

Vlekziekte wordt veroorzaakt door de bacterie Erysipelothrix rhusiopathiae, die bij vrijwel alle diersoorten voorkomt, inclusief vogels en vissen, schaal- en schelpdieren.

Erysipelothrix is een bacterie die doorgaans in de omgeving voorkomt. Ook gezonde dieren kunnen de bacterie bij zich dragen. Deze gezonde dragers scheiden Erysipelothrix uit via de mest. Besmetting kan bij mens en dier plaatsvinden via huidbeschadigingen of door opname van de bacterie via de mond. Bij mensen is infectie via de huid verreweg het belangrijkste. Mensen raken het meest besmet door contact met dierlijke producten, met name van het varken en van vissen. Omdat de bacterie algemeen voorkomt is besmetting geen uitzondering, maar de infectie slaat niet altijd aan. De infectie is een beroepsziekte die vooral wordt gezien bij slagers en slachthuispersoneel, vissers en personeel van de visverwerkende industrie.

Goede voorzorgs- en hygiënemaatregelen in de omgang met (dode) dieren zijn de belangrijk in het voorkomen van Erysipeloid. Voorkom een infectie door handschoenen te dragen bij omgang met slachtmateriaal van vissen en varkens. Werk hygiënisch als u omgaat met dieren, bedek huidwonden en maak een opgelopen wond schoon. Preventie van de ziekte bij dieren speelt voornamelijk bij varkens. Deze kunnen gevaccineerd worden. Daarnaast dient in de stal voor een goede hygiëne gezorgd te worden.

Vlekziekte komt over de hele wereld voor. Varkens in Nederland worden meestal gevaccineerd tegen vlekziekte, maar dat is niet verplicht. Varkenshouders die stoppen met vaccineren zien de ziekte vrij snel weer terugkomen.

Vogelgriep

Tot 5 augustus 2025 zijn er in totaal 252 uitbraken van vogelgriep geregistreerd bij pluimveehouders, verspreid over 19 landen binnen Europa. Dit laat zien dat het virus nog altijd actief circuleert, ondanks eerdere bestrijdingsmaatregelen en verbeterde monitoring.
Inmiddels zijn er uitbraken vastgesteld op alle continenten, met uitzondering van Australië. Zelfs in kolonies op Antarctica is H5N1 ontdekt, wat internationale zorgen versterkt over de verspreiding van het virus naar kwetsbare ecosystemen.

Onderzoekers van Wageningen Bioveterinary Research in Lelystad hebben een gemuteerde stam van het H5N1-vogelgriepvirus bestudeerd die onder laboratoriumomstandigheden zeer dodelijk kan zijn voor zoogdieren. Dit onderzoek, gefinancierd door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, is uitgevoerd in een laboratorium geschikt voor risicogroep 3 pathogenen, zoals vogelgriep en Q-koorts. Een publicatie in het Journal of General Virology beschrijft hoe deze virusstam zich tussen zoogdieren kan verspreiden. Wageningen Bioveterinary Research ontvangt ook steun van de Coalition for Epidemic Preparedness Innovations, een organisatie gelieerd aan de Gates Foundation en het World Economic Forum. In 2022 meldde minister Kuipers dat er geen centraal overzicht is van hoog-risico laboratoria in Nederland en dat niet alle zulke laboratoria gain-of-function-onderzoek doen.

World Organisation for Animal Health (WOAH)

De WOAH werd opgericht in 1924 in Parijs. De oorspronkelijke naam is Office International des Epizooties (OIE),maar werd in 2022 hernoemd naar WOAH – World Organisation for Animal Health, om de missie en zichtbaarheid beter weer te geven. Het hoofdkantoor zit in Parijs, Frankrijk. De WOAH heeft 183 lidstaten, waaronder Nederland en België. WOAH monitort en bestrijd dierziekten, waaronder zoönosen (ziekten die van dieren op mensen overgaan). Ze orgen voor:

Standaardisatie van veterinaire regelgeving wereldwijd.

Verzamelen en verspreiden van informatie over diergezondheid.

Ondersteuning van veterinaire diensten in landen om de capaciteit te versterken

Bevordering van dierenwelzijn, ook in relatie tot handel en productie

De WOAH stelt internationale normen en richtlijnen op voor diergezondheid en dierenwelzijn, die door de Wereldhandelsorganisatie (WTO) worden erkend;

Beheert een wereldwijd netwerk van referentielaboratoria en expertisecentra;

WOAH werkt samen met Wereldgezondheidsorganisatie (WHO),  Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO), Wereldbank, Europese Unie, NGO’s en nationale overheden;

WOAH is een actieve speler in de One Health aanpak, waarbij de gezondheid van mensen, dieren en ecosystemen als onderling verbonden wordt beschouwd. Dit is met name relevant bij de bestrijding van zoönosen zoals vogelgriep, rabiës en COVID-19.


