Disclaimer & Auteursrecht – BVS
De inhoud van deze website en de bijbehorende blogs is uitsluitend bedoeld voor opiniërende, reflecterende en informatieve doeleinden. De teksten weerspiegelen de persoonlijke meningen en interpretaties van de auteur. De auteur geeft geen garantie wat betreft de volledige juistheid of actualiteit van de geboden informatie en aanvaardt geen aansprakelijkheid voor schade of gevolgen voortvloeiend uit het lezen, interpreteren of delen van de inhoud. Een deel van de teksten of citaten kan afkomstig zijn uit externe bronnen. Hoewel wordt gestreefd naar een zorgvuldige bronvermelding, kan BVS nu eenmaal niet verantwoordelijk worden gehouden voor eventuele onjuistheden of inbreuken door derden. Door deze website te gebruiken, stemt u in met de inhoud van deze disclaimer. Alle materialen op deze website zijn auteursrechtelijk beschermd. Reproductie, verspreiding of commercieel gebruik zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de auteur of BVS is verboden.
Dossier Rechtspraak
Klik op een link om meteen naar het betreffende onderwerp te gaan:
ONDERWERPEN
Overheid mocht verkeersboetes in 2024 en 2025 niet verhogen
Boetes die op grond van de Wet Mulder zijn opgelegd gingen in 2024 met 10 procent omhoog vanwege een inflatiecorrectie en deels door een extra beleidsmatige verhoging. In 2025 volgde opnieuw een verhoging met het inflatiecijfer van 3,2 procent. De Overheid voerde de extra verhoging in 2024 mede door vanwege het tekort op de Rijksbegroting om niet te hoeven bezuinigen op bijvoorbeeld politie of jeugdzorg. Maar volgens de kantonrechter kan het belang van de Rijksbegroting geen argument zijn om verkeersboetes te verhogen. De rechter wijst erop dat sprake zou zijn van een verkapte belastingheffing bij verkeersovertreders als boetes gebruikt mogen worden om de begroting rond te krijgen. Als dat wel zou mogen, zou de overheid verkeersboetes steeds verder kunnen verhogen om gaten in de begroting te dichten. In een rapport van het Openbaar Ministerie uit 2023 werd al gewaarschuwd voor scheefgroei tussen verkeersboetes en boetes voor andere strafbare feiten. In twee zaken zijn de boetes door de kantonrechter verlaagd naar het bedrag dat in 2023 gold. Ook andere kantonrechters van de rechtbank Midden-Nederland hebben zich over de hoogte van verkeersboetes uitgesproken, maar zij kwamen niet allemaal tot hetzelfde oordeel. Eén rechter volgde de lijn dat de verhoging onevenredig was, terwijl een andere rechter vond dat de regering wel de politieke ruimte had om de boetes te verhogen. De komende tijd moet blijken hoe andere rechtbanken, gerechtshoven of uiteindelijk de Hoge Raad naar deze kwestie kijken. Tot die tijd staat vooral de verhoging van verkeersboetes in 2024 en 2025 juridisch ter discussie, maar is automatische terugbetaling voor alle automobilisten nog geen zekerheid.
Nieuwe wetten
Op 1 juli 2026 treden verschillende wetten en maatregelen in werking op het terrein van Justitie en Veiligheid.
Maximumstraf Wet wapens en munitie gaat naar 8 jaar
De maximale gevangenisstraf voor het zonder vergunning vervaardigen van of handelen met betrekking tot wapens gaat vanaf 1 juli 2026 omhoog van 4 naar 8 jaar. Door deze verhoging worden ook voorbereidingshandelingen strafbaar. Deze voorbereidende handelingen zijn namelijk alleen strafbaar als op het feit een gevangenisstraf van 8 jaar of meer staat. Een belangrijk gevolg is dat het bezitten en verspreiden van blauwdrukken, oftewel instructies om met een 3D-printer wapens te maken, voortaan strafbaar is. Het kabinet wil hiermee de illegale wapenproductie en wapenhandel harder aanpakken.
Rechter krijgt meer ruimte voor hogere straffen bij meerdere feiten
Rechters krijgen vanaf 1 juli 2026 meer ruimte om hogere gevangenisstraffen op te leggen aan verdachten die voor meerdere strafbare feiten tegelijk worden veroordeeld, de zogenoemde meerdaadse samenloop. Nu mag de rechter de strafmaxima optellen tot maximaal een derde boven het hoogste maximum, dat wordt voortaan maximaal de helft. De maximale straf op enkelvoudig diefstal is bijvoorbeeld 4 jaar. Indien er sprake is van meerdere diefstallen was de maximale straf dus 4 jaar plus 16 maanden. Namelijk de maximale straf, 4 jaar, plus een derde daarvan, 16 maanden. Door deze maatregel wordt dit 4 jaar plus 24 maanden, wat uitkomt op 6 jaar. Ook bij feiten die iemand pleegde vóór eerdere veroordelingen ontstaat meer strafruimte. Die ruimte is het grootst bij zeer ernstige feiten met 12 jaar of meer, zodat de rechter cold cases passender kan bestraffen.
FIU-Nederland kan verdachte transacties tijdelijk laten stilleggen
De Financiële inlichtingen eenheid (FIU-Nederland) krijgt vanaf 1 juli 2026 de bevoegdheid om instellingen zoals banken te verzoeken een transactie maximaal 5 werkdagen niet uit te voeren. Zo voorkomt de FIU dat mogelijk crimineel geld wordt weggesluisd voordat zij heeft kunnen beoordelen of een transactie verband houdt met witwassen of terrorismefinanciering. Ziet de FIU dat verband, dan verstrekt zij de verdachte transactie aan de opsporingsdiensten, die vervolgens onderzoek kunnen doen en zo nodig tot vervolging kunnen overgaan. Met deze maatregel wil het kabinet de bredere aanpak van ondermijnende criminaliteit versterken.
CJIB stuurt als pilot gratis betalingsherinnering bij verkeersboetes
Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) start op 1 juli 2026 een pilot met een gratis betalingsherinnering bij verkeersboetes. Iedereen met een openstaande verkeersboete krijgt tijdens de pilot een herinnering voordat de eerste verhoging volgt. Het CJIB onderzoekt of zo’n herinnering het beoogde effect heeft dat mensen die zijn vergeten te betalen, alsnog hun boete voldoen of op tijd een betalingsregeling treffen, en daarmee ophogingen voorkomen. De pilot loopt minimaal anderhalf jaar en wordt daarna geëvalueerd.
VOG-politiegegevens verplicht voor extra functies bij het Openbaar Ministerie
Vanaf 1 juli 2026 is de VOG-politiegegevens verplicht voor een aantal aanvullende functies bij het Openbaar Ministerie (OM) waarvoor een hogere mate van integriteit nodig is. Bij een aanvraag voor deze functies worden voortaan altijd politiegegevens opgevraagd, en de VOG kan alleen al op basis van relevante politiegegevens worden geweigerd. De plicht gold al voor andere OM-functies en geldt nu ook voor onder meer lijnmanagers, medewerkers beleid en advisering, bedrijfsvoering, kennis en onderzoek, project- en programmamanagers, trainees en ook stagiairs.
Verenigingen en stichtingen passen uiterlijk 1 juli hun statuten aan
Verenigingen en stichtingen brengen hun statuten uiterlijk 1 juli 2026 in lijn met de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR). Een bestuurder mag daarin nooit meer stemmen hebben dan de overige bestuursleden samen. Oude statutaire regelingen die dat wél toestaan, vervallen op 1 juli 2026 automatisch. De wet geldt sinds 1 juli 2021, met een overgangstermijn van 5 jaar om de statuten aan te passen, deze termijn loopt nu af.
Innovatiewet Strafvordering wordt verlengd
De Innovatiewet Strafvordering wordt op 1 juli 2026 verlengd. Deze wet bevat bepalingen uit het beoogde nieuwe Wetboek van Strafvordering waarmee de praktijk alvast ervaring opdoet. Zo kan de strafrechter in een lopende zaak een rechtsvraag aan de Hoge Raad stellen, en kan hij een strafzaak beëindigen als mediation tussen verdachte en slachtoffer is geslaagd. De bepalingen blijven nu gelden tot de inwerkingtreding van het nieuwe wetboek, voorzien op 1 april 2029. Zo kunnen rechters er tot die tijd gebruik van blijven maken.
Elektronisch cognossement krijgt dezelfde werking als papieren versie
Per 1 juli 2026 treedt de Wet tot invoering van het elektronisch cognossement in werking. Een cognossement is een document dat door de vervoerder wordt afgegeven en de belangrijkste afspraken uit de vervoerovereenkomst bevat. Met een cognossement kan de koper van de goederen aan de kade gaan staan en de goederen opeisen. Dit document, dat bij maritiem vervoer wordt gebruikt, moet op grond van het Nederlandse recht een papieren document zijn. De nieuwe wet regelt dat partijen voor een elektronisch cognossement kunnen kiezen in plaats van een papieren variant. Het gebruik van een elektronisch cognossement krijgt hierbij dezelfde rechtsgevolgen als een papieren cognossement. Dit zorgt ervoor dat de maritieme sector (waaronder afzenders, reders, vervoerders, verladers, banken en verzekeraars) efficiënter met cognossementen kan werken. Dit is een belangrijke stap voor de digitalisering van de internationale handel over zee.
Het kabinet werkt aan een deltaplan om de strafrechtketen te verbeteren en bestaande initiatieven beter te bundelen. Doel is zaken sneller, voorspelbaarder en efficiënter af te handelen, zodat slachtoffers en verdachten sneller duidelijkheid krijgen. Het plan richt zich op betere samenwerking, informatie-uitwisseling en inzet van personeel en middelen. TNO onderzoekt hiervoor de knelpunten in de keten. De onderzoeken worden eind 2026 afgerond; het deltaplan wordt naar verwachting in het eerste kwartaal van 2027 aan de Tweede Kamer aangeboden.
Commissie NOvA
NOvA en VSAN pleiten voor extra investeringen in de sociale advocatuur om de toegang tot rechtsbijstand te waarborgen. Zij vragen om jaarlijks 15 miljoen euro structureel voor samenwerking tussen kantoren en vijf jaar lang 20 miljoen euro per jaar voor de opleiding en instroom van nieuwe advocaat-stagiairs. Aanleiding is het afnemende aantal sociaal advocaten en de beperkte instroom. De organisaties willen het vergoedingssysteem verbeteren en een aparte opleidingsvergoeding invoeren om kantoren te stimuleren nieuwe sociaal advocaten op te leiden.
Het rapport van de Commissie Kernwaarden Advocatuur en Alternatieve Organisatie Structuren, in mei 2026 aangeboden aan de Nederlandse Orde van Advocaten, trekt een harde conclusie: het stelsel waarmee de kernwaarden van de advocatuur worden beschermd schiet tekort, niet alleen bij alternatieve organisatievormen, maar ook bij traditionele kantoren. De commissie stond onder leiding van prof. Jaap Winter.
De vijf kernwaarden die sinds 2015 in artikel 10a Advocatenwet zijn verankerd, partijdigheid, onafhankelijkheid, deskundigheid, vertrouwelijkheid en integriteit, richten zich uitsluitend op de individuele advocaat. Dat is precies het probleem. Het proactieve toezicht door lokale dekens wordt in de praktijk nauwelijks ervaren en verschilt sterk per arrondissement. Het klacht- en tuchtrecht werkt bovendien puur reactief: pas nadat er een klacht is ingediend, kan worden ingegrepen. Bovendien richten zowel toezicht als tuchtrecht zich op de individuele advocaat en niet op het kantoor als organisatie, terwijl de kantooromgeving, zeker bij grote kantoren met strakke omzet- en winstdoelstellingen, grote invloed heeft op de wijze waarop een advocaat zijn praktijk uitoefent. De commissie benadrukt daarbij dat zij geen eigen evaluatie van het dekentoezicht heeft uitgevoerd en geen empirisch onderzoek heeft gedaan naar concrete misstanden. Het ontbreken van sterke signalen van misstanden stelt haar naar eigen zeggen niet gerust, omdat het huidige stelsel dergelijke signalen onvoldoende naar boven laat komen.
Om dit te verbeteren stelt de commissie een nieuw basisstelsel voor dat uit vier elementen bestaat. Het eerste is een modernisering van het klacht- en tuchtrecht, onder meer door betere triage tussen tuchtrechtelijke en niet-tuchtrechtelijke klachten, waarbij de persoonlijke verantwoordelijkheid van de advocaat het uitgangspunt blijft. Het tweede is proactief toezicht op individuele advocaten door de nog op te richten Onafhankelijke Toezichthouder Advocatuur (OTA). Die toezichthouder krijgt bevoegdheden om informatie te vergaren en sancties op te leggen. De commissie benadrukt dat dit toezicht principle-based moet zijn en niet mag verworden tot een papieren compliance-exercitie, omdat het risico van regulatory crowding out reëel is: wanneer het naleven van regels de persoonlijke motivatie om te excelleren verdringt, schiet het toezicht zijn doel voorbij.
Voor grote kantoren gelden twee aanvullende vereisten. Ten derde worden kantoren met 33 of meer advocaten vergunning- of erkenningplichtig bij de OTA, die toetst hoe de kernwaarden zijn geborgd in de bedrijfsvoering. Daarbij worden eisen gesteld aan kwaliteitssystemen, beloningsbeleid en cultuur, en worden bestuurders, ook niet-advocaten, vooraf getoetst op geschiktheid en betrouwbaarheid. Ten vierde, en meest ingrijpend, moeten grote kantoren een onafhankelijke raad van commissarissen instellen van ten minste drie leden, of een one-tier board met een meerderheid van onafhankelijke niet-uitvoerende bestuurders. Die leden moeten onafhankelijk zijn van zowel het bestuur als de aandeelhouders en hebben als specifieke taak toe te zien op een beheerste en integere bedrijfsvoering die de toepassing van de kernwaarden waarborgt. Als vergelijkingspunt wijst de commissie op de accountancy: de AFM stelde in 2021 positieve effecten vast van raden van commissarissen bij accountantsorganisaties die wettelijke controles uitvoeren bij organisaties van openbaar belang, onder meer op het gebied van kwaliteitscultuur en governance.
De grens van 33 advocaten omvat twee groepen: 42 kantoren met 33 tot en met 64 advocaten, goed voor circa 1.900 advocaten, en 21 kantoren met 65 of meer advocaten, goed voor circa 3.000 advocaten. Samen werkt daar ongeveer een kwart van alle bijna 19.000 in Nederland werkzame advocaten. De commissie acht een gefaseerde invoering denkbaar: eerst voor kantoren met 65 of meer advocaten, en pas later voor de groep van 33 tot en met 64. Zo krijgt de OTA de tijd om kennis, expertise en gezag op te bouwen.
Voor de financieel-economische strafpraktijk is de positie van de OTA bijzonder relevant. Op dit moment houdt de lokale deken niet alleen toezicht op grond van de Advocatenwet, maar ook op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en de Wet kwaliteit incassodienstverlening. In het nieuwe stelsel neemt de OTA dit toezicht over en strekt het zich uit tot de naleving van de Advocatenwet, de Wwft, de sanctiewetgeving en de WKI. Daarmee komt het toezicht op de poortwachtersrol van de advocaat bij witwasbestrijding en sanctienaleving bij één landelijke toezichthouder te liggen. Kantoren met een omvangrijke straf-, fraude- en compliancepraktijk vallen daarmee onder het zwaardere kantoortoezicht.
Over alternatieve organisatiestructuren is de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Halmer/Brak van 19 december 2024 leidend. Het Hof oordeelde dat een lidstaat een zuiver financiële investeerder mag verbieden aandelen te houden in een advocatenvennootschap, maar is daartoe niet verplicht. Binnen die ruimte kiest de commissie voor een genuanceerde benadering. Het onderscheidende criterium is de functionele betrokkenheid van de investeerder bij de beroepsuitoefening. Samenwerking met functioneel betrokken en tuchtrechtelijk gebonden beroepsbeoefenaren kan worden verruimd, en advocaten in dienst van een rechtsbijstandsverzekeraar kunnen onder voorwaarden ook voor niet-verzekerden optreden. Voor niet-functioneel betrokken investeerders, zoals private-equitypartijen, is de commissie terughoudend. Zij erkent mogelijke voordelen als hogere productiviteit, snellere besluitvorming en investeringscapaciteit voor ICT en AI, maar wijst ook op risico’s: sterke financiële sturing, hoge schuldfinanciering, prijsstijgingen zoals eerder gesignaleerd in de tandarts- en dierenartsenzorg, en een focus op de korte termijn. Haar conclusie is dat dergelijke investeringen, evenals constructies waarbij de bedrijfsvoering geheel of nagenoeg geheel wordt uitbesteed aan een Managed Service Organisation met externe investeerders, of waarbij beroepshandelingen via AI-systemen worden voorbereid binnen een vennootschap met externe investeerders, voorlopig niet moeten worden toegelaten zolang de OTA nog niet bestaat en niet over voldoende ervaring en gezag beschikt.
De aanbevelingen sluiten aan bij een bredere ontwikkeling die al gaande is. De oprichting van de OTA en de modernisering van het klachtrecht waren al in voorbereiding; het kabinet heeft aangekondigd het wetsvoorstel voor de OTA rond het einde van het eerste kwartaal van 2026 in consultatie te brengen en de Tweede Kamer vóór de zomer van 2026 over de voortgang te informeren. Het rapport ligt nu bij de NOvA en vormt de basis voor de besluitvorming over aanpassing van de regelgeving rondom alternatieve organisatiestructuren. Of en hoe de aanbevelingen worden overgenomen, hangt af van die besluitvorming binnen de NOvA en van het wetgevingstraject rond de OTA dat in de loop van 2026 verder vorm krijgt.
De term Raadsheer is in Amsterdam als pilot gewijzigd in “Rechter in hoger beroep”.De term ‘raadsheer’ voor een rechter bij het gerechtshof is al langer onderwerp van discussie. Enkele jaren geleden deden een achttal juristen al eens een oproep om ‘raadsheer’ en andere titels te moderniseren naar meer genderneutrale alternatieven. Het gerechtshof Amsterdam heeft nu een eerste stap gezet door raadsheren voortaan ‘rechters in hoger beroep’ te neomen. Althans, zo worden ze aangeduid op de titelbordjes in de zittingszaal.
De huidige titel ‘raadsheer’ is niet alleen niet-neutraal, maar levert ook de nodige verwarring op bij rechtszoekenden die niet juridisch onderlegd zijn. Dat een raadsheer een rechter is, maar een raadsman een advocaat, is voor lang niet iedereen gesneden koek. En dat de raadsman een vrouwelijke variant kent in de vorm van de raadsvrouw, maar er geen vrouwelijke tegenhanger van de raadsheer bestaat, is voor veel mensen ook al niet logisch.
Openbaar ministerie stuurloos
“Wees als collegeleden aanspreekbaar. Loop door de gangen en neem een werkplek naast medewerkers om te horen wat er onder hen leeft”, schrijven OM-medewerkers in een e-mail. Ze schrijven dat er de afgelopen maanden “enige verbetering” in de ICT-voorzieningen is gekomen, maar ze benadrukken dat er nog steeds dagelijks wordt gewerkt met “ineffectieve systemen en storingen”. Er is nog steeds sprake van een hoge werkdruk, omdat vacatures niet worden opgevuld. De actievoerders schrijven dat er sprake is van onrust en een hoog ziekteverzuim. Daarnaast wordt de houding van de baas van het OM, Rinus Otte, benoemd. Hij zou in april van dit jaar hebben geweigerd deel te nemen aan een gesprek met de actievoerders en wilde ook op een ander moment niet praten met ontevreden personeel. Urgente investeringen in ICT bij het Openbaar Ministerie zijn noodzakelijk voor cyberweerbaarheid en wetgeving. Onderzoeken naar aanleiding van een ICT-inbreuk in juli 2025 tonen aan dat de huidige structurele financiering niet volstaat voor de vereiste stabiliteit, compliancy en cyberweerbaarheid. Het OM vraagt daarnaast om terughoudendheid met nieuw beleid om de implementatie van het nieuwe Wetboek van Strafvordering niet in gevaar te brengen. De ICT-problemen hebben directe gevolgen voor de dagelijkse praktijk. De invoering van het nieuwe digitale zaaksysteem ‘Emma’, dat het verouderde en foutgevoelige systeem GPS moet vervangen, is vertraagd tot de eerste helft van 2027. Hierdoor is het merendeel van de kwaliteitsmaatregelen voor OM-strafbeschikkingen uit 2022 nog niet gerealiseerd. Dit leidt in de praktijk tot incomplete digitale dossiers en tekortkomingen in de feitomschrijvingen bij veelvoorkomende misdrijven. Hoewel de inhoudelijke schuldvaststelling in onderzochte dossiers goed scoort, is de uitvoeringspraktijk op belangrijke onderdelen nog niet in overeenstemming met de wet. De ICT-opgave schuurt bovendien met de invoering van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, die gepland staat voor 1 april 2029. Het OM kan door de recente ICT-problemen geen garanties geven over de haalbaarheid van deze planning. De exacte effecten hiervan zijn recent geïnventariseerd. Om verdere overbelasting te voorkomen, bepleit het OM om tijdens de voorbereidings- en implementatieperiode terughoudend te zijn met de introductie van andere wetgeving en rijksbeleid. Hoewel eerdere kabinetten substantiële incidentele en structurele middelen beschikbaar hebben gesteld, waaronder 172 miljoen euro aan ondermijningsmiddelen en 35 miljoen euro structureel vanaf 2025, blijft extra geld hard nodig. De IT-uitgaven stijgen jaarlijks met 1 tot 10% door inflatie, groei van de organisatie en de inzet van extern personeel. Het OM intensiveert de komende tijd de interne communicatie met medewerkers over deze lopende ICT-trajecten en organiseert momenteel een nieuwe ronde langs alle parketten. De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR) heeft 20 november 2025 al een brandbrief gestuurd over extreme ICT-problemen en onrust bij het Openbaar Ministerie. De ontevredenheid, gevoed door aanhoudende storingen en hoge werkdruk, leidt tot moedeloosheid en frustratie binnen de organisatie. De NVvR roept het College van procureurs-generaal op tot meer transparantie en perspectief op korte en lange termijn.
