Het jaar 2026 zal de boeken ingaan als een van de meest extreme achtbaanritten uit de geschiedenis van de zilvermarkt. Begin dit jaar schoot de prijs van zilver, aangedreven door een combinatie van speculatie, een grote industriële vraag en zorgen over de beschikbaarheid van fysiek metaal, door naar een historisch record van ongeveer 121 dollar per ounce. Vervolgens stortte de prijs in een tijdsbestek van enkele dagen met tientallen procenten in. In september 2026 beweegt de zilverprijs rond de 63 dollar per ounce. Voor de buitenwacht lijkt de rust teruggekeerd. Maar achter de schermen is de discussie over de werkelijke waarde van zilver en de macht van de financiële markten allerminst voorbij.
De vraag is namelijk of de scherpe correctie van januari uitsluitend een normale reactie van vraag en aanbod was, of dat ook de structuur van de westerse termijnmarkt een belangrijke rol heeft gespeeld. De gebeurtenissen roepen opnieuw vragen op over de macht van de grote financiële partijen, de rol van de CME Group en de kwetsbaarheid van een systeem waarin enorme hoeveelheden papieren contracten worden verhandeld tegenover een beperkte hoeveelheid direct beschikbaar fysiek metaal.
Toen de zilverprijs begin dit jaar richting de 120 dollar schoot, werden de marginvereisten op de termijnmarkt verhoogd. De CME Group, uitbater van de Amerikaanse COMEX, verhoogde de verplichte borg die handelaren moeten aanhouden om hun posities te mogen behouden. Dergelijke verhogingen zijn op zichzelf geen ongebruikelijk instrument. Ze zijn bedoeld om het risico voor de beurs en haar deelnemers te beperken wanneer de prijzen sterk bewegen. Maar het gevolg kan ook zijn dat handelaren met een hoge hefboom hun posities moeten verkleinen of gedwongen worden te verkopen.
Daarmee kan een zichzelf versterkende verkoopgolf ontstaan. Wie onvoldoende extra borg kan opbrengen, moet zijn positie sluiten. Bij een markt die al sterk is opgelopen zet het de prijs extra onder druk. De marginverhogingen hebben de verkoopdruk waarschijnlijk versterkt en daarmee bijgedragen aan de scherpe correctie van januari, maar de vraag blijft of dat de maatregelen vooral de financiële partijen hielpen die aan de verkeerde kant van de markt stonden.
Dat laatste is geen bewezen conclusie, maar de geschiedenis van financiële markten laat zien dat grote instellingen met omvangrijke posities soms in de problemen komen wanneer prijzen onverwacht sterk bewegen. Wanneer grote financiële partijen short zitten en de prijs blijft stijgen, kunnen de verliezen snel oplopen. Een hogere margin kan vervolgens extra verkoopdruk veroorzaken, waardoor de prijs daalt en de druk op shortposities afneemt.
Dat betekent niet automatisch dat de beurs bewust een crash heeft georganiseerd om banken te redden. Daarvoor zijn concrete gegevens nodig over de posities van de betrokken instellingen, hun verliezen en de besluitvorming rond de marginverhogingen. Maar het mechanisme zelf komt bekend voor en verdient aandacht. Het is een van de redenen waarom de zilvermarkt niet uitsluitend op basis van de zichtbare prijs kan worden beoordeeld.
Nog interessanter is de ontwikkeling in Azië. De prijsverschillen tussen de westerse termijnmarkten en de fysieke markt in Shanghai laten zien dat er niet één volledig geïntegreerde zilvermarkt bestaat waarin overal dezelfde prijs geldt. In Shanghai liep de premie op fysiek zilver begin dit jaar fors op, wat wijst op een sterke regionale vraag en spanning tussen de hoeveelheid metaal die daadwerkelijk beschikbaar is en de hoeveelheid die kopers willen hebben.