Medisch-biologisch gezien zijn er ook schimmels zoals Aspergillose die niet onder de definitie van een zoönose, maar onder de sapronosen vallen.
Bij een zoönose (zoals Chlamydia psittaci of vogelgriep) is het dier de directe bron. De bacterie of het virus vermeerdert zich in het dier en springt over naar de mens.
Bij aspergillose is de omgeving de bron. De schimmel groeit op dode bladeren, compost, vochtig vogelvoer of in de bodem. Zowel vogel als mens ademen onafhankelijk van elkaar dezelfde sporen in. Het dier speelt dus geen actieve rol in de besmetting van de mens. Mensen denken vaak dat aspergillose een zoönose is omdat een eigenaar én zijn vogel tegelijkertijd ziek kunnen worden. Sapronose is de officiële term voor ziektes die je oploopt via de levenloze natuur (zoals grond, water of compost), in plaats van via een levend dier.
Pluimveehouders of vogelverzorgers die stoffige, beschimmelde stallen uitmesten, ademen zóveel sporen in dat ze er longklachten van kunnen krijgen. Niet door de vogels zelf, maar door de schimmels in de bodembedekking.
Aspergillose

Een van de gevaarlijkste infectieuze schimmelziekten is aspergillose. Er zijn verschillende soorten Aspergillus- schimmels die vogels van verschillende leeftijden treffen. Een slechte omgeving en hygiënische omstandigheden rond vogels in de broederijen of boerderijen zijn belangrijke bronnen van infectie. Getroffen vogels met Aspergillussoorten vertonen ademhalingssymptomen en laesies, evenals hersen- en huidaandoeningen. Aspergillose is een belangrijke beroeps gebonden zoötomische mycose die vooral personen en werknemers treft die in direct contact staan ​​met de besmette vogels. Het ademhalingsbeeld van aspergillose bij mensen is gewoonlijk zeer ernstig, vooral bij immuun gecompromitteerde patiënten. De diagnose van aspergillose hangt af van conventionele isolatie en identificatie van de veroorzakende schimmels, serologische detectie van antilichamen of het gebruik van moleculaire identificatietechnieken. Het toepassen van goede hygiënische maatregelen met goede omgevingsomstandigheden rondom vogels is dat wel zeer cruciaal om een ​​dergelijke infectie te voorkomen. Behandeling van aangetaste vogels met behulp van specifieke antischimmelmedicijnen is nutteloos, vooral in ernstige gevallen of in latere stadia. Mensen moeten alle hygiënische voorzorgsmaatregelen nemen tijdens de omgang met vogels en de omgeving. Getroffen personen kunnen worden behandeld met specifieke antischimmelpreparaten. Ook Aspergillus fumigatus, waar mensen met een lage weerstand ernstig ziek van kunnen worden en zelfs aan kunnen overlijden, wordt steeds resistenter tegen schimmeldodende medicijnen. 