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) verkeert in een ernstige beveiligingscrisis. Na een eerdere cyberaanval op het Openbaar Ministerie (OM) blijkt nu dat ook de systemen van de DJI maandenlang toegankelijk waren voor hackers. Het lek ontstond door kwetsbaarheden in Citrix-software (bekend als CitrixBleed 2), waardoor aanvallers zonder inloggegevens diep in de systemen konden binnendringen.
De Justitiële ICT-organisatie (JIO), verantwoordelijk voor de ICT-systemen van onder meer het ministerie van Justitie en Veiligheid, werd het afgelopen jaar twee keer getroffen door deze Citrix-kwetsbaarheden. Uit voorzorg liet JIO bepaalde systemen online, omdat men vreesde dat anders elektronische enkelbanden van gedetineerden zouden kunnen uitvallen. Het gevangeniswezen (DJI) is afhankelijk van de enkelbanden omdat ze kampen met een steeds groter wordend celcapaciteitstekort. Hierdoor blijft de druk op alternatieve middelen, zoals de ruim 3.000 actieve enkelbanden in Nederland, onverminderd hoog.
De Inspectie Justitie en Veiligheid voert dit jaar verder onderzoek uit naar de weerbaarheid van organisaties binnen de keten tegen cyberdreigingen. Het accent ligt hierbij op informatiebeveiliging en Business Continuity Management om te voorkomen dat vitale processen (zoals de monitoring van enkelbanden) opnieuw in gevaar komen. JIO beheert ook de digitale infrastructuur van andere instanties, waaronder de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad voor de Kinderbescherming.
Uit onderzoek blijkt dat hackers minimaal vijf maanden toegang hadden tot de systemen. Daarbij zijn gevoelige gegevens van medewerkers buitgemaakt, waaronder e-mailadressen, telefoonnummers en beveiligingscertificaten. De gevolgen zijn aanzienlijk: gevangenispersoneel loopt een groter risico op chantage of afpersing door criminelen. Bovendien konden de aanvallers mobiele apparaten zoals laptops en telefoons op afstand beheren. Of de hackers momenteel nog steeds toegang hebben tot de systemen is niet duidelijk.
De aanval op de DJI staat niet op zichzelf. Zij maakt deel uit van een bredere cybercampagne tegen de Rijksoverheid, waarbij ook de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad voor de rechtspraak zijn getroffen. Er zijn sterke aanwijzingen dat de aanvallers gebruikmaakten van zogeheten Raccoon-malware, die in verband wordt gebracht met Russische hackersgroepen.
De situatie legt een structureel probleem bloot: overheidsorganisaties reageren vaak te traag op beveiligingswaarschuwingen en het installeren van updates (patches). Daardoor konden de aanvallers weken of zelfs maandenlang ongehinderd opereren voordat de kwetsbaarheden werden verholpen.
Staatssecretaris Claudia van Bruggen noemt de situatie “zorgelijk”. Medewerkers is geadviseerd de locatie voorzieningen op hun mobiele apparaten uit te schakelen, omdat onduidelijk is of de hackers konden achterhalen waar personeelsleden zich bevonden. Hoewel een gespecialiseerd extern bedrijf onderzoek doet, kampt de organisatie nog steeds met grote operationele achterstanden. Verschillende systemen zijn tijdelijk offline gehaald, wat leidt tot vertragingen bij toegang tot strafdossiers en bij dagelijkse werkzaamheden.
Daarnaast bleek de interne firewall, bedoeld om indringers tegen te houden, niet goed te functioneren. Door een configuratiefout stond deze uitgeschakeld, waardoor belangrijke beveiligingslagen ontbraken en aanvallers relatief eenvoudig toegang konden krijgen tot interne systemen. Het beheer van deze firewall lag bij IT-bedrijf Solvinity, dat ook IT-beheer en cybersecuritydiensten levert aan andere organisaties.
Na ontdekking van de aanval schakelde JIO beveiligingsbedrijf Fox-IT in voor onderzoek. Volgens de organisatie zijn de resultaten uitsluitend met JIO zelf gedeeld en zullen deze om “veiligheidsredenen” niet met de Tweede Kamer worden gedeeld.
Periodiek rapport over juridische hulpvragen en knelpunten 2025
Met het rapport Signalen In Zicht 2025 brengt het Juridisch Loket in kaart tegen welke juridische problemen burgers in Nederland aanlopen en waar structurele knelpunten zichtbaar worden. De analyse is gebaseerd op ruim 217.000 hulpvragen die de organisatie in 2025 behandelde en laat zien op welke terreinen wetgeving en uitvoering tekortschieten. Daarbij komen vooral kwesties rond werk en inkomen, familiezaken, consumentenaankopen en wonen naar voren als belangrijke aandachtspunten.
Een aanzienlijk deel van de vragen heeft betrekking op werk en inkomen. Op dit terrein valt met name de sterke stijging van vragen over ontslag op staande voet op. Vooral jongere werknemers zoeken daarbij ondersteuning, omdat zij vaak onzeker zijn over hun rechten en mogelijkheden. Ook binnen het domein familie en relaties blijft de vraag naar juridische hulp groot. De afwikkeling van relatiebreuken leidt steeds vaker tot vragen, waarbij vooral vrouwen zich tot het Loket wenden voor advies.
Daarnaast signaleren juridisch adviseurs een groei van problemen bij consumentenaankopen. Mensen lopen onder meer tegen onduidelijke of ongunstige contracten aan bij de aanschaf van thuisbatterijen, conflicten rond tweedehandsauto’s en misleidende praktijken via internet. Volgens het Juridisch Loket wijst dit op een gebrek aan transparantie en bescherming voor consumenten.
Op het gebied van wonen blijft de situatie zorgelijk, ondanks een daling in het aantal meldingen over achterstallig onderhoud. Problemen zoals slechte isolatie, vocht en schimmel komen nog steeds veel voor en hebben zowel financiële als gezondheidsgevolgen. Hoge energiekosten door gebrekkige woningen kunnen huishoudens in de problemen brengen, terwijl slechte leefomstandigheden het welzijn aantasten.
Naast deze bestaande knelpunten houdt het Juridisch Loket nieuwe ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Zo worden mogelijke gevolgen van veranderingen in regelgeving rond asiel, sociale zekerheid en toeslagen gevolgd. Hierbij gaat het onder andere om aanpassingen in procedures voor gezinshereniging, wijzigingen in uitkeringen en de nasleep van de toeslagenaffaire.
Verder onderzoekt de organisatie momenteel specifieke problemen in sectoren zoals rijscholen en commerciële bemiddelaars. Jaarlijks melden zich veel mensen met vragen over rijopleidingen, waarbij vooral jongeren moeite hebben om hun rechten en plichten te overzien. Ook blijken commerciële dienstverleners regelmatig kosten in rekening te brengen voor diensten die via de overheid goedkoper of zelfs gratis beschikbaar zijn.
Sinds kort is het systematisch signaleren van dit soort knelpunten een expliciet onderdeel van de opdracht van het Juridisch Loket. Door ervaringen uit de praktijk te bundelen en trends zichtbaar te maken, wil de organisatie bijdragen aan verbeteringen in beleid en regelgeving. Het rapport laat zien hoe individuele juridische vragen gezamenlijk een breder maatschappelijk beeld vormen en moet helpen om structurele oplossingen te stimuleren.
Wetboek van Strafvordering
De Eerste Kamer heeft ingestemd met een ingrijpende modernisering van het strafprocesrecht. Het huidige Wetboek van Strafvordering stamt uit 1926 en was na honderd jaar toe aan vervanging. De kern van de modernisering is dat strafzaken efficiënter en beter voorbereid bij de rechter moeten komen, waardoor de totale doorlooptijd van processen korter wordt. Hoewel de Kamerleden de noodzaak van deze vernieuwing onderschrijven, zijn er ook zorgen geuit over de technische uitvoering. De beoogde datum voor inwerkingtreding is 1 april 2029, maar de Kamer waarschuwt dat dit alleen haalbaar is als de ICT-systemen van onder andere het Openbaar Ministerie op dat moment volledig operationeel zijn. Mocht de digitalisering achterblijven, dan zal de invoering van het wetboek moeten worden uitgesteld.
Het nieuwe wetboek moet de regels voor opsporing, vervolging en berechting weer overzichtelijk en toegankelijk maken voor zowel burgers als professionals. Door de vele tussentijdse wijzigingen in de afgelopen decennia was het oude wetboek onoverzichtelijk geworden en sloot het niet meer aan bij de huidige maatschappelijke en technologische ontwikkelingen. De nieuwe opzet biedt een heldere beschrijving van de rechten en bevoegdheden van alle procesdeelnemers en maakt het strafproces bovendien volledig toekomstbestendig. De Eerste en Tweede vaststellingswet vormen samen de juridische basis voor dit nieuwe fundament van onze rechtsstaat.
De herziening van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de grootste wetgevingsoperatie in het strafrecht en de rechtspraak sinds de invoering van het huidige wetboek in 1926. Door bijna een eeuw van losse wetswijzigingen en aanvullingen is het huidige wetboek onoverzichtelijk en lastig toepasbaar geworden. Het nieuwe Sv moet leiden tot een moderne, overzichtelijke en toegankelijke strafvordering, die aansluit bij de hedendaagse eisen van de rechtsstaat. De implementatie vraagt forse investeringen in capaciteit, scholing en digitalisering, en raakt alle schakels van de strafrechtketen.
>De Nederlandse orde van advocaten (NOvA) waarschuwt dat het wetsvoorstel waarmee Nederland de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld implementeert, onvoldoende waarborgen biedt voor de toegang tot het recht voor slachtoffers van huiselijk geweld. In een op 22 januari 2026 gepubliceerd wetgevingsadvies signaleert de NOvA twee belangrijke knelpunten: de beperkte toegang tot gefinancierde rechtsbijstand en een te ruime omschrijving van cyberintimidatie.
De Europese richtlijn heeft tot doel slachtoffers in alle EU-lidstaten beter te beschermen. Het Nederlandse wetsvoorstel sluit in grote lijnen aan bij deze richtlijn; veel bepalingen maken al deel uit van de bestaande wetgeving. Daarnaast worden enkele nieuwe strafbepalingen geïntroduceerd, waaronder ten aanzien van cyberintimidatie en gedwongen genitale verminking, en is er meer aandacht voor slachtofferondersteuning. Toch vraagt de NOvA aandacht voor twee onderdelen.
Met name de toegang tot het recht in de vroege fase van het strafproces baart de NOvA zorgen. Slachtoffers zouden volgens de beroepsorganisatie al vanaf het moment van aangifte recht moeten hebben op bijstand van een advocaat. In de praktijk blijkt echter dat gefinancierde rechtsbijstand alleen beschikbaar is voor slachtoffers van ernstige gewelds- en zedenmisdrijven. Slachtoffers van bijvoorbeeld stalking of mishandeling vallen hier vaak buiten, waardoor zij geen vergoeding krijgen voor juridische bijstand op het moment dat die het hardst nodig is. Dit is volgens de NOvA extra problematisch omdat deze kwetsbare groep vaak niet beschikt over voldoende financiële middelen.
De tijdelijke adviestoevoeging die het wetsvoorstel voorstelt, biedt volgens de NOvA slechts beperkte ondersteuning. De vergoeding is laag, reistijd kan niet worden gedeclareerd en de toevoeging geldt doorgaans pas vanaf de aangifte, terwijl slachtoffers juist in de fase daarvoor behoefte hebben aan juridisch advies. De NOvA pleit daarom voor een uitbreiding van de Nederlandse regelgeving, conform de aanbevelingen van de EU-richtlijn, zodat slachtoffers eerder en vaker aanspraak kunnen maken op gefinancierde rechtsbijstand.
Daarnaast uit de NOvA kritiek op de voorgestelde strafbaarstelling van cyberintimidatie. De Europese richtlijn bepaalt dat online bedreiging en belediging strafbaar zijn wanneer deze waarschijnlijk ernstige psychische schade veroorzaken. In het Nederlandse wetsvoorstel is deze bepaling ruimer geformuleerd, wat volgens de NOvA kan leiden tot onduidelijkheid in de rechtspraktijk. Om die reden adviseert de orde om de tekst van de Europese richtlijn zoveel mogelijk letterlijk over te nemen.
Op 10 februari 2026 was er een plenaire behandeling in de Eerste Kamer. Tijdens deze behandeling heeft de Kamer het wetsvoorstel inhoudelijk besproken, mede aan de hand van de eerder ingediende nota naar aanleiding van het verslag. Anders dan de Tweede Kamer richtte de Eerste Kamer zich primair op de kwaliteit, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van wetgeving. In de context van het nieuwe Wetboek van Strafvordering spelen daarbij onder meer vragen over rechtsbescherming, systematiek, overgangsrecht en de praktische gevolgen voor de strafrechtsketen een rol.
Parallel aan de vaststellingswetgeving loopt het traject rond de Innovatiewet Strafvordering. Deze wet maakt het mogelijk om, vooruitlopend op de inwerkingtreding van het nieuwe wetboek, te experimenteren met nieuwe werkwijzen en procedures binnen het strafproces. Denk daarbij aan digitale processen, nieuwe vormen van communicatie en aangepaste procesvormen.
De Verlengingswet Innovatiewet Strafvordering (36.784) werd 29 januari 2026 door de Tweede Kamer aangenomen. Met deze verlengingswet wordt de experimenteerperiode voortgezet totdat het nieuwe Wetboek van Strafvordering in werking treedt, zodat lopende en nieuwe innovaties niet stilvallen in de overgangsfase naar het nieuwe wetboek. Dit onderstreept het belang dat de wetgever hecht aan een gefaseerde en beheersbare modernisering van het strafprocesrecht.
Naast wetgeving op formeel niveau speelt ook lagere regelgeving een belangrijke rol. De eerste tranche algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) onder het nieuwe Wetboek van Strafvordering is in consultatie gegeven. De consultatietermijn liep tot en met 31 januari 2026.
Deze eerste tranche richt zich met name op de opsporingsfase, de buitengerechtelijke afdoening en de rechtspositie van betrokkenen. Het gaat om besluiten die uiteenlopen van de algemene bepalingen van het opsporingsonderzoek en de regeling van heimelijke bevoegdheden, tot de positie van slachtoffers en de inrichting van het politieverhoor. De consultatie past binnen de bredere inzet van de wetgever om de modernisering van het strafprocesrecht niet alleen normatief, maar ook praktisch zorgvuldig vorm te geven.
Hoewel de vaststellingswetgeving een omvangrijk en afgerond geheel vormt, is het nieuwe Wetboek van Strafvordering nadrukkelijk opgezet als een modulair systeem. Dat betekent dat na vaststelling verdere inhoudelijke aanvullingen en aanpassingen mogelijk blijven. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 12 november 2025 advies vastgesteld over de eerste aanvullingswet. Verwacht wordt dat deze eerste aanvullingswet in het eerste kwartaal van 2026 bij de Tweede Kamer kan worden ingediend.
Deze eerste aanvullingswet zal voortbouwen op het nieuwe wetboek en bevat wijzigingen en aanvullingen, mede naar aanleiding van de vragen die door de Tweede Kamer zijn gesteld tijdens de behandeling van de vaststellingswetten. De exacte inhoud wordt in de loop van 2026 duidelijker, maar de aankondiging onderstreept dat de herziening van het strafprocesrecht ook na vaststelling een doorlopend wetgevingsproces blijft.
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid Claudia van Bruggen en minister van Justitie en Veiligheid David van Weel hebben 23 maart 2026 de eerste aanvullingswet voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering ingediend bij de Tweede Kamer. Deze wet is de eerste van twee aanvullingswetten voor het nieuwe Wetboek. De wetten met de acht boeken van het nieuwe Wetboek van Strafvordering zelf zijn al gepubliceerd in het Staatsblad. Met de aanvullingswetten kunnen hier nog wijzigingen in worden aangebracht vóór de inwerkingtreding. Zo is het nieuwe Wetboek volledig bij de tijd als het in werking treedt per 1 april 2029.
Met deze aanvullingswet komt er een wettelijke regeling voor procesafspraken. Bij procesafspraken doen een officier van justitie en een verdachte samen een afdoeningsvoorstel aan de rechter, bijvoorbeeld over de op te leggen straf. De rechter bepaalt of dat voorstel wordt gevolgd. In de praktijk worden procesafspraken al veel toegepast. Met de wet komen er ook begrenzingen. Zo mogen procesafspraken niet gemaakt worden bij ernstige gewelds- en seksuele misdrijven waarop een gevangenisstraf staat van twaalf jaar of meer én mag de strafvermindering maximaal een derde zijn ten opzichte van de straf die de rechter overwoog op te leggen als er geen procesafspraken zouden zijn gemaakt.
Deze aanvullingswet maakt het ook mogelijk voor het Openbaar Ministerie om voorwaardelijke straffen op te leggen in een strafbeschikking, dus buiten de rechter om. Door minder zware zaken op deze manier te bestraffen, kan de capaciteit van rechters worden ingezet voor zwaardere zaken. Dit draagt bij aan kortere doorlooptijden in het strafrecht. Ook tegen een strafbeschikking waarin een voorwaardelijke straf wordt opgelegd kan de verdachte in verzet gaan, zodat de zaak alsnog aan de rechter wordt voorgelegd.
Naast de regels voor procesafspraken en buitengerechtelijke afdoening bevat de aanvullingswet onder meer een nieuwe regeling voor lichaamsonderzoek bij bewusteloze personen. Ook worden bepaalde regels verduidelijkt en gemoderniseerd, bijvoorbeeld over de inzet van deskundigen, het toezicht op bijzondere voorwaarden en de bevoegdheid om heimelijk in te loggen met rechtmatig verkregen gegevens. Tevens worden de regels voor het verwerken van strafvorderlijke gegevens overgenomen uit het huidige wetboek.
Het Wetboek van Strafvordering bevat de regels waaraan politie, Openbaar Ministerie, rechters en advocaten zich moeten houden in het strafproces. De vernieuwing maakt het wetboek toegerust op nieuwe vormen van criminaliteit zoals cybercrime en ondermijning. Ook wordt het wetboek overzichtelijker en toegankelijker en zijn belangrijke uitspraken van de hoogste rechter erin verwerkt. De vernieuwing maakt het wetboek toekomstbestendig door een duidelijkere positie voor verdachten en slachtoffers maar ook door een actualisering van opsporingsbevoegdheden en de digitalisering van het strafproces. Het nieuwe wetboek is het resultaat van meer dan tien jaar samenwerking tussen alle betrokken organisaties in de strafrechtketen.
Sinds de aanbieding van het rapport van de Hoge Raad ‘Buiten de rechter OM’ in november 2022 is het merendeel van de door het OM voorgenomen maatregelen voor schikkingen nog steeds niet gerealiseerd. Dat heeft voor een belangrijk deel te maken met de ICT (het wachten op de invoering van het nieuwe zaaksysteem Emma), maar voor een deel ook met het tempo waarin
de besluitvorming verloopt (zoals bij het vertalen van de door het CJIB verzonden strafbeschikkingen voor misdrijven en het aanpassen van de toelichting op de sancties
onttrekking aan het verkeer en ontzegging van de rijbevoegdheid) en met het weinig benutten van de mogelijkheid van handmatige correctie van feitomschrijvingen.