Daarmee wordt een fundamenteel probleem zichtbaar. Op de westerse termijnmarkten kunnen grote hoeveelheden zilver worden verhandeld zonder dat voor iedere transactie daadwerkelijk een fysieke ounce van eigenaar wisselt. Dat is normaal binnen een futuresmarkt. Een futurescontract is een financieel instrument, geen directe aankoop van een stuk metaal. Nu steeds meer beleggers daadwerkelijk levering willen, verandert de situatie en wordt niet alleen de prijs van een contract belangrijk, maar ook de vraag of het metaal er daadwerkelijk is.
De grote industriële vraag vooral vanuit China maakt de situatie extra spannend. Zilver is nodig voor zonnepanelen, elektronica, elektrische toepassingen en andere industriële producten. De energietransitie zorgt voor een structurele vraag terwijl het aanbod niet zomaar kan worden verhoogd. Zilver wordt voor een groot deel als bijproduct van de winning van andere metalen geproduceerd. Een hogere zilverprijs leidt daardoor niet automatisch tot een evenredige stijging van de productie.
Als de fysieke vraag blijft stijgen, terwijl de direct beschikbare voorraad onder druk staat, wordt de markt steeds kwetsbaarder. Een nieuwe stijging van de prijs kan dan niet alleen worden veroorzaakt door speculanten, maar ook door partijen die daadwerkelijk metaal nodig hebben. En wanneer die partijen massaal levering eisen, kan het verschil tussen de papieren prijs en de fysieke prijs verder oplopen.
Daarmee komt de vraag op tafel of de huidige zilverprijs van ongeveer 63 dollar wel de werkelijke schaarste weerspiegelt, of dat die prijs vooral het resultaat is van een financiële markt waarin contracten worden verhandeld die onder normale omstandigheden nooit allemaal tot fysieke levering zouden leiden.
Zolang de markt vertrouwen houdt in de mogelijkheid om contracten af te wikkelen, kan een relatief kleine hoeveelheid fysiek metaal een veel grotere hoeveelheid financiële handel ondersteunen. Maar wanneer dat vertrouwen verdwijnt, kan de verhouding tussen papier en fysiek metaal plotseling een probleem worden.
De geschiedenis van financiële markten kent meer voorbeelden waarbij een systeem lange tijd stabiel leek, totdat een relatief kleine verstoring de onderliggende kwetsbaarheid zichtbaar maakte. Dat betekent niet dat de zilvermarkt noodzakelijkerwijs op het punt staat in te storten. Maar het betekent wel dat een periode van rust niet automatisch bewijst dat het probleem is opgelost.
Sterker nog, een rustige consolidatie kan juist de fase zijn waarin de volgende beweging wordt voorbereid. Wanneer beleggers opnieuw vertrouwen krijgen in de markt, kan de vraag terugkeren. Wanneer de fysieke beschikbaarheid ondertussen niet in hetzelfde tempo toeneemt, kan de prijs opnieuw sterk oplopen. En wanneer de financiële markt vervolgens opnieuw probeert de prijs af te remmen, kan de spanning tussen papieren contracten en fysiek metaal verder toenemen.
De grote vraag voor de komende periode is daarom niet alleen of zilver opnieuw naar 100 dollar of hoger kan stijgen. De belangrijkere vraag is of de financiële infrastructuur die de huidige zilverprijs bepaalt, bestand is tegen een nieuwe golf van fysieke vraag.
Want zolang de prijs voornamelijk wordt bepaald door financiële contracten, blijft er een verschil bestaan tussen de prijs van zilver op papier en de prijs die iemand moet betalen wanneer hij het metaal daadwerkelijk in handen wil krijgen. Als dat verschil groter wordt, neemt ook het risico toe dat de papieren prijs niet langer als betrouwbare afspiegeling van de fysieke markt wordt gezien.
De geschiedenis leert dat financiële markten lang stabiel kunnen lijken, totdat de onderliggende spanningen zich plotseling manifesteren. De vraag is niet alleen óf de markt opnieuw wordt geconfronteerd met de werkelijkheid van fysiek metaal, maar ook wanneer en onder welke omstandigheden dat zal gebeuren.