Geschat lopen ongeveer 1100 patiënten per jaar in Nederland een ernstige aspergillose-infectie op. Iedereen in Nederland ademt sporen van de schimmel in. Alleen mensen met een verlaagde weerstand lopen echt risico. Als afweercellen de schimmelsporen niet op tijd opruimen, heb je kans dat ze ontkiemen en je een infectie krijgt. Die ontkiemde schimmelsporen kunnen vervolgens het longweefsel ingroeien, waardoor schade ontstaat. “In feite wordt de long afgebroken. Als de infectie daarna naar andere organen verspreidt, bijvoorbeeld de hersenen, ontstaat er een heel ernstige situatie’. Bij mensen met een slechte afweer, bijvoorbeeld patiënten met leukemie, is er een verhoogd risico op overlijden. Zelfs met behandeling van antischimmelmiddelen, waar de Aspergillus fumigatus dus resistenter tegen wordt, komen patiënten er niet altijd bovenop. “Die medicijnen remmen vaak de schimmel, maar kunnen niet doden.  Bij patiënten met ernstige griep op de intensive care (ic) of patiënten waarbij de schimmel al is verspreid naar de hersenen, is de kans op overlijden ongeveer 50 procent en bij mensen met leukemie is de kans ongeveer 20 procent. Het behandelen van schimmelinfecties is moeilijk. De celstructuur van schimmels is namelijk erg vergelijkbaar met menselijke cellen wat het heel moeilijk maakt om geneesmiddelen te ontwikkelen die de schimmel doodmaken, zonder ook de menselijke cellen aan te vallen. Er zijn zorgen over de toenemende resistentie tegen azolen, de ‘belangrijkste klasse’ als het gaat om antischimmelmedicijnen. Om erachter te komen waar en hoe de Aspergillus fumigatus zich in Nederland verspreidt, gaat Wageningen Universiteit aan de slag met ‘schimmelvallen’. Vier weken lang worden de driehoekvormige constructies opgehangen op zoveel mogelijk plekken in Nederland, om schimmelsporen op te vangen. Er zijn twee nieuwe medicijnen in ontwikkeling maar het meest belovende nieuwe medicijn wordt ook gebruikt voor het beschermen van gewassen. En dat is precies waardoor de Aspergillus fumigatus in eerste instantie resistent is geworden voor azolen. Wanneer de menselijke medicijnen hetzelfde zijn samengesteld als de bestrijdingsmiddelen, zoals met azolen, werkt de medicatie voor mensen dus minder goed. De schimmel is dan al resistent geworden tegen de soort bestrijding. “Er is 18 jaar aan het nieuwe medicijn gewerkt en is bijna beschikbaar.

Lumpy Skin Disease (LSD) bij runderen in Frankrijk.

De voor mensen niet besmettelijke ziekte (dus geen zoönose) werd vastgesteld op een boerderij in de Savoie-regio, nabij de Franse Alpen. 21 juni werd de ziekte in Sardinië (Italië) geconstateerd.
Het virus wordt voornamelijk overgedragen door bloedzuigende insecten zoals stalvliegen en muggen en kan leiden tot economische verliezen door verminderde melkproductie, schade aan huiden, onvruchtbaarheid en soms sterfte. 21 juni was er ook een uitbraak in Italië (Sardinië) . Dit leidde tot importbeperkingen in het VK en andere EU-landen om verspreiding te blokkeren.  Vaccinatie is de meest effectieve manier om de ziekte te bestrijden. Het is niet overdraagbaar op mensen.Lumpy skin disease wordt echter overgedragen door specifieke soorten bloedzuigende vliegen, zoals stekende vliegen (bijv. Stomoxys calcitrans, de stalvlieg) en andere hematofage insecten, zoals muggen en teken. Deze insecten fungeren als mechanische vectoren door het virus over te dragen via besmet bloed dat aan hun monddelen blijft kleven.

EHDV

In België ligt het Epizootic Hemorrhagic Disease Virus (EHDV) op de loer. De ziekte komt vooral voor bij herten en runderen en wordt verspreid via knutten. EHDV is ook geen zoönose en dus niet overdraagbaar op mensen. Het virus tast vooral bij runderen en herten de binnenzijde van de haarvaten aan, wat kan leiden tot vochtophoping en zweren op de snuit. Daarbij hebben de dieren koorts, een loopneus en ontstekingen in de mond, neus en darmen. Ook kreupelheid komt voor. Schapen, geiten en kamelen kunnen ook besmet raken, deze dieren worden echter niet ziek. Op 21 september 2023 meldde Frankrijk het eerste geval van EHDV-serotype 8 in het verre zuidwesten van het land, langs de grens met Spanje. In de daarop volgende maanden volgden 3.527 uitbraken in Zuid-Frankrijk, met name rond de Pyreneeën. In 2022 werd het virus ook al aangetroffen in Spanje en Italië. De laatste besmetting was bijna 100 procent identiek aan de variant die in Tunesië werd gevonden. Onderzoekers denken dat het virus met knutten de Middellandse Zee is overgestoken, al dan niet per boot. Eind 2023 verspreidde de ziekte zich verder over Spanje en Italië. Vooral in Spanje zijn veel nieuwe uitbraken gemeld. Bij een verdenking van de ziekte is een onderzoek verplicht. Rond een uitbraak geldt een zone van 150 kilometer, waarbinnen dieren niet naar een andere Europees lidstaat mogen worden vervoerd.