Grotendeels in het verlengde hiervan moet de conclusie worden getrokken dat de uitvoeringspraktijk van de uitvaardiging van OM strafbeschikkingen ter zake van veelvoorkomende vermogensdelicten op belangrijke onderdelen nog niet in alle opzichten in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften. Dat geldt in het bijzonder voor tekortkomingen met betrekking tot de feitomschrijving en de kwalificatie, de informatievoorziening met betrekking tot de tenuitvoerlegging van niet-geldelijke sancties en de vertaling van de OM-strafbeschikking.
Daaraan kan nog worden toegevoegd de niet altijd consistente registratie van horende en beslissende functionarissen in GPS, alsmede de afwezigheid van belangrijke documenten in
GPS, zoals het politiedossier, het afschrift van de OM-strafbeschikking en het voorbewerkingsformulier. De bevindingen ten aanzien van de schuldvaststelling in de onderzochte zaken zijn wel positief. Hier is een korte samenvatting van de belangrijkste punten uit het rapport:
- ICT-vertraging (Systeem Emma): Sinds het rapport ‘Buiten de rechter OM’ (2022) is het merendeel van de beloofde verbeteringen nog niet doorgevoerd. Belangrijke ICT-aanpassingen voor correcte feitomschrijvingen en juridische kwalificaties zijn uitgesteld tot de invoering van het nieuwe zaaksysteem Emma (verwacht eerste helft 2027). Tot die tijd moet dit handmatig in het oude systeem GPS gebeuren, wat in de praktijk nog te vaak wordt nagelaten.
- Geïntensiveerd beleid schuurt met richtlijnen: Het OM heeft via een tijdelijke instructie de inzet van strafbeschikkingen bij veelvoorkomende vermogensdelicten (zoals winkeldiefstal) flink geïntensiveerd, nog vóórdat de kwaliteitsmaatregelen uit 2022 waren afgerond. Dit nieuwe beleid wijkt bovendien sterk af van gepubliceerde strafvorderingsrichtlijnen (zoals het schrappen van korte gevangenisstraffen en het negeren van recidive als contra-indicatie), wat het risico op scheve verhoudingen met de rechtspraak vergroot.
- Incomplete dossiers en procedures: Digitale dossiers zijn regelmatig incompleet; in 20% van de gevallen ontbreekt zelfs het afschrift van de strafbeschikking. Ook het verplichte gebruik van voorbewerkingsformulieren gebeurt niet overal uniform. Daarnaast verloopt de wettelijk verplichte identiteitsvaststelling door de politie (foto’s en vingerafdrukken) in een vijfde van de gevallen onjuist, en ontbreken vereiste vertalingen van strafbeschikkingen nog te vaak.
- Positief punt: De inhoudelijke schuldvaststelling scoort in alle onderzochte en controleerbare dossiers wél goed. In de onderzochte zaken was er telkens voldoende bewijs om tot een schuldverklaring te komen, al speelde hierbij mee dat het voornamelijk over overzichtelijke winkeldiefstallen ging.
Emma, het grootschalige, nieuwe digitale zaaksysteem is ontworpen om het sterk verouderde en bekritiseerde GPS (Geïntegreerd Processysteem) volledig te gaan vervangen.
Het huidige systeem (GPS) is technisch gezien gedateerd en dwingt medewerkers niet om nauwkeurig te werken. Dit leidt tot fouten. Emma moet ervoor zorgen dat:
- Wettelijke vereisten worden afgedwongen: Het systeem wordt zo ingericht dat een medewerker of officier dwingend door stappen wordt geleid. Je kunt een zaak straks pas afsluiten als de feitomschrijving (wat is er precies gebeurd) en de juridische kwalificatie (welk wetsartikel hoort hierbij) sluitend en correct zijn ingevuld.
- Completere dossiers: Emma moet voorkomen dat cruciale stukken, zoals politierapporten, hoorverslagen of de getekende strafbeschikking zelf, kwijtraken of niet digitaal worden opgeslagen (iets wat in het huidige GPS-systeem in wel 20% van de gevallen misgaat).
De ontwikkeling van Emma is een complex miljoenenproject dat, zoals vaker bij grote IT-projecten van de overheid, al meerdere keren te kampen heeft gehad met flinke vertragingen. Oorspronkelijk hadden kritieke updates al veel eerder live moeten gaan via de bestaande systemen. Het College van procureurs-generaal heeft er uiteindelijk voor gekozen om geen dure, ingrijpende reparaties meer te doen in het oude GPS, maar alle kaarten in te zetten op de oplevering van Emma. De brede implementatie en de overgang naar dit nieuwe zaaksysteem worden nu pas in de eerste helft van 2027 verwacht. Omdat het OM al wel nieuw beleid heeft ingevoerd (zoals het vaker buiten de rechter om afdoen van diefstallen via een strafbeschikking), maar het systeem Emma er nog niet is, ontstaat er een operationeel gat. Medewerkers moeten nu in het oude GPS-systeem handmatig tekstblokken aanpassen om aan de wet te voldoen. Omdat het oude systeem hen hier niet toe dwingt (en Emma dat nog niet kan overnemen), blijven veel strafbeschikkingen tot op de dag van vandaag juridische vormfouten bevatten. De hoop van de politieke en juridische top is dat deze hardnekkige fouten in 2027 met de komst van Emma in één klap verleden tijd zijn.
Herziening regeling ambtsdelicten Kamerleden en bewindspersonen naar Tweede Kamer
Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) en minister Heerma (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) hebben vandaag 2 wetsvoorstellen naar de Tweede Kamer gestuurd. De voorstellen herzien de regels voor opsporing, vervolging en berechting van ambtsdelicten door Kamerleden, ministers en staatssecretarissen en sluiten waar mogelijk aan bij de reguliere strafrechtelijke procedure.
Aanleiding voor de herziening is het rapport van de commissie-Fokkens uit 2021, waarin tekortkomingen zijn geconstateerd in de huidige bijzondere procedure. Het kabinet neemt de aanbevelingen van de commissie over. De Raad van State heeft over beide wetsvoorstellen positief geadviseerd.
De herziening volgt 2 sporen. Omdat de bijzondere procedure in de Grondwet is vastgelegd, is een grondwetswijziging nodig om fundamentele bezwaren tegen de bestaande regeling weg te nemen. In de nieuwe opzet wordt de vervolgingsbeslissing uit de politieke sfeer gehaald en belegd bij de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Ook wordt berechting in meerdere instanties mogelijk. Daaraan voorafgaand worden met wijzigingen in ‘gewone’ wetten al zoveel mogelijk knelpunten binnen de huidige constitutionele kaders aangepakt. Daarmee wordt de huidige, deels verouderde en soms onduidelijke regeling vervangen door een gemoderniseerde en duidelijke wettelijke regeling.
De Wet internationale sanctiemaatregelen(WIS)
De Douane krijgt de bevoegdheid om sanctieovertredingen bij de in-, door- en uitvoer van goederen bestuursrechtelijk af te doen. Dat omvat onder meer het opleggen van bestuurlijke boetes. De Douane dit al op andere terreinen (zoals accijns), maar sanctiehandhaving is inhoudelijk een heel ander thema waarvoor medewerkers specifiek moeten worden opgeleid.
BTI (Bureau Toetsing en Investeringen) krijgt eveneens bestuursrechtelijke handhavingsbevoegdheden. Richard Roemers schetste het probleem concreet: BTI kan nu constateren dat een onderneming bevroren moet zijn, maar kan vervolgens niet zelf handhavend optreden en moet het signaal doorgeven aan de strafrechtketen. Met de WIS kan BTI een bestuurlijke boete opleggen (als percentage van de jaaromzet) of een last onder dwangsom om een bevriezingsverplichting af te dwingen.
Het BFT krijgt bestuurlijke handhavingsbevoegdheden ten aanzien van de circa 50.000 instellingen (notarissen, accountants, belastingadviseurs, administratiekantoren) waarop het toezicht houdt. In de BFT position paper wordt dit positief beoordeeld, mede gelet op de bestaande ervaring met Wwft-toezicht.
DNB en AFM krijgen geen rol in de bestuursrechtelijke handhaving van sanctienormen zelf. Hun toezicht blijft gericht op de bedrijfsvoering van financiële instellingen: administratieve organisatie en interne controle. Zij onderzoeken niet of daadwerkelijk sancties zijn geschonden.
WOZT
De WOZT is in 2020 bedacht om de nationale veiligheid en openbare orde te beschermen, door te voorkomen dat telecommunicatiepartijen, zoals KPN in handen kunnen vallen van partijen die hun zeggenschap kunnen gebruiken om deze te schaden. De WOZT heeft een signalerende, preventieve en waarborgende functie. Het bestaan van de wet heeft als gevolg dat potentiële partijen met een risicoprofiel ontmoedigd worden om te investeren binnen de telecommunicatiesector waardoor daadwerkelijk ingrijpen overbodig is. Wat betreft de impact op de risico’s voor de nationale veiligheid stellen de onderzoekers dat deze lastig vast te stellen is, doordat de inhoud van de toetsen en de gesignaleerde risico’s vertrouwelijk zijn. De WOZT heeft waarschijnlijk het nagestreefde doel bereikt, namelijk het beperken van ongewenste zeggenschap of significante invloed.
De overname van Solvinity die cruciale overheidsdiensten levert aan onder meer het ministerie van Justitie en Veiligheid is behoorlijk zorgelijk voor de Nederlandse Overheid. Belangrijke aandeelhouders zijn Vanguard en BlackRock. Solvinity beheert de complete basisinfrastructuur voor overheidsdiensten zoals DigiD, MijnOverheid en Digipoort (via Logius, agentschap van het ministerie van Binnenlandse Zaken). De overname baart de 2e Kamer ernstige zorgen vanwege mogelijke impact op data-soevereiniteit en compliance. Nederland zou dan niet alleen de software, maar ook de hosting en data-opslag uitbesteden aan ditzelfde blok Amerikaanse multinationals. BIT, dat tegenwoordig AcICT heet, stak daar een stokje voor en adviseerde de Staatssecretaris negatief over deze dubieuze overname, waarna de Solvinity deal 26 mei 2026 werd afgeblazen. Het gevaar is echter nog niet helemaal geweken omdat de wettelijke basis waarop het besluit door de Staatssecretaris is genomen wettelijk niet goed is onderbouwt. De gebruikte WOZT is niet gemaakt voor dit soort kwesties. De gebruikte Wet Ongewenste Zeggenschap Telecommunicatie werd in 2020 in het leven geroepen met als doel het beschermen van de nationale veiligheid en openbare orde door te voorkomen dat bepaalde telecommunicatiepartijen in handen vallen van partijen die hun zeggenschap kunnen gebruiken om deze te schaden. Solvinity is echter geen telecommunicatiebedrijf, het bedrijf levert ook clouddiensten aan het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV), waaronder beveiligde netwerken, waardoor het besluit op juridisch drijfzand is gebouwd. De wet stelt ook niet in algemene zin dat Nederlandse soevereiniteit in gevaar komt door buitenlandse wetgeving. Er moet sprake zijn van een bedreiging van het publieke belang.
WUP/Wetsvoorstel Wet Urgente Persoonsvermissingen (In internetconsultatie sinds 12 mei 2026)
Politie mag sneller telefoongegevens gebruiken bij urgente vermissingen
Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft een nieuw wetsvoorstel gemaakt. Dit voorstel geeft de politie de officiële toestemming om telefoongegevens en locaties te bekijken als iemand dringend vermist wordt, zónder dat er sprake is van een misdrijf. Tot nu toe was hier een gat in de wet: de politie mocht dit bij gewone hulpverlening eigenlijk niet zelf eisen en was volledig afhankelijk van de goede wil en medewerking van telefoonmaatschappijen.
Deze nieuwe regels zijn nadrukkelijk niet bedoeld voor vermissingen waarbij direct aan een misdrijf wordt gedacht (zoals een ontvoering), of wanneer iemand wegloopt uit een verplichte ggz-instelling. Daar bestaan al andere regels voor.
Een vermissing is officieel ‘urgent’ als de verblijfplaats van iemand onbekend is én er duidelijke signalen zijn dat de gezondheid of veiligheid in gevaar is. Denk hierbij aan dreigende zelfdoding, jonge kinderen, mensen die afhankelijk zijn van levensreddende medicijnen, of extreme weersomstandigheden. Een hulpofficier van justitie doet de aanvraag, waarna de officier van justitie (de aanklager) beslist of de vermissing inderdaad dringend is. De overheid schat dat dit per jaar om 3.000 tot 4.500 vermissingen gaat, op een totaal van 30.000 meldingen. De kosten hiervoor worden geschat op 3,1 miljoen euro per jaar.
Het voorstel geeft de politie en justitie een aantal duidelijke instrumenten:
- De politie mag direct naam-, adres- en woonplaatsgegevens opvragen, net als IP-adressen en simkaartnummers. Hier is vooraf geen toestemming van een rechter voor nodig.
- Justitie mag opvragen met wie, wanneer en hoe vaak de vermiste persoon heeft gecommuniceerd en welke zendmasten de telefoon heeft aangeraakt. Dit mag voor gegevens uit het verleden of voor de komende twee weken. Let op: de inhoud van de berichten of gesprekken (wat er is gezegd of sms’t) mag absoluut niet worden ingezien.
- De politie krijgt toestemming om de telefoon live en intensief te volgen via technische hulpmiddelen (zoals een onzichtbaar sms-signaal of speciale peilapparatuur).
- Als er sprake is van direct levensgevaar en er is geen tijd om op toestemming te wachten, mag de politie direct de locatie- en telefoongegevens opeisen. Een rechter controleert dit dan achteraf. Keurt de rechter de actie af? Dan moeten alle gegevens meteen worden vernietigd.
Om te voldoen aan strenge Europese privacyregels, moet er voor het peilen en het opvragen van de belgeschiedenis altijd eerst toestemming worden gevraagd aan een onafhankelijke rechter (de rechter-commissaris). De officier van justitie mag dit niet alleen beslissen. Een vermissing kan gaandeweg immers veranderen in een strafzaak, waardoor justitie niet meer als onafhankelijke partij wordt gezien.
Normaal gesproken valt de politie bij hulpverlening onder het gezag van de burgemeester. Uniek aan deze wet is dat de leiding bij een urgente vermissing tijdelijk overgaat naar de officier van justitie. Vermissingen stoppen immers niet bij de gemeentegrens. Bovendien kan justitie zo direct doorschakelen als blijkt dat er tóch opzet of een misdrijf in het spel is. Als de urgentie voorbij is en de persoon is nog weg, krijgt de burgemeester de leiding weer terug.
De wet krijgt een eigen, heel streng privacyregime. De verzamelde telefoongegevens moeten uiterlijk vier maanden nadat het vermissingsonderzoek is afgerond worden vernietigd (bij de normale politiewet is dat pas na vijf jaar). Justitie mag de gegevens daarna alleen nog gebruiken voor een ánder dringend vermissingsonderzoek, of voor de opsporing van een zwaar misdrijf waar minimaal vier jaar gevangenisstraf op staat. Daarnaast is er een informatieplicht: de vermiste persoon krijgt achteraf altijd schriftelijk te horen dat zijn of haar telefoondata zijn ingezet.
Hoewel veel partijen blij zijn dat de politie hiermee sneller levens kan redden, is er ook kritiek. Critici waarschuwen voor ‘functie-verschuiving’ (function creep): het gevaar dat deze zware opsporingsmiddelen in de toekomst ook voor minder dringende zaken worden gebruikt omdat de regels vrij ruim zijn opgeschreven.
Ook wordt er gewezen op volwassenen die het recht hebben om vrijwillig te verdwijnen, bijvoorbeeld als ze vluchten voor huiselijk geweld. De wet houdt hier rekening mee: de politie moet het onderzoek staken zodra duidelijk wordt dat een volwassen, wilsbekwame persoon bewust is weggegaan en absoluut niet gevonden wil worden. Dit voorstel is een stuk compacter dan een eerdere versie uit 2017 (toen wilde men ook bankgegevens en ov-kaarten kunnen inzien) en sluit nu nauw aan bij het vernieuwde Wetboek van Strafvordering dat onlangs is gepubliceerd.
Vrije toegang tot het recht onder druk: 40% van de Nederlanders dreigt buiten de boot te vallen
De rechtsbescherming van een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking staat op het spel. Uit onderzoek van het Kenniscentrum Stelsel Gesubsidieerde Rechtsbijstand blijkt dat het aantal sociaal advocaten de afgelopen tien jaar met 22 procent is gedaald. De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) luidt de noodklok, omdat deze afname de komende jaren naar verwachting zal versnellen.
De toekomst van de sociale advocatuur ziet er somber uit: ongeveer een derde van de huidige pro-deo-advocaten gaat binnenkort met pensioen, terwijl er nauwelijks nieuwe aanwas is. Dit is extra verontrustend omdat maar liefst 40 procent van de Nederlanders een inkomen of vermogen heeft dat te laag is om zelf een advocaat te bekostigen. Zij zijn voor hun toegang tot het recht volledig afhankelijk van gesubsidieerde bijstand.
In bepaalde regio’s, zoals Noordoost-Groningen, zijn sociaal advocaten nu al vrijwel onvindbaar. Deken Sanne van Oers van de NOvA waarschuwt dat burgers in een enorme zoektocht belanden en vaak zijn aangewezen op advocaten ver buiten hun eigen regio. Hoewel het kabinet jaarlijks 30 miljoen euro extra uittrekt, is dit volgens de Orde onvoldoende. De huidige financiering biedt kantoren geen ruimte om jong talent op te leiden, waardoor de kweekvijver voor nieuwe advocaten opdroogt.
Niet alleen een gebrek aan geld, maar ook verouderde regels voor de inrichting van advocatenkantoren belemmeren de toegankelijkheid van het recht. Dat concludeert het WODC in het rapport Moderne praktijkstructuren voor advocaten. Met name mensen met een middeninkomen en het mkb vallen nu vaak buiten de boot omdat rechtshulp te duur of onbereikbaar is.
De belangrijkste knelpunten:
- Starre regels: Advocaten mogen nu nauwelijks samenwerken met andere professionals of kapitaal van buitenaf (niet-advocaten) aantrekken.
- Focus op beroepsgroep: De huidige regels beschermen weliswaar de onafhankelijkheid, maar houden te weinig rekening met het maatschappelijk belang van betaalbare hulp.
- Voorgestelde vernieuwingen op korte termijn:
Om het tij te keren, noemen onderzoekers drie vormen die op korte termijn lucht kunnen bieden: - Hulp voor onverzekerden: Advocaten bij schadekantoren moeten ook mensen zonder verzekering kunnen bijstaan.
- Stichtingen voor sociale rechtshulp: Overkoepelende stichtingen die zelfstandige advocaten in dienst nemen om de administratieve en financiële druk te verlichten.
- Netwerkorganisaties: Betere samenwerking tussen kleine kantoren voor gedeelde backoffice-taken (zoals IT en administratie) om de kosten te drukken.
Op de langere termijn pleiten de onderzoekers voor het toelaten van extern kapitaal in advocatenkantoren. Om dit mogelijk te maken, moet de regelgevende macht op termijn mogelijk verschuiven van de NOvA naar een onafhankelijke instantie, zodat het maatschappelijk belang van toegankelijke rechtshulp zwaarder gaat wegen dan de belangen van de beroepsgroep zelf.
Het kabinet wil de rechtsbijstand voor verdachten in het strafproces uitbreiden. Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid Claudia van Bruggen heeft daarvoor een wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel versterking rechtsbijstand in het strafproces geeft verdachten in meer gevallen recht op kosteloze rechtsbijstand door een advocaat, bijvoorbeeld voorafgaand aan een eerste verhoor door de politie, en bij verdachten die op vrije voeten zijn en wiens zaak door het Openbaar Ministerie (OM) wordt afgedaan met een strafbeschikking.
Het wetsvoorstel versterkt de rechtsbijstand voor verdachten op meerdere manieren. Zo hebben voortaan alle verdachten van een misdrijf waarop een gevangenisstraf staat van vier jaar of meer standaard recht op een kosteloos gesprek met een advocaat voordat zij na een aanhouding door de politie worden verhoord. Deze advocaat kan dan ook aanwezig zijn bij het verhoor. Minderjarige en kwetsbare meerderjarige verdachten van misdrijven die niet vastzitten en worden uitgenodigd voor een verhoor door de politie krijgen met het wetsvoorstel standaard een advocaat aangewezen voor rechtsbijstand bij het verhoor.