Het jaar 2026 zal de boeken ingaan als een van de meest extreme achtbaanritten uit de geschiedenis van de zilvermarkt. Begin dit jaar schoot de prijs van zilver, aangedreven door een combinatie van speculatie, een grote industriële vraag en zorgen over de beschikbaarheid van fysiek metaal, door naar een historisch record van ongeveer 121 dollar per ounce. Vervolgens stortte de prijs in een tijdsbestek van enkele dagen met tientallen procenten in. In september 2026 beweegt de zilverprijs rond de 63 dollar per ounce. Voor de buitenwacht lijkt de rust teruggekeerd. Maar achter de schermen is de discussie over de werkelijke waarde van zilver en de macht van de financiële markten allerminst voorbij.
De vraag is namelijk of de scherpe correctie van januari uitsluitend een normale reactie van vraag en aanbod was, of dat ook de structuur van de westerse termijnmarkt een belangrijke rol heeft gespeeld. De gebeurtenissen roepen opnieuw vragen op over de macht van de grote financiële partijen, de rol van de CME Group en de kwetsbaarheid van een systeem waarin enorme hoeveelheden papieren contracten worden verhandeld tegenover een beperkte hoeveelheid direct beschikbaar fysiek metaal.
Toen de zilverprijs begin dit jaar richting de 120 dollar schoot, werden de marginvereisten op de termijnmarkt verhoogd. De CME Group, uitbater van de Amerikaanse COMEX, verhoogde de verplichte borg die handelaren moeten aanhouden om hun posities te mogen behouden. Dergelijke verhogingen zijn op zichzelf geen ongebruikelijk instrument. Ze zijn bedoeld om het risico voor de beurs en haar deelnemers te beperken wanneer de prijzen sterk bewegen. Maar het gevolg kan ook zijn dat handelaren met een hoge hefboom hun posities moeten verkleinen of gedwongen worden te verkopen.
Daarmee kan een zichzelf versterkende verkoopgolf ontstaan. Wie onvoldoende extra borg kan opbrengen, moet zijn positie sluiten. Bij een markt die al sterk is opgelopen zet het de prijs extra onder druk. De marginverhogingen hebben de verkoopdruk waarschijnlijk versterkt en daarmee bijgedragen aan de scherpe correctie van januari, maar de vraag blijft of dat de maatregelen vooral de financiële partijen hielpen die aan de verkeerde kant van de markt stonden.
Dat laatste is geen bewezen conclusie, maar de geschiedenis van financiële markten laat zien dat grote instellingen met omvangrijke posities soms in de problemen komen wanneer prijzen onverwacht sterk bewegen. Wanneer grote financiële partijen short zitten en de prijs blijft stijgen, kunnen de verliezen snel oplopen. Een hogere margin kan vervolgens extra verkoopdruk veroorzaken, waardoor de prijs daalt en de druk op shortposities afneemt.
Dat betekent niet automatisch dat de beurs bewust een crash heeft georganiseerd om banken te redden. Daarvoor zijn concrete gegevens nodig over de posities van de betrokken instellingen, hun verliezen en de besluitvorming rond de marginverhogingen. Maar het mechanisme zelf komt bekend voor en verdient aandacht. Het is een van de redenen waarom de zilvermarkt niet uitsluitend op basis van de zichtbare prijs kan worden beoordeeld.
Nog interessanter is de ontwikkeling in Azië. De prijsverschillen tussen de westerse termijnmarkten en de fysieke markt in Shanghai laten zien dat er niet één volledig geïntegreerde zilvermarkt bestaat waarin overal dezelfde prijs geldt. In Shanghai liep de premie op fysiek zilver begin dit jaar fors op, wat wijst op een sterke regionale vraag en spanning tussen de hoeveelheid metaal die daadwerkelijk beschikbaar is en de hoeveelheid die kopers willen hebben.