Newcastle disease (pseudovogelpest) vastgesteld in Oldenzaal

Commercieel gehouden pluimvee en wedstrijdduiven moeten verplicht worden gevaccineerd tegen de ziekte. Voor hobbypluimvee geldt deze verplichting niet. Deze zijn dus gevoelig voor besmetting. Symptomen bij ongevaccineerde kippen zijn onder andere plotselinge sterfte, ademhalingsproblemen, eiproductiedaling, verminderde eetlust, trillingen of verlamming, of draaibek. Voor Newcastle disease geldt een meldingsplicht. Dit betekent dat (vermoedens van) besmetting direct gemeld moeten worden bij de NVWA. Neem bij twijfel contact op met je dierenarts. Zorg daarnaast voor een goede hygiëne: was je handen en ontsmet laarzen en kleding. Er is geen gevaar voor de volksgezondheid. Mensen kunnen besmet worden na intensief contact met besmette duiven. De klachten zijn meestal mild; een oogontsteking komt het vaakst voor. Vogelhouders en bezoekers van pluimvee- of duivententoonstellingen in de regio worden geadviseerd goed op symptomen te letten en bij twijfel contact op te nemen met een dierenarts.

Hemorragische koorts

In het noordwesten van de Democratische Republiek Congo is een geheimzinnige nieuwe ziekte uitgebroken die de afgelopen weken al aan vijftig mensen het leven heeft gekost, meldt de Wereldgezondheidsorganisatie WHO. De onbekende ziekte werd voor het eerst ontdekt bij drie kinderen in het dorp Boloko, die een vleermuis aten, en die binnen 48 uur stierven. Consumptie van zogeheten ‘bush meat’ is gewoon in veel Afrikaanse en Aziatische landen. Volgens artsen en onderzoekers gaat het om een onbekende hemorragische koorts, waarbij de patiënt koorts krijgt, moet braken en inwendige bloedingen krijgt. Tussen de eerste symptomen en de dood zit 48 uur. ‘Dat is wat echt zorgwekkend is’, aldus de medisch directeur van het Bikoro-ziekenhuis, een regionaal controlecentrum. De symptomen van hemorragische koorts worden vaak geassocieerd met usual suspects als ebola, knokkelkoorts, gele koorts en het Marburgvirus, maar onderzoekers concluderen dat dit een nieuwe ziekte is. Tot nu toe zijn er 431 gevallen en 53 doden geregistreerd. Bijna de helft stierf binnen 48 uur nadat ze ziek waren geworden, met symptomen als koorts, pijn, overgeven en diarree. ‘De uitbraken, waarvan het aantal binnen enkele dagen fors is toegenomen, vormen een aanzienlijke bedreiging voor de volksgezondheid. De getroffen dorpen hebben een beperkte surveillancecapaciteit en gezondheidsinfrastructuur, merkt Jasarevic op. Er zijn in toenemende mate zorgen over het stijgende aantal zoönosen, ziekten die van dier op mens overspringen, bijvoorbeeld door het eten van wilde dieren. Het aantal van dergelijke uitbraken in Afrika steeg in tien jaar met meer dan 60 procent. Als er geen maatregelen genomen worden om de steeds vaker voorkomende gevallen dat een dierziekte op mensen overspringt aan te pakken, zullen er in 2050 twaalf keer zoveel mensen overlijden aan vijf  zoönotische ziekten zoals Ebola, Marburg, Nipah, Machupo en Sars-CoV-1 en-2.

Er zijn sinds februari 2025 geen nieuwe grote uitbraken gemeld, maar de situatie blijft precair vanwege de voortdurende uitdagingen in de regio, zoals armoede, conflicten en beperkte toegang tot gezondheidszorg. De DRC kampt naast deze uitbraak met andere crises, zoals een mpox-epidemie (47.000 verdachte gevallen in 2024) en cholera (meer dan 30.000 gevallen in 2025). Deze overlappende crises verergeren de druk op de gezondheidszorg.

Autoriteiten blijven de bevolking adviseren om bushmeat te vermijden, goede handhygiëne te hanteren en contact met zieken of overledenen te beperken. Reizigers naar de DRC wordt aangeraden voorzorgsmaatregelen te nemen, zoals vaccinaties tegen gele koorts en het vermijden van risicogebieden.

Terug naar nieuwsoverzicht
🔒

Reactie achterlaten?

Om uw privacy en de veiligheid van deze website optimaal te waarborgen, maken wij geen gebruik van een online contactformulier.

U kunt uw reactie of vraag direct en veilig sturen naar onze redactie@bvs.nl via onderstaande knop.

📧 Mail de redactie teren, reacties of klachten kunt u mailen naar Rvschaik@bvs.nl