Ook als een zaak door het OM wordt afgedaan met een strafbeschikking heeft een verdachte recht op rechtsbijstand. Dit wordt met het wetsvoorstel wettelijk vastgelegd en uitgebreid. Voortaan hebben verdachten die een strafbeschikking krijgen als zij op vrije voeten zijn recht op een kosteloos, informatief gesprek met een advocaat. Als zij zijn aangehouden, hebben ze ook recht op kosteloze rechtsbijstand voordat zij de strafbeschikking ontvangen.
De uitbreiding van rechtsbijstand van verdachten draagt bij aan de uitvoering van het coalitieakkoord, waarin is opgenomen dat het kabinet investeert in de toegang tot het recht. De uitbreiding van de rechtsbijstand wordt geregeld door het wijzigen van het huidige Wetboek van Strafvordering. Momenteel wordt gewerkt aan een nieuw Wetboek van Strafvordering. Nadat het wetsvoorstel is aangenomen door de Eerste Kamer zullen de wijzigingen ook worden doorgevoerd in het nieuwe wetboek. De kosten die gepaard gaan met de uitbreiding van de rechtsbijstand, bijvoorbeeld voor vergoedingen voor de advocatuur en de grotere werklast voor betrokken organisaties, worden vanuit het reguliere budget voor rechtsbijstand betaald.
Raad voor Rechtsbijstand roept op tot nauwkeurige urenregistratie
De Raad voor Rechtsbijstand (RvR) benadrukt het belang van een nauwkeurige urenregistratie door advocaten en mediators die werken op basis van toevoegingen. Hoewel zij doorgaans een vaste forfaitaire vergoeding per zaak ontvangen en de daadwerkelijk bestede tijd meestal geen directe invloed heeft op de hoogte van die vergoeding, vraagt de RvR om gewerkte uren consequent te registreren en bij declaraties op te geven.
De oproep houdt verband met de komende evaluatie van de puntentoekenning binnen het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand. De forfaitaire vergoedingen zijn gebaseerd op de gemiddelde tijdsbesteding per zaakstype. Volgens de RvR zijn betrouwbare en volledige tijdsregistraties essentieel om deze vergoedingen periodiek te toetsen en waar nodig aan te passen.
Aanleiding voor de oproep vormt onder meer het onderzoek van de Commissie Van der Meer II naar de aansluiting tussen de forfaitaire vergoedingen en de daadwerkelijke tijdsbesteding van advocaten en mediators. Het onderzoek, uitgevoerd door Cebeon in opdracht van het WODC, laat zien dat de herijking van de puntentoekenning in 2022 heeft geleid tot een betere aansluiting bij de praktijk. Voor veel zaakscodes is het verschil tussen de forfaitaire vergoeding en de gemiddelde tijdsbesteding kleiner geworden.
Toch blijkt uit het onderzoek dat rechtsbijstandverleners nog steeds regelmatig meer uren besteden aan zaken dan waarvoor zij worden vergoed. Bij standaardzaken ligt de werkelijke tijdsbesteding in ongeveer 70 tot 75 procent van de gevallen hoger dan het aantal toegekende forfaitaire punten. De grootste verschillen doen zich voor binnen het arbeidsrecht, familierecht, verbintenissenrecht en asielrecht.
Eerdere onderzoeken wezen al uit dat geregistreerde uren niet altijd een volledig beeld geven van de daadwerkelijk bestede tijd. Omdat de urenregistratie doorgaans geen directe invloed heeft op de vergoeding, ontbreekt volgens onderzoekers vaak de prikkel om alle uren nauwkeurig vast te leggen.
Ook uit een enquête onder rechtsbijstandverleners blijkt dat de huidige puntentoekenning weliswaar als een verbetering wordt gezien ten opzichte van het oude systeem, maar volgens velen nog onvoldoende aansluit bij de feitelijke tijdsinvestering. Daarnaast ervaren veel respondenten dat ook piketdiensten structureel te laag worden vergoed.
Nieuwe Europese rechtsvorm voor bedrijven: de Societas Europaea Unificata (S.EU)
Europa werkt aan een een volledig nieuwe Europese rechtsvorm voor bedrijven: de Societas Europaea Unificata, kortweg S.EU. Het Europees Parlement heeft de Europese Commissie opgeroepen om hier aan te werken. Deze nieuwe Europese ondernemingsvorm moet bedrijven de mogelijkheid geven om met één juridische structuur in de hele Europese Unie actief te zijn. Het voorstel voor de S.EU maakt deel uit van een breder concept dat vaak wordt aangeduid als het ‘28ste regime’. Dit betekent dat er naast de bestaande nationale rechtsstelsels van de 27 EU-lidstaten een optioneel, uniform Europees juridisch kader komt. Bedrijven kunnen dan zelf kiezen of ze onder hun nationale wetgeving blijven opereren of overstappen naar dit nieuwe Europese regime.
Het doel is vooral om de fragmentatie van regelgeving binnen de Europese interne markt te verminderen. Vandaag de dag moeten bedrijven die in meerdere lidstaten actief willen zijn vaak in elk land een afzonderlijke juridische entiteit oprichten. Dat brengt administratieve lasten, extra kosten en juridische complexiteit met zich mee.
Europa kent al enkele grensoverschrijdende rechtsvormen. De bekendste daarvan is de Societas Europaea (SE), een Europese naamloze vennootschap die sinds 2004 bestaat. Deze structuur wordt vooral gebruikt door grote multinationals om hun activiteiten in meerdere EU-landen te organiseren.
Een belangrijk motief achter het voorstel is de concurrentiepositie van Europa. Veel Europese start-ups groeien moeilijk door tot grote internationale bedrijven, mede door de versnippering van regelgeving. Met een uniforme Europese rechtsvorm zouden jonge bedrijven eenvoudiger kapitaal kunnen aantrekken, sneller nieuwe markten kunnen betreden en minder tijd kwijt zijn aan juridische structuren. Vooral technologie- en platformbedrijven zouden daarvan profiteren.
AI-ontwikkelingen
Er bestaat binnen de technologiesector en op financiële markten aantoonbare onzekerheid over de gevolgen van snelle AI-ontwikkelingen voor gevestigde softwarebedrijven. Deze zorgen richten zich vooral op bedrijven waarvan het verdienmodel leunt op kennisintensieve diensten zoals informatieverwerking data-analyse en juridisch ondersteunend werk. De introductie van een nieuwe AI-tool van het Amerikaanse bedrijf Anthropic die specifiek is ontwikkeld voor het automatiseren van juridisch werk versterkte deze onzekerheid en leidde tot koersreacties op Europese beurzen. De kern van de vrees is dat geavanceerde generatieve AI in staat is taken over te nemen die traditioneel door gespecialiseerde software en hoogopgeleide professionals worden uitgevoerd waardoor bestaande softwareoplossingen aan relevantie kunnen verliezen en prijsdruk kan ontstaan binnen de bredere informatie- en datasector.
Drie kinderrechters van rechtbank Den Haag beschuldigd van ambtsmisbruik
Loterijverlies heeft formele beschuldigingen ingediend tegen de kinderrechters Kelkensberg, Seinen en Dam wegens valsheid in geschrifte en ambtsmisbruik. Dit volgt op een omstreden vonnis van 8 april 2026, waarin de Staatsloterij ongeveer 800.000 euro aan proceskosten werd toegekend.
Loterijverlies stelt dat de rechters bewust onjuiste rechtsoverwegingen toepasten, bewijs negeerden en oordeelden in het voordeel van een collega-rechter, mr. Hendriksen, die tegelijkertijd advocaat was voor de Staatsloterij. Dit vormt volgens hen een fundamenteel belangenconflict. Een wrakingsverzoek wegens mogelijke partijdigheid werd afgewezen en Loterijverlies kreeg een wrakingsverbod opgelegd. Daarnaast voert Loterijverlies aan dat de toegewezen kosten onterecht werden geschat, bewijs niet correct werd behandeld, het beginsel van hoor en wederhoor werd geschonden en verjaring van de vordering niet is meegewogen.
Loterijverlies vraagt de rechters tijdelijk op non-actief te stellen, kondigt hoger beroep aan en wil strafrechtelijke vervolging. De zaak is gemeld bij de AIVD en de president van de Hoge Raad.
Medeplichtige moordverdachte vrijgelaten door gebrek aan tolk
De 32-jarige Henrik J., van Satudarah die volgens justitie de motor bestuurde tijdens een mislukte aanslag op de Sittardse crimineel Anthy P. in september 2020 mocht naar huis in plaats van naar zijn cel. Terwijl het OM in het hoger beroep juist inzette op een fors hogere straf, zorgde een administratieve misser er 2 december 2025 voor dat de rechtbank in Den Bosch geen andere keuze zag dan hem vrij te laten. De zaak draait om een gewelddadig incident waarbij slachtoffer Anthy P. onder vuur werd genomen door de duopassagier op een motor die werd bestuurd door Henrik J. Zijn medeverdachte en clubgenoot Vince C. (40) die trekker overhaalde bekende eerder al te hebben geschoten vanwege een conflict met het slachtoffer en moest wel in de cel blijven.
De rechtbank in Maastricht veroordeelde Vince C. tot 12,5 jaar cel en Henrik J. kreeg eerder een straf van 5 jaar en 9 maanden. Het Openbaar Ministerie vond die straffen echter veel te laag en ging in hoger beroep en eisten maar liefst 18 jaar tegen Henrik J. Het Gerechtshof in Den Bosch had het OM expliciet de opdracht gegeven om een tolk te regelen voor de Deenssprekende verdachte. Dat bleek echter niet gelukt. Omdat de zaak hierdoor noodgedwongen moet worden uitgesteld tot halverwege 2026, vroegen de advocaten van Henrik J. met succes om zijn voorlopige hechtenis op te heffen. Volgens zijn advocaat Cem Polat zit zijn cliënt simpelweg al te lang vast zonder definitief oordeel. Het blijkt overigens niet de eerste keer dat de communicatie stroef verloopt. Volgens de verdediging waren er tijdens eerdere zittingen ook al problemen, variërend van tolken die verkeerd vertaalden tot momenten waarop er helemaal geen vertaler aanwezig was.
Het hof heeft Henrik J. nu onder voorwaarden vrijgelaten in afwachting van het proces. De schutter, Vince C., blijft voorlopig wel achter de tralies. De inhoudelijke behandeling laat door het tolk-probleem nog zeker een half jaar op zich wachten.
Advocatencontact zware criminelen beperkt per 1 november
Vanaf 1 november 2025 gelden strengere regels voor het contact van gedetineerden in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) en op Afdelingen Intensief Toezicht (AIT). De wijziging van de Penitentiaire beginselenwet (Pbw) beperkt het aantal advocaten met wie zij vertrouwelijk contact mogen hebben tot maximaal twee.
Deze maatregel, die ook visueel toezicht op gesprekken met advocaten mogelijk maakt, is ingevoerd om te voorkomen dat zware criminelen vanuit detentie berichten uitwisselen en hun criminele netwerk aansturen, naar aanleiding van eerdere incidenten. Advocaten hebben hierover forse kritiek geuit vanwege de inbreuk op het vrije en vertrouwelijke verkeer met hun cliënt.
Een groep van 46 strafadvocaten heeft aangekondigd het bezoeken van cliënten in de zwaarste gevangenisregimes tijdelijk stop te zetten. In een brief aan presidenten van rechtbanken en gerechtshoven en de hoofdofficieren van justitie leggen zij uit dat dit protest betreft tegen nieuwe regels die de vertrouwelijkheid van communicatie met hun cliënten in gedrang brengen. Volgens de advocaten vormt die vertrouwelijke communicatie een essentieel onderdeel van de rechtsbijstand, en door de nieuwe maatregelen in bijvoorbeeld de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught is deze niet langer gegarandeerd. Door het protest dreigen strafprocessen en de voorbereidingen daarvan stil te vallen.
De brief is opgesteld door Sander Janssen en Laura Versluis en medeondertekend door 44 collega’s. Per 1 november is de vernieuwde Penitentiaire Beginselenwet van kracht geworden, met strengere veiligheidsmaatregelen in zwaarbeveiligde inrichtingen. De advocaten wijzen vooral op het uitgebreide visuele toezicht, dat volgens hen vertrouwelijke communicatie onmogelijk maakt.
In de afgelopen maanden is vanuit de advocatuur en de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) herhaaldelijk geprobeerd duidelijkheid te krijgen over de praktische uitvoering van het toezicht, maar veel vragen zijn onbeantwoord gebleven. De NOvA meldde vorige week aan strafrechtadvocaten dat er onvoldoende waarborgen zijn om de vertrouwelijkheid in de praktijk te garanderen, iets wat advocaten zelf ook hebben vastgesteld. Daarnaast ontbreekt volgens hen informatie over het opslaan en vernietigen van beeld- en geluidsopnamen.
De strenge regels gelden niet alleen voor de EBI, maar ook voor inrichtingen met een Afdeling voor Intensief Toezicht (AIT). In deze afdelingen houden camera’s voortdurend zicht op het gezicht van advocaat en verdachte, en spreken met de hand voor de mond is verboden.
De advocaten schrijven dat het opschorten van cliëntenbezoek grote gevolgen zal hebben voor de planning van zaken van verdachten in de EBI en AIT. Zij hopen dat de situatie snel wordt opgelost en dat zij hun werk kunnen hervatten nadat het ministerie van Justitie en Veiligheid en de Dienst Justitiële Inrichtingen hun zorgen serieus nemen.
Gevangenen en tbs’ers konden vanuit hun cel het internet op met speciale laptops die ze van justitie hadden gekregen, terwijl dat niet de bedoeling was. De toegang tot internet bleek niet goed te zijn afgesloten, meldt demissionair staatssecretaris Arno Rutte (Justitie en Veiligheid).Gedetineerden kunnen de laptop krijgen om hun strafdossier te lezen. Dat dossier staat op een usb-stick die ze ook krijgen. Zo kunnen ze zich voorbereiden op een strafzaak. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft ongeveer vijfhonderd laptops beschikbaar en in 110 daarvan was toegang tot internet niet goed geblokkeerd. Dat kwam aan het licht bij een controle door een medewerker beveiliging van een gevangenis. De laptops zijn teruggehaald en worden hersteld. Ze waren aan gevangenen in “een groot deel van de DJI-inrichtingen” gegeven, maar niet aan mensen in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught. Het is nog niet duidelijk of gedetineerden ook echt online zijn geweest door de fout.
Benoeming lid Raad voor de rechtspraak
De Financial Intelligence Unit-Nederland (FIU)
FIU-Nederland, vormt het cruciale fundament in de nationale en internationale strijd tegen financieel-economische criminaliteit. Op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme fungeert deze organisatie als het centrale meldpunt waar wettelijk aangewezen instellingen verplicht zijn om ongebruikelijke transacties te rapporteren. De missie van de FIU is helder en tweeledig, zij richt zich enerzijds op het waarborgen van de integriteit van het financiële stelsel en anderzijds op het effectief bestrijden en voorkomen van witwassen, terrorismefinanciering en onderliggende delicten. Dit doel wordt bereikt door intensief samen te werken met zowel publieke als private partners, waarbij het verzamelen van waardevolle financiële inlichtingen en het vroegtijdig signaleren van nieuwe criminele trends en fenomenen centraal staan.
Om deze poortwachtersfunctie effectief in te vullen, wijst de wetgeving diverse sectoren aan als meldingsplichtige instellingen. Deze uiteenlopende groepen, waaronder banken, notarissen, betaaldienstverleners, kunsthandelaren en casino’s, opereren als de voelsprieten van het financiële systeem. Zij zijn verplicht om hun dagelijkse cliëntenactiviteiten nauwkeurig te monitoren en transacties die afwijken van het normale patroon direct door te geven aan de FIU-Nederland. Zodra deze meldingen binnenstromen, start de FIU een diepgaand analyseproces om te beoordelen of een ongebruikelijke transactie daadwerkelijk als verdacht kan worden aangemerkt. Is dat het geval, dan worden de verrijkte financiële data onverwijld gedeeld met opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten, waardoor de gehele veiligheidsketen wordt geactiveerd en versterkt.
De noodzaak van dit fijnmazige netwerk is direct terug te voeren op de omvang en het innovatieve karakter van de Nederlandse economie. Het omvangrijke, internationale en hoogtechnologische financiële stelsel biedt weliswaar ongekende kansen voor legitieme handel en economische groei, maar trekt onvermijdelijk ook criminelen aan. Of het nu gaat om de miljardenstromen achter drugshandel, wapenhandel, fraude, mensenuitbuiting of milieucriminaliteit, vrijwel elke vorm van zware misdaad is uiteindelijk gedreven door geldelijk gewin. Wanneer dit criminele vermogen ongehinderd door de economie stroomt, ontstaat er een toxisch effect dat legitieme ondernemers wegconcurreert via oneerlijke concurrentie, criminele netwerken in het zadel houdt en het fundamentele vertrouwen in maatschappelijke instituten ondermijnt. Hoewel de exacte cijfers per definitie schimmig blijven, schatten experts dat er jaarlijks vele miljarden euro’s aan crimineel geld door Nederland worden gesluisd. Het schoonhouden van dit systeem is dan ook een gedeelde verantwoordelijkheid die de FIU samen met haar binnen- en buitenlandse partners draagt.
Omdat kapitaalstromen en criminele netwerken zich niet laten stoppen door landsgrenzen, is de blik van de FIU-Nederland per definitie grensoverschrijdend. De organisatie maakt deel uit van een mondiaal netwerk en werkt intensief samen met meer dan 165 zusterorganisaties wereldwijd om informatie uit te wisselen en internationale constructies bloot te leggen. Deze operationele slagkracht rust op een solide juridische en organisatorische basis. Hoewel de wettelijke grondslag van de FIU-Nederland is verankerd in de wetgeving die wordt uitgevaardigd door het Ministerie van Financiën, en de politieke verantwoordelijkheid rust bij de minister van Justitie en Veiligheid, opereert de unit volledig zelfstandig en onafhankelijk. Om te kunnen werken binnen de strengst beveiligde data-omgevingen is de FIU beheersmatig ondergebracht bij de politie, wat de unieke positie van deze organisatie als onafhankelijke spin in het web van financiële inlichtingen compleet maakt.
Vanaf 1 juli 2026 krijgt FIU-Nederland het recht om meldingsplichtige entiteiten te verzoeken een transactie tijdelijk te bevriezen. Dit zogeheten opschortingsverzoek is bindend en de ontvangende partij is wettelijk verplicht hieraan onverwijld gehoor te geven.
De bevoegdheid wordt ingezet wanneer FIU-Nederland tijdens een analyse sterke aanwijzingen constateert van witwassen, onderliggende delicten of terrorismefinanciering. Na een verzoek mag de betrokken instelling de transactie maximaal vijf werkdagen tegenhouden. Gaat het om een verzoek namens een buitenlandse FIU, dan geldt een maximumtermijn van tien werkdagen. In die periode analyseren FIU-Nederland of de buitenlandse partner de transactie verder, waarna wordt bepaald of aanvullende maatregelen nodig zijn. De bevoegdheid wordt uitsluitend proportioneel en op gefundeerde gronden ingezet.
Het praktische doel is te voorkomen dat crimineel vermogen wordt weggesluisd voordat opsporingsdiensten de kans krijgen beslag te leggen. Bovendien versterkt de nieuwe bevoegdheid de internationale samenwerking, want veel buitenlandse FIU’s beschikken hier al over. In de praktijk zullen vooral banken, cryptodienstverleners en betaalinstellingen met verzoeken te maken krijgen.
Een aandachtspunt in het moderne betalingslandschap is de opkomst van instant payments. Wanneer een transactie al is uitgevoerd op het moment van het verzoek, is opschorting niet meer mogelijk. In dat geval dient de instelling een tegoed ter hoogte van het transactiebedrag te blokkeren, voor zover er saldo aanwezig is. Na het verstrijken van de termijn wordt het geblokkeerde tegoed vrijgegeven, tenzij er beslag wordt gelegd door een opsporingsdienst.
Zodra een transactie is opgeschort, moet de meldingsplichtige instelling haar cliënt hierover direct informeren. Dit vormt geen schending van het tipping-offverbod uit artikel 23 van de Wwft, dat uitsluitend betrekking heeft op meldingen van ongebruikelijke transacties. Instellingen die een opschortingsverzoek opvolgen, zijn bovendien wettelijk beschermd tegen aansprakelijkheid voor eventuele schade die de cliënt hierdoor lijdt.
De bevoegdheid treedt op 1 juli 2026 in werking op grond van artikel 17a Wwft en wordt per 10 juli 2027 verankerd in de nieuwe Implementatiewet ter voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering. Daarnaast werkt de Europese Unie aan een breder AML-pakket dat FIU’s een vergelijkbare, maar iets ruimere opschortingsbevoegdheid geeft. Dit pakket treedt naar verwachting medio 2027 in werking.
Het wetsvoorstel Versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit II is op 2 oktober 2025 aangenomen door de Tweede Kamer. Het versterkt de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende criminaliteit via wijzigingen in o.a. het Wetboek van Strafrecht en de Wwft. Belangrijk is de uitbreiding van de bevoegdheden van de FIU-Nederland. Die mag nu een financiële transactie tijdelijk (maximaal vijf werkdagen) laten aanhouden als er aanwijzingen zijn voor witwassen of terrorismefinanciering. Deze bevoegdheid geldt voorlopig alleen voor banken.Vanaf juli 2027 moeten alle meldingsplichtige instellingen in de EU, zoals makelaars en cryptobedrijven, onder deze regeling vallen. Daarnaast kunnen meldingen aan de FIU in een strafdossier op verzoek geanonimiseerd worden, om melders te beschermen tegen druk of reputatieschade. De FIU blijft echter wel weten wie de melder is.
Conceptwetsvoorstel Zelfstandig Gebiedsverbod
Het wetsvoorstel “Wet zelfstandig gebiedsverbod ter bescherming van slachtoffers en nabestaanden” beoogt slachtoffers van ernstige gewelds-, levens- en zedendelicten bescherming te bieden tegen ongewenste confrontaties met de dader na afloop van diens straf. Het voorstel is bedoeld om te waarborgen dat daders niet terugkeren naar de woonomgeving van het slachtoffer, wat vaak tot hernieuwde stress, angst en victimisatie leidt. Het gebiedsverbod, dat kan worden opgelegd na detentie of voorwaardelijke invrijheidstelling, is een zelfstandige maatregel naast bestaande wettelijke instrumenten, die vaak beperkt zijn in tijd of toepassing. Het gebiedsverbod kan worden opgelegd door de strafrechter, op vordering van het Openbaar Ministerie (OM), en geldt voor een bepaalde periode, met mogelijke verlenging afhankelijk van de situatie. De rechter bepaalt de omvang van het verbod, dat kan variëren van een straat tot een stad. Overtreding van het verbod is strafbaar, en toezicht wordt uitgevoerd door de reclassering en de politie. Het wetsvoorstel voorziet in bescherming tegen secundaire victimisatie en sluit aan bij Europese richtlijnen voor slachtoffers. Het legt de verantwoordelijkheid voor het vermijden van confrontaties bij de dader, niet bij het slachtoffer, en zorgt voor meer rust en veiligheid voor slachtoffers en nabestaanden. De regeling versterkt het recht op privéleven (art. 8 EVRM) en biedt een blijvend juridisch instrument voor de bescherming van slachtoffers na het verstrijken van de straf.
Extra middelen voor de Rechtspraak vanaf 2026
Vanaf 2026 krijgt de Rechtspraak structureel oplopend tot 50 miljoen euro per jaar extra. Deze investering moet onder meer worden ingezet voor familie- en jeugdrecht, vernieuwing en het verlagen van de werkdruk. Maar het geld is ook bedoeld om de gevolgen van veranderende wet- en regelgeving en uitspraken van de Hoge Raad en het Europese Hof financieel op te vangen. Daarnaast wordt de toename in complexiteit en zwaarte van zaken erkend, zoals blijkt uit een tijdbestedingsonderzoek onder bijna vierduizend rechters en medewerkers.
De middelen maken het mogelijk door te gaan met belangrijke ontwikkelingen: de opleiding van extra rechters, verdere digitalisering en wijkrechtspraak. Tegelijkertijd wijst de Raad op toekomstige aandachtspunten, zoals (digitale) weerbaarheid, die richting een nieuw kabinet nadrukkelijk op de agenda moeten blijven staan.
Vanwege groeiende dreigingen in binnen- en buitenland trekt het ministerie van Justitie en Veiligheid extra geld uit voor de nationale weerbaarheid. In 2026 wordt hiervoor 25 miljoen euro beschikbaar gesteld. Vanaf 2027 loopt dit bedrag op naar 70 miljoen euro structureel per jaar vanaf 2030. De investering richt zich onder meer op regionale en lokale weerbaarheid, steunpunten in noodsituaties en de publiekscampagne “Denk Vooruit”.
Ook het gevangeniswezen ontvangt extra middelen. Voor de huisvestingsproblematiek bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) stelt de regering vanaf 2028 jaarlijks 35 miljoen euro beschikbaar, oplopend naar een structurele investering van 50 miljoen vanaf 2031. Een deel van dit bedrag gaat naar de nieuwe Justitiële Jeugdinrichting (JJI) in Harreveld, die vanaf 2027 gefaseerd in gebruik zal worden genomen. Daar komen zeventig extra plaatsen beschikbaar, waardoor jongeren niet langer noodgedwongen in gewone gevangenissen terecht hoeven en cellen vrijkomen voor andere veroordeelden.
De rechtspraak krijgt een extra impuls van 50 miljoen euro. Dit bedrag is onder meer bestemd voor het familie- en jeugdrecht. Er komt meer zittingstijd beschikbaar en kinderen vanaf acht jaar worden standaard gehoord. Daarnaast worden pedagogisch medewerkers ingezet en worden opeenvolgende zaken van een gezin voortaan bij dezelfde jeugdrechter behandeld.
De sociale advocatuur krijgt ook extra middelen, vanaf 2027 structureel 30 miljoen euro. Vooruitlopend daarop wordt in 2026 al 15 miljoen euro ingezet om de vergoedingensystematiek te verbeteren. Zo worden puntenaantallen aangepast, het basistarief verhoogd en reiskostenvergoedingen voor mediators uitgebreid.
Financieel-economische criminaliteit in Miljoenennota en JenV-begroting 2026
De Miljoenennota 2026 en de JenV-begroting tonen dat de bestrijding van financieel-economische criminaliteit (FINEC) een structureel onderdeel vormt van het veiligheidsbeleid. Er is aandacht voor extra middelen, wetgeving, internationale samenwerking en beleidsmonitoring. Het OM krijgt in 2026 extra budget, onder meer voor loon- en prijsstijgingen, volumeontwikkelingen en de bestrijding van ondermijnende criminaliteit. Het aantal zaken op dit terrein blijft stijgen.
In 2026 worden ruim 10.700 zaken verwacht, tegenover 9.759 in 2024
FINEC is in de SEA opgenomen als apart subthema. Er lopen twee onderzoeken: de Monitor financieel-economische misdrijven en een evaluatie van interventies, beide in 2025 afgerond.
Dit borgt structurele beleidsmatige en wetenschappelijke aandacht.
De begroting onderscheidt vijf doelen:
- witwassen voorkomen
- ondergrondse bankiersystemen verstoren
- crimineel vermogen afpakken
- dit maatschappelijk herbestemmen en internationale samenwerking
- Witwasbestrijding wordt daarbij nadrukkelijk als essentieel benoemd
Nederland intensiveert de samenwerking met Europese landen, bron- en transitlanden in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied, en West-Afrikaanse landen. Doel is het verstoren van criminele netwerken en hun verdienmodellen.
Twee wetsimplementaties versterken het juridisch kader: de implementatiewet ter voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering, en de implementatie van de Europese Confiscatierichtlijn voor effectief afpakken van vermogen.
FINEC is in 2026 stevig verankerd in de veiligheids- en begrotingsagenda. Er is meer capaciteit bij het OM, structurele monitoring via de SEA, een brede aanpak van criminele geldstromen, versterkte internationale samenwerking en nieuwe wetgeving die zowel preventief als repressief werkt.
Financieel-economische criminaliteit in Miljoenennota en JenV-begroting 2026
De aanpak van financieel-economische criminaliteit (FINEC) is in 2026 een vast onderdeel van het veiligheidsbeleid. Er is aandacht voor extra middelen, capaciteit, internationale samenwerking, wetgeving en structurele evaluatie. de invoering van het nieuwe Sv direct doorwerkt in de begroting van het Openbaar Ministerie. Voor 2026 is een budget van € 1.551 miljoen beschikbaar, tegenover € 1.472 miljoen in 2025.
Het OM krijgt extra budget voor stijgende kosten, grotere werklast en de bestrijding van ondermijnende criminaliteit. Het aantal zaken neemt jaarlijks toe: ruim 10.700 in 2026, tegen 9.759 in 2024.
FINEC is een afzonderlijk subthema in de SEA. Twee onderzoeken lopen tot 2025: een monitor van financieel-economische misdrijven en een evaluatie van interventies. Dit borgt structurele beleids- en kennisontwikkeling. De aanpak richt zich op vijf doelen: voorkomen van witwassen, verstoren van ondergrondse bankiersystemen, afpakken en maatschappelijk herbestemmen van vermogen, en internationale samenwerking. Witwasbestrijding wordt aangemerkt als kernfunctie om criminele invloed te beperken.
Nederland intensiveert samenwerking in Europa, Latijns-Amerika, het Caribisch gebied en West-Afrika, gericht op het verstoren van criminele netwerken en financiële stromen. Nieuwe wetgeving versterkt de aanpak: de implementatiewet tegen witwassen en terrorismefinanciering en de uitvoering van de Europese Confiscatierichtlijn, die confiscatie van crimineel vermogen moet verbeteren. De begrotingsstukken maken duidelijk dat FINEC in 2026 structureel wordt aangepakt. Er is meer capaciteit bij het OM, structurele monitoring via de SEA, een brede strategie tegen criminele geldstromen, versterkte internationale samenwerking en nieuwe wetgeving die preventief en repressief werkt.
Van 9 tot en met 16 september 2025 openden diverse overheidsorganisaties en instituten hun deuren voor bezoekers, met activiteiten voor jong en oud om te laten zien welke rol zij spelen binnen onze rechtsstaat. Ook de Raad van State doet dit jaar weer mee. De opening vond plaats in de Gotische zaal van de Raad van State, met de muzikale en theatrale voorstelling GRANIET en toespraken van Monique Wesselink, Maxim Februari en Thom de Graaf. Bezoekers konden tijdens de Week onder andere een echte zitting van de Afdeling bestuursrechtspraak bijwonen Het gebouw van de Raad van State aan de Kneuterdijk is dan van 10.00 tot 16.30 uur geopend voor lezingen, presentaties en rondleidingen.
Cellentekort
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) voert namens de minister van Justitie en Veiligheid straffen en vrijheidsbenemende maatregelen uit die door de rechter zijn opgelegd. DJI is verantwoordelijk voor de dagelijkse zorg van justitiabelen en werkt op vele manieren met hen samen aan voorbereiding op terugkeer in de maatschappij. Met 50 locaties verspreid over het land en een personeelsbestand van 16.000 medewerkers is DJI een van de grootste overheidsorganisaties van Nederland. Jaarlijks stromen er ruim 30.000 nieuwe justitiabelen in. De insluiting vindt plaats in verschillende soorten inrichtingen. Er zijn gevangenissen en huizen van bewaring voor volwassenen, die penitentiaire inrichtingen (PI) worden genoemd. Er zijn ook speciale inrichtingen voor jongeren; Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI). Voor (tbs-)patiënten zijn er forensische psychiatrische centra (FPC) en voor vreemdelingen maakt DJI gebruik van detentiecentra (DC).
Sinds 15 juli 2025 is in Nederland de zogeheten eindverlofregeling van kracht, waardoor gevangenen met een straf van maximaal een jaar vervroegd de gevangenis kunnen verlaten, tot twee weken eerder dan gepland. Al sinds eind vorig jaar werden gevangenen aan het einde van hun straf enkele dagen eerder vrijgelaten vanwege hetzelfde probleem, maar toen bleef dit beperkt tot maximaal vijf dagen. Sinds de nieuwe regeling hebben 146 gevangenen hierdoor maximaal een week eerder hun straf kunnen uitzitten. De regeling is bedoeld als tijdelijke oplossing om overbevolking in gevangenissen te beperken en om het personeelstekort op te vangen. Alleen gedetineerden met korte straffen komen hiervoor in aanmerking.
In februari van 2025 maakte het Openbaar Ministerie (OM) bekend dat het de inzet van de strafbeschikking aanzienlijk wil intensiveren. Deze stap is ingegeven door het huidige cellentekort en de zogenaamde ‘code zwart’ die voor het Nederlandse gevangeniswezen geldt. Het OM wil met deze koerswijziging de strafbeschikking optimaal benutten en tegelijkertijd het aantal dagvaardingen terugdringen. Op deze manier verwacht het OM niet alleen bij te dragen aan het verlichten van het cellentekort, maar ook aan het verminderen van de druk op de krappe zittingscapaciteit binnen de rechtspraak.
Meer gedetineerden worden overdag vrijgelaten en mogen onder toezicht van bijvoorbeeld een enkelband, buiten de gevangenismuren werken. In de avond moeten ze dan weer terugkeren om in de cel te slapen. Staatssecretaris Van Bruggen van Justitie stelt met een actieplan verschillende proefmaatregelen voor. Ze wil de criteria verruimen zodat meer gevangenen mee mogen doen aan bestaande programma’s met buiten werken en binnen slapen. Een ander belangrijk punt in het actieplan is dat kortgestraften minder begeleiding krijgen bij terugkeer in de samenleving. Dat scheelt personeel, is het idee. En bovendien zou bij deze gedetineerden, die hooguit twaalf weken in de cel zitten, de focus op re-integratie toch minder nodig zijn.
Als dit soort maatregelen toch onvoldoende werken om de enorme tekorten op te lossen, denkt het kabinet aan nog meer noodmaatregelen. Nu al worden gevangenen, onder voorwaarden, twee weken eerder vrijgelaten om zo plaats te maken in de cellen. Het kabinet denkt eraan om dat te verlengen en mensen nog eerder vrij te laten. Maar dat is dus alleen een optie als het actieplan onvoldoende werkt. Nu komen gedetineerden alleen in aanmerking voor eerdere vrijlating als ze een gevangenisstraf van korter dan een jaar hebben gekregen. Als er tekorten blijven bestaan, denkt het kabinet eraan om ook die termijn op te rekken. Gevangenen die een straf hebben tot twee jaar zouden dan eerder vrijgelaten mogen worden. Maar ook dat is alleen een optie voor als het andere niet werkt. In de minderheidscoalitie is er veel discussie geweest over de maatregelen om ‘code zwart’ in de gevangenissen te bestrijden. De regeringspartijen zijn er bijvoorbeeld niet over uit hoeveel geld er nodig is om de problemen in het gevangeniswezen op te lossen.
Eerder zei de Dienst Justitiële Inrichtingen, die verantwoordelijk is voor de gevangenissen, dat er naast maatregelen ook honderden miljoenen euro’s per jaar nodig zijn om ervoor te zorgen dat iedereen wél helemaal zijn of haar straf kan uitzitten. Het kabinet heeft daarna wel extra geld uitgetrokken, maar niet meer dan 75 miljoen euro voor volgend jaar.
Ook de enkelband als straf moet het cellentekort verminderen. De manier waarop de reclassering het dragen van een enkelband uitvoert is duidelijk vastgelegd en voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. Ook het proces dat medewerkers moeten doorlopen is navolgbaar en duidelijk. Dat blijkt uit een op 15 januari 2026 gepubliceerd rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid (JenV) naar hoe de reclassering toezicht houdt op verdachten en veroordeelden die een enkelband dragen.
Uit onderzoek blijkt dat bij de inzet van een enkelband aandacht is voor de persoonlijke omstandigheden van de client, waarbij de reclassering oog heeft voor de maatschappelijke en persoonlijke risico’s. Dat maakt dat de enkelband vaker ingezet kan worden om zo de cellentekorten in de gevangenissen op te vangen, schrijft de Inspectie. In het gevangeniswezen is sprake van een groot probleem vanwege het cellentekort en personeelstekort. Door mensen in voorarrest in de gaten te houden via een enkelband en gedetineerden eerder naar huis te sturen met een enkelband, kan de druk op het gevangeniswezen afnemen. In 2024 waren er ruim 2700 mensen die een enkelband moesten dragen. Een groot deel van hen droeg een enkelband in afwachting van de uitspraak van een rechter of omdat ze onder voorwaarden eerder uit de gevangenis mochten. De Inspectie heeft ook een aantal knelpunten vastgesteld. Adviseurs van de reclassering hebben niet alle cliënten bij wie de enkelband van meerwaarde kan zijn, in beeld. Ook beschikt de reclassering niet altijd over relevante politie-informatie om te adviseren over de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de enkelband. Om te voorkomen dat de kwaliteit van de elektronische monitoring onder druk komt te staan, adviseert de inspectie om deze knelpunten op te pakken.
De aangekondigde beleidswijziging stuitte op kritiek vanuit verschillende hoeken. Tegenstanders vrezen dat het OM met het intensiever inzetten van de strafbeschikking de mogelijkheid van een gevangenisstraf in tienduizenden zaken feitelijk afschaft. Daarnaast bestaat er al langer algemene kritiek op de strafbeschikking zelf: de positie van slachtoffers zou onvoldoende worden gewaarborgd en de informatievoorziening aan verdachten laat te wensen over. Critici benadrukken dat een zorgvuldige afweging tussen efficiëntie en rechtvaardigheid cruciaal blijft, omdat het risico bestaat dat belangrijke waarborgen voor zowel slachtoffers als verdachten in het gedrang komen.
Vanaf maart 2025 worden eenvoudige civiele zaken in Den Haag, Overijssel, Rotterdam, Dordrecht en Zeeland en West-Brabant de komende drie jaar behandeld door een ‘regelrechter’, of een buurtrechter, een nieuwe laagdrempelige vorm van rechtspraak. De ‘regelrechter’ behandelt geschillen over arbeid, wonen of winkelen. Het moet gaan om geldbedragen kleiner dan 5000 euro, zoals een onbetaalde rekening of een conflict over achterstallig loon. Mensen met een arbeidsconflict kunnen ook terecht bij deze rechter. De regelrechter behandelt alleen geen ontslagzaken. aar . Het gaat om een proef van drie jaar en het ministerie van Justitie en Veiligheid verwacht dat de regelrechters jaarlijks zo’n vierhonderd zaken zullen afhandelen. Alleen zaken waarvoor geen advocaat of deurwaarder nodig is en waarvoor geen juridische stukken opgesteld hoeven te worden komen in aanmerking. Zaken kunnen online worden aangemeld met een eenvoudig formulier. Er wordt eerst gekeken of een zaak geschikt is, als dat zo is probeert de regelrechter tijdens een mondelinge behandeling te kijken of de partijen samen tot een oplossing kunnen komen. Als dat niet lukt, beslist de rechter alsnog. Dat gebeurt zo snel mogelijk na de zitting. Wie voor de regelrechter gedaagd wordt, is verplicht mee te doen met de procedure. Als een partij niet op komt dagen, doet de rechter bij verstek uitspraak. Minister van Hijum hoopt dat de regelrechter de drempel om naar de rechter te stappen lager maakt. “Te vaak komen werkgevers financiële afspraken met arbeidsmigranten, flexwerkers en zzp’ers niet. In delen van Nederland waar de proef met de regelrechter niet loopt, kunnen mensen terecht bij de kantonrechter. Die behandelt ook conflicten over geldzaken tot 25.000 euro.
Het Openbaar Ministerie (OM) Oost-Nederland liet ongeveer vijftienhonderd strafzaken niet meer voor de rechter komen vanwege een tekort aan personeel bij de rechtbank Gelderland. En om in alle drukte ruimte te houden voor “urgentere zaken” vroeg het OM eind november 2022 aan de rechtbank opnieuw om zaken te schrappen die gaan om eenvoudige mishandeling, eenvoudige diefstal, belediging, bedreiging, maar ook lichte drugszaken en verkeerszaken. Recent werden ook nog ruim 50 zaken in Den Haag geschrapt. Het gaat om zaken die meer dan anderhalf jaar wachten op behandeling door een politierechter. Die behandelt strafzaken waarin maximaal één jaar celstraf kan worden opgelegd. Het gaat in dit geval om eenvoudige misdrijven, zoals diefstallen, verkeerszaken en bezit van hennep. Een aantal zaken werd geseponeerd, andere werden afgedaan met een strafbeschikking. Minder belangrijke zaken worden wel behandeld, soms pas jaren later. Eventuele slachtoffers die het niet eens zijn met de afhandeling van hun aangifte of beslissing in hun zaak, kunnen een klacht indienen bij het gerechtshof. Tijdens de coronaperiode is er een forse achterstand ontstaan. Het Openbaar Ministerie komt 104 voltijds officieren van justitie tekort. Ook is er een tekort aan zeker 50 rechters. Om de capaciteitsproblemen bij de rechtspraak op te lossen wordt er de komende jaren 155 miljoen euro per jaar extra uitgetrokken voor het aantrekken van nieuwe rechters en rechtbankpersoneel. Het ministerie heeft er ook voor gekozen om ruim 3000 veroordeelden voorlopig niet op te sluiten vanwege personeel- en plaatsgebrek. De staat verkocht ondertussen vier gevangenissen en vier rechtbanken.
Gevangenen met straffen korter dan een jaar worden al een tijdlang twee weken vóór het einde van hun straf vrijgelaten en die noodmaatregel blijft voorlopig van kracht. Hoewel het kabinet eerder zei hier zo snel mogelijk van af te willen, verwachten ambtenaren dat het vervroegd vrijlaten minstens tot de zomer van 2026 doorgaat. Volgens een intern document van het ministerie van Justitie en Veiligheid zijn er te weinig cellen én vooral te weinig cipiers, waardoor niet alle veroordeelden hun volledige straf kunnen uitzitten. Daarom worden geschikte gedetineerden twee weken eerder vrijgelaten. Zwaar gestraften en zedendelinquenten zijn uitgesloten. Daarnaast worden minder gevaarlijke ‘zelfmelders’ voorlopig niet opgeroepen om hun straf te beginnen. Zij staan op een wachtlijst die inmiddels 3.281 personen telt. Staatssecretaris Arno Rutte (VVD) vindt de maatregel ongewenst maar erkent dat deze voorlopig nodig blijft. Wilders (PVV) heeft er voor gezorgd dat het kabinet onvoldoende heeft geïnvesteerd in cellen en personeel. Het niet uitvoeren van straffen test de rechtsstaat aan en bevestigd straatcrimineeltjes dat straffen weinig voorstellen. Staatssecretaris Rutte (VVD) noemt de maatregelen “zuur” maar onvermijdelijk en kondigde een ‘menukaart’ aan met mogelijke oplossingen en kosten, waaronder de heropening van de gevangenis in Almere, waarvoor nu geen budget is. Veelvoorkomende misdrijven, zoals eenvoudige diefstallen, mishandelingen, vernielingen en bezit van kleine hoeveelheden drugs, worden daardoor sneller administratief afgehandeld. De politierechter, bedoeld voor zaken waarvoor maximaal één jaar celstraf kan worden opgelegd, blijft overbelast; daardoor kunnen dergelijke dossiers soms jarenlang blijven liggen. De rechtspraak heeft kritiek op de werkwijze en waarschuwt dat de rechter daarmee minder vaak betrokken is bij de beoordeling van strafbare feiten die traditioneel wel in de zittingszaal thuishoren. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad onderzoekt momenteel hoe het OM deze verschuiving inzet en wat de gevolgen zijn voor rechtsbescherming en kwaliteit van besluitvorming. Niet langer staan grote golven geschrapte zaken centraal, maar een bredere inzet van buitengerechtelijke afdoening, waarmee het OM probeert de druk op de rechtbanken te verlichten en de doorlooptijden voor zwaardere zaken te verbeteren.
Voormalig Staatssecretaris Ingrid Coenradie van Justitie en Veiligheid, wilde op korte termijn verkennen of veroordeelde criminelen vanaf 2026 in Estland kunnen worden ondergebracht.
St. Maarten kreeg van Nederland 30 miljoen dollar om het gevangeniswezen te verbeteren, 4 miljoen is bedoeld voor een nieuwe gevangenis. De gevangenissen die nog over zijn kampen met een personeelstekort waardoor delinquenten moeten wachten op hun straf. In Spanje hoeven veroordeelden die voor een niet-gewelddadig misdrijf een straf van minder dan twee jaar krijgen, die celstraf helemaal niet te ondergaan zolang ze geen andere overtredingen begaan, dus het kan nog gekker. De situatie in de gevangenissen is zo nijpend dat het demissionaire kabinet heeft besloten dat mensen die een celstraf tot twee maanden hebben openstaan, hun straf op een later moment mogen uitzitten. Die termijn bleek echter tekort en in de praktijk worden nu ook langgestraften vrijgelaten. Zelf een gedetineerde met 4,5 cel loopt vrij rond. Bij dergelijke lange gevangenisstraffen gaat het om overvallers, verkrachters, drugscriminelen en plofkrakers. Voor 2400 gestraften is er geen plaats in de gevangenis. Naast het uitstellen van deze celstraffen mogen gedetineerden soms al op vrijdag naar huis als hun straf eigenlijk pas in het weekend of op maandag verloopt. De noodmaatregelen gelden sowieso voor de komende maanden. Het kabinet werkt aan een plan om gevangenen twee weken eerder naar huis te sturen, aar dat werd door Wilders enige maanden opgeschort door zijn staatssecretaris Ingrid Coenradie (Justitie en Veiligheid, PVV) opdracht te geven om gevangenen voorlopig dan maar onder te brengen in een deel van het Justitieel Complex Schiphol totdat er een ander oplossing is. Meer gevangenen op 1 cel zou problemen geven vanwege de veiligheid van gevangenen en personeel. De gevangenen vastzetten in het Justitieel Complex Schiphol heeft wel weer gevolgen voor de opvang van ongewenste vreemdelingen.
Zo’n 2.655 mensen zijn veroordeeld tot celstraffen, maar zitten niet in een cel vanwege personeelstekort. 90 procent van de bewaarders vindt dat het werk zwaarder is geworden. Staatssecretaris Ingrid Coenradie (Justitie) heeft honderden miljoenen euro’s” extra nodig voor gevangenissen en de problemen daar. Het geld moet in de voorjaarsnota geregeld worden en mag volgens Coenradie )PVV) niet ten koste gaan van andere zaken op de justitiebegroting. De helft van het personeel zegt dat het ook steeds onveiliger wordt. Mensen worden bedreigd, gewurgd, krijgen stront over zich heen, worden uitgescholden of van de trap gegooid. Soms zie je dat bewaarders door andere gedetineerden moeten worden gered. De verantwoordelijk minister Weerwind van D66 loog eerder tegen de 2e kamer toen hij zei dat het alleen om gedetineerden ging die een licht vergrijp hadden gepleegd. De 2e Kamer verkeerd of bewust fout informeren betekent dat deze zal moeten aftreden. Ook bij de reclassering is er onvoldoende personeel om vrijgelaten criminelen op het rechte pad te houden. Vrijwel alle toezicht bij jonge draaideurcriminelen ontbreekt. Er werden echter geen Kamervragen aan minister Weerwind gesteld over het verkeerd of bewust fout informeren over de vrijlating van langer gestrafte gedetineerden. Sinds 2021 kwamen gedetineerden niet meer automatisch vervroegd vrij en werden ook het verlof en de proeftijd minder vrijblijvend. Van de tien zelfmelders met de langst opgelegde straffen is het merendeel veroordeeld voor drugsgerelateerde delicten op basis van de Opiumwet, waarvan één zaak in georganiseerd verband. Ook jongeren moeten te lang wachten op hun straf.
Het veroordelingsproces van jongeren verloopt al jaren te langzaam. Daardoor zijn de wachttijden nog altijd langer dan de norm, merkt de Inspectie Justitie en Veiligheid op in een nieuw rapport. De wachttijd verschilt per situatie, maar kan in sommige gevallen jaren duren. Er is geen zicht op waar de vertragingen in het strafproces van jeugdigen ontstaan. Betrokken organisaties, zoals het Openbaar Ministerie (OM), de politie en de Kinderbescherming, wijzen elkaar aan als schuldige. De keten kampt bovendien al jaren met personeelstekorten en een tekort aan specialistische zorg voor de jongeren. Daarbij zijn weinig plekken beschikbaar in onder meer jeugdinrichtingen en voor taakstraffen. De inspectie concludeerde daarom opnieuw dat het OM, de politie en de Kinderbescherming onder “hoge druk” staan. Van de € 7,4 miljard euro aan kosten die de politie in 2023 heeft gemaakt, is zo’n € 2,3 miljard aan opsporing toe te rekenen. Van de € 7,4 miljard euro aan kosten die de politie in 2023 heeft gemaakt, is zo’n € 2,3 miljard aan opsporing toe te rekenen. Momenteel is onduidelijk hoe de resterende € 5,1 miljard (69%) verdeeld is. Het Openbaar Ministerie (OM) gaat verdachten van delicten waarop maximaal zes jaar celstraf staat niet meer via de rechter vervolgen, maar zelf bestraffen. Verdachten van strafbare feiten als diefstal, vandalisme of eenvoudige mishandeling zullen vaker een boete of taakstraf via een strafbeschikking krijgen. In ongeveer 80 procent van de strafdossiers van justitie draait het niet om zeer ernstige feiten, maar om zaken waarin uiteindelijk gevangenisstraffen worden opgelegd van hooguit een paar weken of maanden. Als deze zaken steevast worden gedagvaard, dan heeft dat tot gevolg dat men bij de rechtspraak minder ruimte zal hebben voor andere, zwaardere zaken. Het OM heeft sinds 2008 al de wettelijke bevoegdheid om met de OM‐strafbeschikking (OMSB) lichtere delicten zelf af te doen.
Het College van procureurs‐generaal wil de mogelijkheden die de strafbeschikking biedt optimaal gaan benutten en minder gaan dagvaarden en meer strafbeschikkingen opleggen en zo de benodigde cellen beschikbaar krijgen. Bijna 6000 van de veroordeelde criminelen zijn onvindbaar. Samen zijn zij verantwoordelijk voor ruim 7000 zaken, waaronder ernstige geweldsdelicten. Van de meesten wordt vermoed dat ze in het buitenland zitten. Staatssecretaris Coenradie wil gevangenen in het uiterste geval toch maximaal twee weken voor het einde van hun straf naar huis kunnen sturen, maar alleen voor gevangenen met een gevangenisstraf tot één jaar. Zedendelinquenten en plegers van een ernstig geweldsmisdrijf komen niet in aanmerking, benadrukt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. En vervroegd vrijlaten zal alleen gebeuren bij hoge nood, als er echt geen plek meer is voor een andere veroordeelde. Er moet altijd worden geprobeerd om het zogenoemde ‘eindverlof’ zo kort mogelijk te laten duren. Liever drie dagen, zoals nu al kan, dan twee weken. De ministerraad heeft 7 maart 2025 ingestemd met deze plannen. Die worden nu voorgelegd aan de Tweede Kamer. Wilders heeft via X al laten weten tegen de plannen te zijn, net als de VVD. Woensdag 12 maart moet bij het Kamerdebat duidelijk worden of Coenradie erin slaagt de kritische partijen te overtuigen of dankzij oppositiepartijen voldoende steun te krijgen. Coenradie vindt het zelf ook een pijnlijke maatregel, maar ziet geen andere mogelijkheid. Ze denkt dat het “wellicht over een paar dagen al” nodig kan zijn gevangenen meer dan drie dagen voor het einde hun straf naar huis te sturen.
Wilders (PVV)wilde in plaats van vervroegde vrijlating liever een uitbreiding van het aantal meerpersoonscellen. En die komt er ook, schreef Coenradie in haar brief aan de Tweede Kamer, maar op kleine schaal: de maatregel levert dit jaar ruim honderd cellen meer op. De staatssecretaris vindt dat meer mensen in één cel voor onveilige situaties kunnen zorgen. “Ik sta voor mijn personeel”, zei ze vanmorgen voor aanvang van de ministerraad. “Ik ga geen onverantwoorde keuzes maken, die aan die veiligheid tornen.” “Maar”, voegde ze er na afloop aan toe, “zonder deze ingreep blijven politiecellen overvol en dreigen verdachten en veroordeelden willekeurig vrij te komen. Dat scenario kan en wil ik niet accepteren”. Er wordt ook onderzocht of er volgend jaar een tijdelijke noodunit met zestig plekken bij de Limburgse vrouwengevangenis Ter Peel kan komen. De staatssecretaris liet eerder weten dat het code zwart is in de gevangenissen en dat er noodmaatregelen moeten worden genomen. Er zijn de afgelopen tien jaar, toen er nog sprake was van een cellenoverschot, 26 gevangenissen en meerdere tbs-klinieken gesloten. Veel bewakers zijn iets anders gaan doen, waardoor er nu te weinig personeel is. Maar inmiddels stijgen de criminaliteitscijfers en worden er langere straffen gegeven. Er wordt onder meer gekeken of de gevangenis in Almere, die in 2019 werd gesloten, heropend kan worden.
De vooruitzichten laten zien dat de druk op het strafrechtelijk systeem de komende jaren geleidelijk zal toenemen. Het aantal geregistreerde strafbare feiten groeit naar verwachting licht, maar omdat de bevolkingsgroei achterblijft, komt dat neer op een stijging per inwoner. Tegelijkertijd wordt verwacht dat de behoefte aan detentiecapaciteit stijgt. Dit hangt samen met een groei van het aantal verdachten in voorlopige hechtenis en een langere duur daarvan. Ook het aantal opgelegde vrijheidsstraffen neemt vermoedelijk toe. Hoewel die straffen gemiddeld korter worden, weegt de toename in aantallen zwaarder, waardoor de totale capaciteitsvraag toch groeit.
Andere onderdelen van de keten laten een vergelijkbaar beeld van lichte maar gestage groei zien. Zo neemt het aantal incidenten dat slachtoffers ervaren naar verwachting duidelijk toe, terwijl het Openbaar Ministerie slechts een beperkte stijging in het aantal beslissingen voorziet. Binnen de forensisch psychiatrische zorg wordt eveneens meer capaciteit nodig geacht, vooral doordat het aantal mensen met een tbs-maatregel toeneemt. In het jeugddomein blijft het aantal Halt-verwijzingen naar verwachting stabiel, maar stijgt de vraag naar plaatsen in jeugdinrichtingen enigszins door een toename van zwaardere maatregelen en voorlopige hechtenis bij minderjarigen.
Ook in de rechtspraak wordt een groeiende instroom verwacht. Handelszaken laten een relatief sterkere stijging zien dan familiezaken, terwijl binnen het bestuursrecht vooral belastingzaken en overige procedures gestaag toenemen. Al met al schetsen de prognoses een beeld van een justitiële keten die de komende jaren op meerdere fronten rekening moet houden met een toenemende werkdruk en een bijbehorende behoefte aan extra capaciteit.
De situatie in de forensische zorg is kritiek nu 270 veroordeelden wachten op een plek in een tbs-kliniek. Het aantal wachtenden is de afgelopen jaren sterk toegenomen doordat ook de doorstroom vanuit het overvolle gevangenissysteem volledig is vastgelopen. De gemiddelde wachttijd is inmiddels opgelopen tot een periode van twaalf tot achttien maanden. Voor de zwaarste gevallen betekent dit dat gevaarlijke delinquenten soms al sinds het begin van 2024 in een reguliere cel verblijven zonder de noodzakelijke gespecialiseerde behandeling te ontvangen.
De juridische gevolgen van deze stagnatie zijn groot. Omdat de rechter de tbs-maatregel elke twee jaar opnieuw moet beoordelen, vinden er zittingen plaats over de voortgang van cliënten die feitelijk nog niet eens aan hun behandeling in een kliniek zijn begonnen. Advocaten spreken van een onhoudbaar wanbeleid en wijzen erop dat deze vertragingen de rechtsstaat ondermijnen. In veel gevallen dwingen zij inmiddels schadevergoedingen af bij de overheid omdat de staat niet aan de wettelijke behandelplicht kan voldoen.
Een tbs-veroordeelde heeft namelijk wettelijk recht op plaatsing binnen vier maanden. Wanneer deze termijn wordt overschreden, kan de betrokkene aanspraak maken op een financiële tegemoetkoming, de zogenaamde wachtgeldregeling. Deze vergoeding begint vaak bij een bedrag van ongeveer 225 euro per maand en loopt op naarmate de wachttijd vordert. In 2024 en 2025 heeft de overheid hierdoor al tonnen aan compensatie uitgekeerd aan wachtende gedetineerden. Voor slachtoffers en nabestaanden is dit een bittere pil, ook al wordt een deel van dit geld vaak direct ingehouden om openstaande schadeclaims aan diezelfde slachtoffers af te betalen.
Hoewel het kabinet Jetten 100 miljoen euro extra investeert in het gevangeniswezen, blijft gerichte financiering voor de tbs-sector in de huidige plannen uit. Zonder extra bedden en personeel in de forensische klinieken blijft het systeem verstopt, wat direct invloed heeft op de veiligheid in de samenleving. De behandeling die herhaling van misdrijven moet voorkomen, begint nu simpelweg te laat of helemaal niet.
Het gevangeniswezen kreeg er bij de voorjaarsnota geen geld bij, maar in de miljoenennota werd alsnog 200 miljoen euro vrijgemaakt. Wilders sloeg ten tijde van kabinet Schoof bij de voorjaarsnota de eigen staatssecretaris over, waardoor de noodzakelijke renovaties van gevangenissen niet door konden gaan. Alle maatregelen zijn goedgekeurd door de ministerraad en gaan naar de 2e Kamer. Na het opblazen van de coalitie door Wilders besloot Staatsecretaris Coenradie om zich aan te sluiten bij JA21. Ze wil niets meer mét of vóór Wilders doen. Gevangenen moeten aan het eind van hun straf maximaal twee weken eerder vrij worden gelaten. Het eerder met vijf dagen eerder vrijlaten gebeurt nu ook al enige tijd vanwege een tekort aan cellen en cipiers.
Voor tijdelijke uitbreidingen van de celcapaciteit komt er een detentieboot met geplande ingebruikname in november 2026. Daarnaast wordt gekeken naar noodopvanglocaties, waaronder het complex in Evertsoord (Limburg). Het Justitieel Complex Evertsoord in Limburg is een inrichting van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) en ligt in de gemeente Horst aan de Maas. Het wordt gebruikt als forensisch psychiatrisch centrum (FPC), justitiële jeugdinrichting (JJI) en als locatie voor vreemdelingenbewaring. Het terrein bestaat uit meerdere gebouwen met een streng beveiligd regime en is geschikt voor langdurige plaatsingen. Het complex is eerder ingezet voor opvang van verschillende categorieën gedetineerden en kan door zijn schaal en ligging dienen als noodlocatie voor extra celcapaciteit. De bestaande infrastructuur maakt tijdelijke aanpassingen en uitbreiding van gebruiksfuncties mogelijk, maar personeelstekort en de combinatie van functies beperken de inzetbaarheid. Evertsoord heeft een landelijke functie in het stelsel van DJI en geldt als een van de grootste gesloten instellingen in het zuiden van Nederland.
Eind 2025 werd een overzicht gepubliceerd waarin alle uitvoerbare opties en de bijbehorende randvoorwaarden zijn opgenomen. Op die lijst staat onder meer de heropening van de Penitentiaire Inrichting Almere. Voorbereiding en renovatie daarvan vergen vijf tot zeven jaar. De capaciteit bedraagt bij volledige heropening 320 cellen. De exploitatiekosten worden geraamd op 85 tot 95 miljoen euro per jaar. De Dienst Justitiële Inrichtingen beschikt op dit moment niet over die middelen. Het kabinet heeft de heropening van de Penitentiaire Inrichting (PI) Almere inmiddels concreet gemaakt als maatregel om het cellentekort aan te pakken. Hoewel er eerder financiële en tijdstechnische belemmeringen waren, is er begin 2026 politieke en parlementaire steun voor de plannen. Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft verkennend onderzoek gedaan en de intentie uitgesproken om de gevangenis in Almere Buiten definitief weer in gebruik te nemen. De Tweede Kamer heeft ingestemd met moties om een concreet plan op te stellen en vergunningen aan te vragen. De inrichting in Almere Buiten biedt bij volledige ingebruikname ruimte aan ongeveer 320 gedetineerden. Het project kampt nog altijd met hoge geraamde kosten (oplopend tot 95 miljoen euro per jaar) en een lange aanlooptijd. Het duurt naar schatting nog steeds 5 tot 7 jaar voordat het complex volledig operationeel is, al worden er wel stappen gezet om de voorbereiding te versnellen.
Het beleid van vervroegde invrijheidstelling met een verkorting van veertien dagen wegens capaciteitsgebrek blijft van kracht zolang het tekort dat noodzakelijk maakt. Zodra aanvullende capaciteit beschikbaar is, wordt de maatregel ingetrokken. Een interne prognose van het ministerie toont een oplopend tekort aan cellen in de komende jaren. Kamerleden stelden vast dat dit de kans vergroot op verdere vervroegde vrijlating.
Het gevangeniswezen kampt tevens met een structureel tekort aan personeel. Dit leidt tot hoge werkdruk en verslechterde veiligheid. In sommige inrichtingen zijn avondactiviteiten reeds geschrapt wegens onvoldoende gekwalificeerd personeel.
Gevangenispersoneel ontvangt in 2026 geen loonsverhoging, terwijl waardering en arbeidsvoorwaarden volgens meerdere fracties achterblijven bij de zwaarte van het werk.
Om het tekort aan cellen niet verder te laten oplopen, is jaarlijks 350 miljoen euro extra nodig. Dat schreef Wim Saris, directeur-generaal van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), in een brief aan de formerende partijen D66, CDA en VVD. Saris pleit daarnaast voor beleidswijzigingen, zoals het eerder terugkeren van gevangenen in de samenleving. Zonder zulke maatregelen zou er volgens hem jaarlijks nog eens 550 miljoen euro nodig zijn. Ook wil hij dat rechters elektronische detentie als hoofdstraf kunnen opleggen, waarbij gedetineerden hun straf thuis uitzitten met een enkelband. Deze maatregel kan gevoelig liggen bij de VVD, die traditioneel inzet op harde straffen.
Volgens Saris zijn ingrijpende maatregelen onvermijdelijk. “Op dit moment wachten duizenden daders op de uitvoering van hun straf, en dit aantal blijft oplopen,” schrijft hij. “Dit ondermijnt het vertrouwen in de rechtsstaat en veroorzaakt maatschappelijke en politieke onrust.” De grootste problemen liggen bij het personeel: er zijn te weinig cipiers om gedetineerden goed te begeleiden. Gevangenen met een straf van minder dan een jaar worden nu twee weken voor het einde van hun straf vrijgelaten, en deze situatie zal voorlopig waarschijnlijk blijven bestaan.
Daarnaast worden sommige veroordeelden, die niet als zeer gevaarlijk worden gezien, niet direct opgeroepen om hun straf uit te zitten. Zij moeten wachten tot de wachtlijst van inmiddels 3.281 personen is weggewerkt. Experts benadrukken dat Nederland niet crimineler is geworden, maar dat rechters zwaarder zijn gaan straffen. Het aantal cellen is echter niet meegegroeid. De bezettingsgraad van gevangenissen bedraagt 99,5 procent en 158 cellen zijn onbruikbaar door personeelstekort. Door gebrek aan onderhoud dreigen nog eens 3.000 plekken uit te vallen, terwijl het aantal veroordeelden de komende tien jaar naar verwachting blijft stijgen.
FNV-bestuurder Marcelle Buitendam waarschuwt dat “de rek er bij gevangenispersoneel echt uit is.” Ze stelt dat het steeds moeilijker wordt om mensen voor het vak te interesseren. De vakbond pleit voor extra geld om gevangenissen te openen of heropenen en voor een loonsverhoging die de inflatie dekt. Voor 12 januari wil de vakbond deze eisen terugzien in de nieuwe cao voor rijksambtenaren, anders volgen “harde acties, van stiptheidsacties tot stakingen, waarbij de poorten van de gevangenis gesloten kunnen worden.” Gedetineerden kunnen dan bijvoorbeeld niet naar de rechtbank worden gebracht.
Voormalig PVV-staatssecretaris Ingrid Coenradie waarschuwde kort na haar aantreden al voor de problemen in de gevangenissen en stelde dat er minstens een half miljard euro nodig was. Haar voorstel kreeg echter geen meerderheid, mede door tegenstand van haar eigen partij, die geen extra geld wil uittrekken en meer gevangenen bij elkaar wil zetten. Deskundigen en personeel zien dat echter als risicovol en onveilig. Na het vertrek van de PVV uit de coalitie kreeg DJI op Prinsjesdag 75 miljoen euro extra toegezegd. Volgens Saris is dit bedrag onvoldoende; de Algemene Rekenkamer bevestigt dat het tekort daarmee niet gedekt is.
Het totale budget van DJI bedraagt dit jaar 3,1 miljard euro. Saris benadrukt dat met extra maatregelen de benodigde som iets kan dalen, maar waarschuwt: “Willen we niet alleen recht spreken, maar ook recht doen, dan moeten nu ingrijpende, structurele en langdurige keuzes worden gemaakt.”
Niet alleen in Nederland spelen deze problemen. In Engeland zijn sinds september 2024 zo’n 5000 gevangenen vervroegd vrijgelaten na het uitzitten van slechts 40% van hun straf en in Italië worden ruim 10.000 gevangenen vrijgelaten om ruimte te maken in de overvolle gevangenissen. Het Italiaanse ministerie van Justitie heeft gekeken voor welke gedetineerden bijvoorbeeld huisarrest of een voorwaardelijke straf een alternatief kan zijn. Justitie kijkt daarbij naar gedetineerden met een onherroepelijke straf en die nog minder dan twee jaar hoeven te zitten en die zich in het laatste jaar niet hebben misdragen. Zo kwam het ministerie tot 10.105 gevangenen, ongeveer 15 procent van alle gedetineerden. In Belgie weigerden 17 en 19 juli zeker vijftig gedetineerden in de gevangenis van Lantin, in de provincie Luik om terug te keren naar hun cel, totdat de politie arriveerde. De actie begon na de wandeling van de gevangenen op een binnenplaats. De directie voerde gesprekken met de opstandelingen, waarna twee gedetineerden besloten om terug te keren naar hun cel. De overige gevangenen bevonden zich laat op de avond nog altijd op de binnenplaats. De gevangenen protesteren tegen de in hun ogen verslechterde omstandigheden in de gevangenis. Eind mei brak er een grote brand uit in de centrale wasruimte van de gevangenis. Daarbij kwam een brandweerman om het leven en raakten drie anderen gewond. Ook klagen ze over de veel te volle cellen. Met de overbevolking en sinds de brand, met het overlijden van een brandweerman en de afgebrande kantine moet alles allemaal opnieuw op gang komen. De Belgische staat heeft ook meer dan 2 miljoen euro aan schadevergoeding betaald aan gevangenen die ten onrechte in psychiatrische afdelingen van gevangenissen waren geplaatst. Om dit aanhoudende probleem aan te pakken, is de Belgische regering van plan om in het hele land nieuwe forensische instellingen te bouwen. Sinds 2020 heeft de Belgische staat meer dan 2 miljoen euro aan schadevergoeding betaald aan meer dan 1.000 gevangenen die vanwege ruimtegebrek in psychiatrische afdelingen van gevangenissen waren ondergebracht in plaats van in gespecialiseerde instellingen. Het probleem van onvoldoende capaciteit in forensisch-psychiatrische centra blijft bestaan: momenteel wachten in België 218 personen op opname. De manier waarop België omgaat met gedetineerden is herhaaldelijk bekritiseerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vanwege een tekort aan gespecialiseerde voorzieningen, waardoor mensen in gevangenissen blijven waar vaak geen goede zorg beschikbaar is. De hoogte van de compensatie varieert van vaste bedragen tot dagboetes, die kunnen oplopen tot 25 euro. De federale regering wil dit probleem aanpakken door de bouw van een nieuw forensisch centrum in Oostende, dat plaats biedt aan 400 tot 450 personen. Er zijn plannen voor extra faciliteiten in Waver, Paifve en Aalst.
In Frankrijk is het niet veel beter. Deze gevangenis van Dijonis is bijvoorbeeld oud en dateert uit 1853 en is zwaar overbevolkt. FO-Justice waarschuwt al maanden voor “de alarmerende verslechtering van de veiligheidsomstandigheden” in deze instelling en veroordeelde het de “totale blindheid” van het management. De gevangenis van Dijon heeft 311 gedetineerden verspreid over 180 plaatsen, wat volgens het Ministerie van Justitie een bezettingspercentage van 173% is. De vervallen faciliteit is een van de zes gevangenissen die profiteren van het “zero portable”-plan dat vrijdag werd aangekondigd door minister van Justitie Gérald Darmanin, met een aangekondigd budget van 6 miljoen euro. Installatie van roosters op ramen, overdekkingen van speelplaatsen, anti-drone apparaten. “Dit werk zal de komende dagen beginnen” in de gevangenis van Dijon, beloofde de minister in een verklaring. “De gevangenis is hier erg zwaar,” zei een gevangene die donderdagochtend na acht maanden gevangenschap werd vrijgelaten. “We waren met z’n drieën in een cel: twee op stapelbedden en één die op de vloer sliep.
In Nederland en België hebben gevangenisbewaarders de afgelopen jaren al vergeefs verschillende protestacties gevoerd vanwege hoge werkdruk, agressie op de werkvloer en structurele personeelstekorten. In Nederland ging het vooral om lokale acties. Zo werd in december 2022 in de gevangenis van Haren gestaakt vanwege een combinatie van onderbezetting, gebrekkige opleiding van nieuw personeel en kinderziektes in het gebouw. In andere gevallen, zoals in Lelystad in 2020, betrof het protestacties van gedetineerden en niet van het personeel.
In België vonden recent grotere en gecoördineerde acties plaats. In januari 2024 legden cipiers in alle Belgische gevangenissen het werk neer tijdens een landelijke 24-urenstaking. De actie was gericht tegen de overbevolking in de instellingen, waar op dat moment ongeveer 1.300 gedetineerden boven de capaciteit werden vastgehouden. Eerder, in augustus 2023, werd er gestaakt in de Antwerpse gevangenis nadat zorgpersoneel daar slachtoffer was geworden van zware agressie door een gedetineerde. De actie werd gesteund door cipiers, medisch personeel en keukenpersoneel.
Cipiers, medisch en keukenpersoneel sloten zich aan. 17 en 19 juli was het opnieuw raak en weigerden de gevangen om terug naar hun cellen te gaan uit protest tegen de erbarmelijke omstandigheden.
17 augustus leggen de cipiers van de gevangenis van Gent het werk opnieuw voor 48 uur neer. ACOD en ACV verklaren dat de gevangenisdirectie gemaakte afspraken om het personeelstekort op te lossen niet heeft nagekomen. Bij uitblijven van een oplossing kan de staking worden verlengd.
Het personeelstekort speelt al maanden. Op 20 juli dienden de vakbonden klachten in bij de gevangenisdirectie en het Gevangeniswezen. Het feit dat cipiers daarna werden ingezet voor bewaking van verdachten van een schietpartij in Sint-Niklaas, normaal federale politieopdracht, verergerde de situatie.
België registreerde in 2023 een zelfdodingscijfer van 11,6 per 10.000 gevangenen. De Europese mediaan bedraagt 7,3. België behoort daarmee tot de hoogste risicocategorie volgens het Jaarverslag van de Raad van Europa.
Vijftien landen zitten in dezelfde categorie: IJsland, Noorwegen, Frankrijk, Montenegro, Letland, Litouwen, Slovenië, Nederland, Oostenrijk, Tsjechië, Zwitserland, Portugal, Estland, het Verenigd Koninkrijk (Engeland en Wales), Italië en Cyprus.
België kampt met een structureel tekort aan psychiatrische zorg in gevangenissen. Volgens de WHO zijn er slechts 0,2 psychiaters per 1.000 gedetineerden, tegenover een Europees gemiddelde van 1,3 (gegevens uit 2020). Het aantal psychologen is toegenomen, maar psychiaters blijven ondervertegenwoordigd. Penitentiair personeel ontvangt onvoldoende praktijkgerichte training inzake zelfmoordpreventie en mensenrechten.
De Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen (CTRG) en het Federaal Instituut voor de Rechten van de Mens (FIRM) melden aanhoudende mensenrechtenschendingen: naaktisolatie, overmatig gebruik van handboeien, disproportioneel geweld, gebrek aan alternatieven. Psychisch ontregelde gevangenen worden opgesloten in kale, onbemeubelde cellen, vaak naakt en zonder medische zorg. Interne rechtsmiddelen voor klachten zijn ontoereikend.
Het ziekteverzuim onder gevangenispersoneel is zowel in België als Nederland structureel hoog. In Nederland ligt het gemiddelde ziekteverzuim rond de 7 procent, terwijl de norm bij de Dienst Justitiële Inrichtingen op 4,8 procent ligt. In sommige vestigingen, zoals in Alphen aan den Rijn, loopt dit op tot 10 procent. Oorzaken zijn onder andere agressie, emotionele uitputting en onvoldoende ondersteuning. Vakbonden en medewerkers waarschuwen al langere tijd dat de situatie onhoudbaar is en leidt tot onveilige werkomstandigheden voor personeel én gedetineerden.
Terwijl de politiek haar energie steekt in het optuigen van laagdrempelige experimenten zoals de regelrechter voor burenruzies of openstaande rekeningen van een paar honderd euro, brokkelt ondertussen het gevangeniswezen, een fundament van de rechtsstaat in hoog tempo af.
De overheid laat al jaren na om structureel werk te maken van de overvolle, onderbezette en onveilig geworden gevangenissen. Wat we zien is een uitputtingsslag onder personeel, uitgestelde straffen, een groeiend aantal vrij rondlopende veroordeelden en een justitieapparaat dat het niet meer bijbenen kan.
De cijfers zijn onthutsend. Er zijn op dit moment zeker 2.400 mensen veroordeeld tot een gevangenisstraf, maar er is simpelweg geen plek voor hen. Zelfs veroordeelden met celstraffen van vier jaar en meer lopen vrij rond. De ernst van hun misdrijven – waaronder overvallen, verkrachtingen en plofkraken – maakt deze situatie ronduit onverantwoord. Politiecellen puilen uit, personeel valt massaal uit en zelfs het Justitieel Complex Schiphol wordt nu ingezet als tijdelijke gevangenis. Dat is een doekje voor het bloeden, want de opvang van ongewenste vreemdelingen komt daardoor in het gedrang. Nog schrijnender: cipiers worden gewurgd, bekogeld en bedreigd, en het ziekteverzuim stijgt richting de 10 procent. Meer dan de helft van het gevangenispersoneel vindt het werk inmiddels ronduit onveilig.
Eerst werd er besloten om mensen met korte straffen pas later te laten beginnen aan hun detentie, toen volgde het plan om mensen met een straf tot twee maanden helemaal niet meer vast te zetten. Nu worden zelfs langgestraften vervroegd vrijgelaten – in eerste instantie met drie dagen, nu mogelijk tot twee weken, en dat bij gebrek aan alternatieven. De staatssecretaris noemt het pijnlijk, maar “onvermijdelijk”. Dieptepunt: het ministerie kijkt zelfs naar de optie om Nederlandse gedetineerden naar Estland te sturen. De situatie is letterlijk uitzichtloos geworden.
Er wordt geschoven met miljoenen en rapporten, maar ondertussen verkocht de staat de afgelopen jaren vier gevangenissen, vier rechtbanken, sloot men 26 inrichtingen, en verdwenen TBS-klinieken. Dat gebeurde toen er nog sprake was van een zogenaamd cellenoverschot. Veel personeel is vertrokken en komt niet meer terug. Inmiddels stijgen de criminaliteitscijfers weer en worden er langere straffen opgelegd. En dan is er ineens geen plek meer, geen bewakers, geen toezicht en geen plan. De situatie is zo nijpend dat de staatssecretaris zelf spreekt van “code zwart”.
Terwijl het ministerie wel tientallen miljoenen uittrekt om het gevangeniswezen op Sint Maarten te verbeteren, blijft het budget voor renovaties in Nederland zelf uit. Een noodzakelijke injectie in de voorjaarsnota bleef uit. Dat komt doordat politieke leiders elkaar vooral de maat nemen, coalities opblazen en besluiten blokkeren. Intussen ziet het personeel op de werkvloer het gevaar letterlijk op zich afkomen, en raken slachtoffers en hun families verder vervreemd van een systeem dat hun veiligheid zou moeten waarborgen.
Wat rest zijn lapmiddelen: meerpersoonscellen, noodunits, strafbeschikkingen voor delicten waarop ooit celstraf stond, en rekken van rechtszaken. Soms tot wel anderhalf jaar of meer. Ondertussen blijven jongeren, inclusief veelplegers, te lang wachten op hun straf. Reclassering en jeugdzorg kunnen het niet aan, maar er komt geen extra menskracht. Instanties wijzen naar elkaar en niemand neemt verantwoordelijkheid. Ministers informeren het parlement onvolledig of ronduit verkeerd, zonder politieke consequenties.
Het is een pijnlijk contrast. Waar de burger met een huurachterstand van 400 euro in sommige regio’s nog vlot bij een regelrechter terechtkan, is er voor een overval, bedreiging of mishandeling geen rechter of cel beschikbaar. Er is iets fundamenteel scheefgegroeid. Het gevangeniswezen is jarenlang genegeerd, afgebroken en uitgekleed.
Gratie
Willem-Alexander heeft de macht om de straf van een crimineel gedeeltelijk kwijt te schelden, te verminderen of te veranderen. Iets dat altijd wordt gedaan op voordracht van de minister voor Rechtsbescherming, die ook de verantwoordelijkheid draagt en de inhoudelijke beslissing maakt. Gratie is geen vrijspraak, want de veroordeling blijft gewoon staan. Toch kun je als gedetineerde op deze manier wel eerder vrijkomen, zelfs als je tot levenslang bent veroordeeld. Het meest recente en bekendste voorbeeld is dat van Frank Masmeijer, de ex televisiepresentator die tot 9 jaar celstraf werd veroordeeld wegens drugssmokkel kwam in 2022 alweer op vrije voeten.
Zo ook moordenaar Loi Wah Chung (67), Hij kreeg in 1989 levenslang, nadat hij een compleet gezin in Rotterdam-Blijdorp had uitgemoord. Chung, die werknemer was bij het familiebedrijf van zijn dodelijke slachtoffers, slachtte vader Mei Wah Tang (34), diens vrouw (34), hun 5-jarig dochtertje en 6 weken oude baby met meer dan zestig messteken.
Het motief hield hij altijd voor zichzelf. Hij kreeg levenslang, zonder enige kans op vrijlating. In 2012, begon hij succesvol zijn juridische strijd tegen zijn opsluiting. In 2020 deed Chung alweer zijn zesde poging tot een gratieverzoek. “Hij lijdt psychisch onder het ontbreken van enig perspectief op de toekomst,” verklaarde zijn advocaat toen. Met zijn 32 jaar in de gevangenis was Chung inmiddels de langst vastzittende gevangene van Nederland. Als het aan hem lag, zou dat snel veranderen: Chung wilde terug naar zijn familie in Hong Kong, een nieuw leven opbouwen. Gedragsdeskundigen moedigden die wens aan. Volgens hen was de kans dat Chung opnieuw in de fout zijn gaan ‘klein.’ In 2021 deed hij succesvol zijn zevende gratieverzoek. “Ik kan op dit moment niets anders doen dan gratie verlenen,” legde Sander Dekker, de verantwoordelijke minister, uit. “Zowel de rechter als het Openbaar Ministerie adviseert bij het zevende gratieverzoek aan de heer C. onvoorwaardelijke gratie te verlenen nu er geen argumenten meer zijn om gratie te weigeren.” De enige voorwaarde die werd gesteld was dat Chung Nederland direct moest verlaten en nooit meer mocht terugkeren.
Uitlezen smartphone van verdachten
De Hoge Raad herhaalt uitgangspunten van zijn arrest van 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409. Het door de politie in de onderhavige zaak uitgevoerde uitgebreide onderzoek aan de telefoons brengt een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer mee. Ook is niet gebleken dat sprake is van een ‘spoedeisend geval’. Het oordeel van het hof dat er geen toestemming van de rechter-commissaris nodig was, is daarom niet toereikend gemotiveerd.
In deze zaak staat een verdachte terecht voor meerdere strafbare feiten in het kader van georganiseerde drugshandel. De tenlastelegging ziet onder meer op deelname aan een criminele organisatie gericht op de handel in verdovende middelen (artikel 11b, eerste lid, Opiumwet), medeplegen van de verkoop van cocaïne, meermalen gepleegd (artikel 2 onder B Opiumwet), het aanwezig hebben van cocaïne (artikel 2 onder C Opiumwet) en eenvoudig witwassen (artikel 420bis, eerste lid, Sr).
De strafbare feiten zijn onderdeel van een strafzaak met parketnummer 16-013184-21, ook wel aangeduid als de ‘drugszaak’. Bij de aanhouding van de verdachte op 7 december 2019 en bij de doorzoeking van zijn woning op 15 februari 2021 zijn meerdere smartphones in beslag genomen. Deze toestellen zijn vervolgens onderzocht door opsporingsambtenaren, waarbij gebruik is gemaakt van zoektermen die verband houden met de verdenkingen zoals drugshandel, witwassen en criminele samenwerking.
Het doel van dit digitale onderzoek was het identificeren van de gebruiker(s) van de telefoons en het vergaren van bewijs ten aanzien van genoemde strafbare feiten. De politie heeft daartoe grote hoeveelheden data uitgelezen en geanalyseerd. In de procedure is door de verdediging gesteld dat dit onderzoek een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte oplevert, waarvoor toestemming van de rechter-commissaris vereist was. Die toestemming is in dit geval niet verkregen. De verdachte is bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep mede op basis van deze gegevens veroordeeld. De opgelegde straf wordt in het arrest van de Hoge Raad niet vermeld.
Het tweede cassatiemiddel richt zich op de verwerping door het hof van het door de verdediging gevoerde verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de resultaten van het onderzoek aan de smartphones. Volgens de verdediging is sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, omdat het digitale onderzoek zonder rechterlijke toetsing heeft plaatsgevonden, terwijl dit volgens nationale en Europese rechtspraak wel vereist was gelet op de omvang en aard van de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.
Daarnaast wordt betoogd dat het digitale onderzoek op meerdere punten strijd oplevert met Richtlijn 2016/680 en de artikelen 7, 8, 11 en 52 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Ook wordt verwezen naar het zogenoemde Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie en het arrest CG/Landeck (C-548/21), waarin is geoordeeld dat bij onderzoek aan smartphones in beginsel voorafgaande rechterlijke toetsing vereist is.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad herhaalt in zijn beoordeling de kernoverwegingen uit zijn recente arrest van 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, waarin de nationale regeling voor het onderzoek aan elektronische gegevensdragers in lijn is gebracht met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU. Daarin is geoordeeld dat wanneer een onderzoek aan een smartphone het risico meebrengt van een ernstige of zeer ernstige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, voorafgaande rechterlijke toetsing vereist is, tenzij sprake is van een spoedeisend geval.
De Hoge Raad constateert dat het hof in zijn beoordeling onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake zou zijn van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Het hof baseert zijn oordeel met name op de verklaring van de verbalisanten dat zij zich bij het onderzoek hebben beperkt tot strafrechtelijk relevante gegevens en dat privégevoelige informatie niet is ingezien. Echter, uit de vaststellingen van het hof blijkt tevens dat het gehele toestel is uitgelezen en geautomatiseerd is geanalyseerd, waarbij onder meer toegang is verkregen tot communicatie, social media, foto’s en andere persoonlijke data. Daarmee is niet uitgesloten dat inzicht is verkregen in meerdere aspecten van het privéleven van de verdachte.
De Hoge Raad wijst er op dat reeds op voorhand voorzienbaar was dat het digitale onderzoek een omvang en diepgang zou hebben die een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer tot gevolg zou hebben. In een dergelijk geval volstaat de algemene bevoegdheid van de opsporingsambtenaar op grond van artikel 94 jo. 95 en 96 Sv niet. Voor een dergelijk ingrijpend onderzoek is – behoudens spoedeisendheid – een machtiging van de rechter-commissaris vereist. Van een ‘spoedeisend geval’ als bedoeld in het arrest HR 18 maart 2025, r.o. 5.2.3, is volgens de Hoge Raad in dit geval niet gebleken.
Het hof heeft ten onrechte aangenomen dat geen sprake was van een meer dan beperkte inbreuk, en heeft daarmee een onjuiste maatstaf aangelegd, dan wel zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.
Uitspraak
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar uitsluitend voor zover deze ziet op de beslissingen in de ‘drugszaak’ (parketnummer 16-013184-21) en de daarop gebaseerde strafoplegging. De zaak wordt in zoverre terugverwezen naar hetzelfde hof opdat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.
Het Openbaar Ministerie in Amsterdam heeft 200 uur taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden geëist tegen juridisch adviseur en fiscalist Karim Aachboun. Hij wordt verdacht van chantage van tv-presentator Johnny de Mol en van smaad en laster jegens advocaat Sébas Diekstra. Tijdens de zitting bij de rechtbank Amsterdam werden twee afzonderlijke zaken tegen Aachboun behandeld. Hij was zelf niet aanwezig. Volgens zijn raadsman voelde Aachboun zich bedreigd, waardoor hij afwezig bleef.
De verdenkingen dateren uit het najaar van 2020. Als juridisch adviseur van Shima Kaes, de voormalige verloofde van Johnny de Mol, stuurde Aachboun een brief aan De Mol en zijn ouders, John de Mol en Willeke Alberti. In de brief vroeg hij om een tegemoetkoming voor Kaes, die destijds beschuldigingen van mishandeling tegen De Mol had geuit. De Mol heeft die beschuldigingen altijd ontkend en het Openbaar Ministerie seponeerde de zaak. Aachboun stelt dat zijn brief een schikkingsverzoek betrof, terwijl het OM spreekt van een poging tot chantage.
Daarnaast vervolgt het OM Aachboun voor smaad en laster jegens advocaat Sébas Diekstra. Aachboun heeft in persberichten en op sociale media gesteld dat Diekstra ruim twintig jaar geleden grensoverschrijdend gedrag zou hebben vertoond. Volgens het OM is voor deze aantijgingen geen bewijs gevonden. De uitlatingen zouden de reputatie en integriteit van Diekstra aantasten, mede vanwege zijn werkzaamheden voor slachtoffers van seksueel misbruik. Diekstra vordert bij de rechtbank een schadevergoeding van 50.000 euro voor immateriële schade. Johnny de Mol heeft geen schadevergoeding geëist. De rechtbank in Amsterdam doet naar verwachting over twee weken uitspraak in de zaak.
Gemeenteraad eist uitleg van Halsema over achterhouden brief ombudsman
De Amsterdamse gemeenteraad vraagt burgemeester Femke Halsema om toelichting over de publicatie van het rapport van ombudsman Munish Ramlal. Raadsleden zeggen niet tijdig te zijn geïnformeerd over de gang van zaken en willen weten waarom een brief over de publicatie niet bij hen aankwam en of er druk is uitgeoefend op de ombudsman.
Burgemeester Halsema stelt dat de brief te laat was verzonden en benadrukt dat het instituut ombudsman belangrijk is voor elk bestuursorgaan. Wel heeft zij opmerkingen over de onderzoeksopzet van Ramlal. Het rapport volgt op tientallen klachten over het Bureau Integriteit van de gemeente naar aanleiding van tientallen klachten en meldingen over de werkwijze van het Bureau Integriteit, dat binnen de gemeente verantwoordelijk is voor de behandeling van meldingen over sociale onveiligheid, zoals signalen van misstanden of ongewenst gedrag bij gemeentelijke diensten. Sommige raadsleden hebben kritiek op de afhandeling van deze meldingen en de manier waarop het bureau klachten registreert en opvolgt. De ombudsman zal pas in december aanwezig zijn bij de raad om inhoudelijk over het rapport te spreken.
De klachten gaan vooral op het niet reageren bij meldingen, slordigheden in de registratie en het uitblijven van acties door de werkgever bij grensoverschrijdend gedrag. De ambtenaren met wie de Ombudsman heeft gesproken, hebben het vertrouwen in Bureau Integriteit volledig verloren, maar hopen met het delen van hun verhaal bij te dragen aan oplossingen, zodat andere collega’s niet hetzelfde overkomt. Sinds de ombudsman het onderzoek is gestart heeft hij zich ook verdiept in de werkprocessen van Amsterdam, hoe meldingen worden opgepakt en hoe melders geïnformeerd worden over hun melding. Hem is ook de ambitie en inspanningen van het stadsbestuur om grensoverschrijdend gedrag tegen te gaan opgevallen. Er zijn diverse verbeteringen doorgevoerd in de werkwijze van BI, zoals in de registratiesystemen. In zoverre ziet hij positieve ontwikkelingen en meer bewustzijn. Amsterdamse ambtenaren die worden gediscrimineerd, gepest of geïntimideerd moeten kunnen rekenen op een juiste aanpak. De ombudsman constateert zoveel knelpunten in die aanpak dat hij het meldsysteem zeer problematisch acht. Ambtenaren melden maar horen vaak niks terug, vervolgstappen blijven vaak onduidelijk en de besluitvorming rond integriteitsonderzoek roept een schijn van partijdigheid op. Daarom beveelt de ombudsman aan om per direct alle meldingen rond sociale integriteit buiten de gemeente te leggen.
Het Onderzoeksprotocol is duidelijk ontworpen voor zakelijke integriteitsschendingen (fraude, belangenverstrengeling, misbruik van middelen etc.) waarbij bewijs, feiten en een formeel onderzoek centraal staan. Bij sociale integriteit werkt dit onderzoeksprotocol niet, omdat daar vaak bewijs ontbreekt en door BI alternatieve interventies worden geadviseerd. Dit verklaart waarom er weinig persoonsgerichte integriteitsonderzoeken met betrekking tot sociale integriteit uitgevoerd worden. Het aantal meldingen over sociale integriteit is met de jaren gestegen en het is niet duidelijk welke specifieke interventies worden ingezet ter bestrijding van die ongewenste situaties ook nu is gebleken dat het de vraag is of de gemeente haar melders informeert over wat er gedaan wordt. De klachten schetsen het beeld dat de gedane meldingen leiden tot frustratie en onzekerheid vanwege lange doorlooptijden en een gebrek aan communicatie. Melders voelen zich in de steek gelaten, wat vervolgens leidt tot gevoelens van onvrede, een verminderde betrokkenheid, ziekteverzuim of het ontstaan van spanningen op de werkvloer. Dit uit zich in geruchten, een toename van meldingen, vooral in situaties waarin de leidinggevende zelf onderwerp is. Deze dynamiek veroorzaakt ontevredenheid en negatieve gevolgen voor de melders. In plaats van een succesvolle afhandeling ervaren zij dat onderzoeken uitblijven en dat de beslissing om een onderzoek te starten afhankelijk is van het directeurenteam. Als het om de validatie en besluitvorming gaat, ervaren sommige melders weinig grip en veiligheid. Wanneer onderzoeken formeel zouden worden uitgevoerd, sluit dat bovendien niet aan bij de vaak emotioneel beladen dynamiek van deze sociale kwesties. In het Onderzoeksprotocol worden eisen gesteld zoals geheimhouding, minimale communicatie (bij een lopend onderzoek etc.) en door de minimale terugkoppeling kan het gevoel van isolatie toenemen. Het Onderzoeksprotocol biedt nog geen laagdrempelige, veilige en mensgerichte aanpak die nodig is voor het groeiend aantal meldingen over sociale integriteit. Een mensgerichte aanpak vraagt naast laagdrempeligheid bij het doen van een melding (zoals meerdere toegankelijke ingangen en een veilige setting) ook om steun tijdens en na het traject van de melding, waarbij snel en herstelgericht wordt gewerkt.
Het onderzoek volgt op herhaalde klachten van medewerkers en inwoners over de behandeling van meldingen bij het Bureau Integriteit (BI). De centrale vraag was wat van de gemeente verwacht mag worden op het gebied van behoorlijke behandeling van (sociale) integriteitsmeldingen.
De ambitie van de gemeente op inclusiviteit, diversiteit en een prettige werkvloer wordt door organisatorische complexiteit en andere prioriteiten ondergraven.
Hoewel meldingen actief worden aangemoedigd, worden de verwachtingen van melders vaak niet waargemaakt.
Melders vrezen dat sociale integriteitskwesties niet serieus worden onderzocht.
Persoonsgerichte onderzoeken komen zelden voor; meestal gaat het om zakelijke integriteit.
Leidinggevenden zijn vaak zelf onderwerp van meldingen, waardoor melders twijfelen aan BI’s onafhankelijkheid.
Besluiten over het al dan niet starten van een onderzoek zijn onduidelijk voor melders (“black box”).
Alternatieve interventies (risicoanalyse, mediation, training) kunnen onveilig aanvoelen en soms averechts werken, bijvoorbeeld als melders gedwongen worden van werkplek te wisselen.
BI stelt onderzoeksopdrachten op, het directeurenteam beslist, en de gemeentesecretaris knoopt door bij twijfel.
Deze hiërarchie kan de indruk wekken dat melders vooral belangen van leidinggevenden beschermen en dat BI onvoldoende onafhankelijk is, vooral bij meldingen over leidinggevenden.
Er zijn geen harde termijnen; melders ervaren lange wachttijden en onzekerheid.
Communicatie is beperkt, wat stress en onveiligheidsgevoelens vergroot.
Ambtenaren moeten meewerken aan onderzoek, maar zijn afhankelijk van de kwaliteit van hun leidinggevende.
Gebrek aan inclusief leiderschap en personele zorg leidt tot kwetsbaarheid van melders.
Rapportages worden beoordeeld door de juridische dienst; de directeur bepaalt uitvoering van maatregelen.
Melders hebben beperkte inspraak (hoor en wederhoor) en beperkte inzage in dossiers, wat het fairplay‑beginsel kan schenden.
Inconsistentie in dossierdeling kan het gelijkheidsbeginsel ondermijnen en leidt tot onzekerheid bij melders.
Methoden worden gekozen volgens proportionaliteit en subsidiariteit.
Privacy en inzagerecht voor melders zijn onvoldoende geborgd, waardoor reputatie- en beoordelingsrisico’s ontstaan.
Kernbeeld: Het rapport concludeert dat het Bureau Integriteit te weinig onafhankelijk en transparant opereert bij sociale integriteitsmeldingen, dat melders vaak onvoldoende terugkoppeling krijgen, en dat de huidige werkwijze onzekerheid, stress en een gevoel van machtsongelijkheid kan veroorzaken.
Ridouan Taghi ook vanuit gevangenis nog levensbedreigend
In het hoger beroep van het Marengo proces staat Taghi voor het voldongen feit dat geen advocaat meer bereid is om hem te verdedigen. In juli 2019 stonden zeventien verdachten met Ridouan Taghi als hoofdverdachte terecht voor handel in onder andere cocaïne en voor een reeks moorden en pogingen daartoe. Taghi kreeg in 2024 levenslang voor onder meer zes moorden en ging hiertegen in hoger beroep. Ridouan Taghi heeft, na zijn drie eerdere advocaten, al zes keer vergeefs gepoogd om een nieuwe advocaat te krijgen. Het is volgens strafrechtadvocaat Christian Flokstra ‘buitengewoon onaantrekkelijk’ voor advocaten om deze klus op zich te nemen. ‘De vraag is hoe het dan verder moet in zo’n proces, waarbij de belangen zo enorm groot zijn.’ ‘Er waren geen advocaten die bereid waren om mijn rechtsbijstand te verdedigen”, zei Taghi vanuit de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught. In totaal hebben zes advocatenkantoren zijn vraag om bijstand afgewezen, maar later bleken er twee anoniem alsnog bereid om de verdediging op zich te nemen. Eén van de benaderden is de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten, die eerder ook al bij de zaak betrokken was. Het team met Van Berge Henegouwen, Michael Ruperti en Arthur van der Biezen namen in juni 2023 de verdediging over, maar legden die in december 2023 al weer neer wegens onvrede over de wijze waarop de rechtbank werkte.
In maart werd de oproep om Taghi bij te staan nog vergeefs met acht weken verlengd. Dit is een unieke situatie in de geschiedenis van het Nederlandse strafrecht. Volgens het dekenberaad zijn vergeefs vele gesprekken gevoerd met advocaten en teams van advocaten. “In de eindfase van de gesprekken hebben de advocaten aangegeven dat de impact van de zaak, in combinatie met omstandigheden waaronder zij hun werkzaamheden zouden moeten verrichten, voor hen (persoonlijk) niet haalbaar was. Over twee weken staat een nieuwe zitting gepland.
Taghi zit al ruim een jaar zonder advocaat sinds de aanhouding van zijn eerdere advocaat Vito Shukrula die berichten van Taghi zou hebben doorgespeeld vanuit de gevangenis. Zijn andere oud-advocaat Inez Weski stond terecht voor soortgelijke beschuldigingen en werd zonder straf veroordeeld. Zowel Zij als het OM gingen niet in beroep. De advocaat en tevens neef van Taghi Youssef kreeg hiervoor eerder 5,5 jaar cel. Ook Michael Ruperti stond Taghi even bij, maar hij stopte omdat naar eigen zeggen zijn integriteit in twijfel werd getrokken. Het Amsterdamse gerechtshof spreekt van een “unieke situatie” en zegt van plan te zijn de situatie met Taghi zelf te bespreken in een openbare zitting. Het is namelijk een fundamenteel recht een advocaat te mogen hebben.
Het gerechtshof moet nu toch proberen om de zaak voort te zetten zonder een advocaat. Punten die eerdere advocaten van Taghi in het verleden naar voren brachten, zouden dan opnieuw besproken kunnen worden. Zo zouden de rechters ten dele de rol van de advocaat kunnen overnemen. Als de zaak is afgerond, zouden hogere rechters vervolgens moeten beoordelen of het proces correct is verlopen. In 2016 bleek de beveiliging van de gevangenis in Vught al zo lek als een mandje. Wapens en drugs kwamen moeiteloos de zwaarbewaakte gevangenis binnen. De zwaarbewaakte gevangenis in Vught, met ruim 600 gedetineerden een van de grootste van ons land, kwam zwaar onder vuur te liggen na een serie alarmerende incidenten. Zo wist een gevangene op kinderlijk eenvoudige wijze ijzerzaagjes in zijn schoenzool mee naar binnen te smokkelen, waarmee een medegevangene de tralies van zijn cel door kon zagen. Een ander incident betreft de zelfmoord van de tot levenslang veroordeelde Lau G. in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) van de PI Vught, die een overdosis pillen tot zich nam. G. wist de enorme hoeveelheid pillen ondanks grondige celinspecties in zijn televisietoestel te verstoppen. Werknemers, oud-werknemers, ex-gedetineerden en advocaten stelden dat smokkelwaar als drugs nog dagelijks de poorten van PI Vught binnen komen. Gevangenen, met name zware criminelen, zouden er met de scepter zwaaien en het personeel intimideren. ‘Een lijntje coke, een pilletje, een Bacardi of een whiskey zijn geen vreemde zaken in Vught’, zei een vrijgekomen ex-gedetineerde daarover. ‘Er zitten mensen die levenslang hebben en daar al tien jaar zitten. Zij bepalen hoe het gaat, niet de bewakers. Bewaarders, in vakjargon Penitentiair Inrichtingswerkers of kortweg piw’ers genoemd verklaarden dat de honderden bezoekers die ’s ochtends de pi Vught binnen komen, wegens tijdgebrek onmogelijk allemaal gecontroleerd kunnen worden. ‘Dan moet je met twee bewakers een paar honderd mensen controleren. Zo zouden bijvoorbeeld bolletjes coke binnengesmokkeld worden, die vervolgens tijdens de visitatie in een kopje koffie worden gedaan. De gedetineerde drinkt dat op en krijgt het bolletje binnen. Daardoor doen zich vaker gevaarlijke situaties voor, bewaarders zijn onderbezet waardoor ook fouten worden gemaakt. Werknemers die de misstanden binnen de Vughtse gevangenis aan probeerden te kaarten werden naar eigen zeggen monddood gemaakt. Wie kritiek uitte of met de media praatte zou keihard worden afgestraft. Je kan dan een schaal omlaag worden gezet of je krijgt een strafoverplaatsing. Of er komt een disciplinair onderzoek, en daar vanuit kan je zelfs strafontslag krijgen’, lichtte een klokkenluider toe. Diezelfde angstcultuur zou medewerkers destijds hebben weerhouden om hun mond open te trekken en misstanden aan de kaak te stellen. Na verbeterslagen de afgelopen tien jaar zijn de problemen nog steeds niet volledig verdwenen en blijven er terugkerende zorgen over de smokkel van drugs en telefoons wat nog steeds voorkomt (vaak via bezoekers, drones of personeel). Personeelstekorten blijven een structureel probleem in het Nederlandse gevangeniswezen en de druk vanuit zware criminelen is een bekend risico, vooral in hoogbeveiligde afdelingen. Recente berichtgeving (na 2020) laat zien dat incidenten nog steeds plaatsvinden.
Zo vond in december 2025 een gijzeling plaats in het Penitentiair Psychiatrisch Centrum van Vught, waarbij meerdere medewerkers urenlang werden vastgehouden door een gedetineerde. Dat zo’n incident kan gebeuren binnen een van de zwaarst beveiligde instellingen van Nederland maakt duidelijk dat niet alleen de fysieke beveiliging van belang is, maar ook de personele bezetting en de omgang met risicovolle gedetineerden. Een jaar eerder, in 2024, raakten bovendien twee medewerkers gewond bij geweldsincidenten binnen de inrichting, wat opnieuw de kwetsbaarheid van het personeel blootlegde. De kern van de situatie is daarmee dat de aard van de problemen deels is veranderd, maar niet verdwenen. Structurele factoren zoals personeelstekorten, hoge werkdruk en de aanwezigheid van zware en soms moeilijk beheersbare gedetineerden zorgen nog steeds voor onaanvaardbare risico’s.
Terug naar nieuws
🔒
Reactie achterlaten?
Om uw privacy en de veiligheid van deze website optimaal te waarborgen, maken wij geen gebruik van een online contactformulier.
U kunt uw reactie of vraag direct en veilig sturen naar onze redactie@bvs.nl via onderstaande knop.