Daarmee wordt een fundamenteel probleem zichtbaar. Op de westerse termijnmarkten kunnen grote hoeveelheden zilver worden verhandeld zonder dat voor iedere transactie daadwerkelijk een fysieke ounce van eigenaar wisselt. Dat is normaal binnen een futuresmarkt. Een futurescontract is een financieel instrument, geen directe aankoop van een stuk metaal. Nu steeds meer beleggers daadwerkelijk levering willen, verandert de situatie en wordt niet alleen de prijs van een contract belangrijk, maar ook de vraag of het metaal er daadwerkelijk is.
De grote industriële vraag vooral vanuit China maakt de situatie extra spannend. Zilver is nodig voor zonnepanelen, elektronica, elektrische toepassingen en andere industriële producten. De energietransitie zorgt voor een structurele vraag terwijl het aanbod niet zomaar kan worden verhoogd. Zilver wordt voor een groot deel als bijproduct van de winning van andere metalen geproduceerd. Een hogere zilverprijs leidt daardoor niet automatisch tot een evenredige stijging van de productie.
Als de fysieke vraag blijft stijgen, terwijl de direct beschikbare voorraad onder druk staat, wordt de markt steeds kwetsbaarder. Een nieuwe stijging van de prijs kan dan niet alleen worden veroorzaakt door speculanten, maar ook door partijen die daadwerkelijk metaal nodig hebben. En wanneer die partijen massaal levering eisen, kan het verschil tussen de papieren prijs en de fysieke prijs verder oplopen.
Daarmee komt de vraag op tafel of de huidige zilverprijs van ongeveer 63 dollar wel de werkelijke schaarste weerspiegelt, of dat die prijs vooral het resultaat is van een financiële markt waarin contracten worden verhandeld die onder normale omstandigheden nooit allemaal tot fysieke levering zouden leiden.
Zolang de markt vertrouwen houdt in de mogelijkheid om contracten af te wikkelen, kan een relatief kleine hoeveelheid fysiek metaal een veel grotere hoeveelheid financiële handel ondersteunen. Maar wanneer dat vertrouwen verdwijnt, kan de verhouding tussen papier en fysiek metaal plotseling een probleem worden.
De geschiedenis van financiële markten kent meer voorbeelden waarbij een systeem lange tijd stabiel leek, totdat een relatief kleine verstoring de onderliggende kwetsbaarheid zichtbaar maakte. Dat betekent niet dat de zilvermarkt noodzakelijkerwijs op het punt staat in te storten. Maar het betekent wel dat een periode van rust niet automatisch bewijst dat het probleem is opgelost.
Sterker nog, een rustige consolidatie kan juist de fase zijn waarin de volgende beweging wordt voorbereid. Wanneer beleggers opnieuw vertrouwen krijgen in de markt, kan de vraag terugkeren. Wanneer de fysieke beschikbaarheid ondertussen niet in hetzelfde tempo toeneemt, kan de prijs opnieuw sterk oplopen. En wanneer de financiële markt vervolgens opnieuw probeert de prijs af te remmen, kan de spanning tussen papieren contracten en fysiek metaal verder toenemen.
De grote vraag voor de komende periode is daarom niet alleen of zilver opnieuw naar 100 dollar of hoger kan stijgen. De belangrijkere vraag is of de financiële infrastructuur die de huidige zilverprijs bepaalt, bestand is tegen een nieuwe golf van fysieke vraag.
Want zolang de prijs voornamelijk wordt bepaald door financiële contracten, blijft er een verschil bestaan tussen de prijs van zilver op papier en de prijs die iemand moet betalen wanneer hij het metaal daadwerkelijk in handen wil krijgen. Als dat verschil groter wordt, neemt ook het risico toe dat de papieren prijs niet langer als betrouwbare afspiegeling van de fysieke markt wordt gezien.
De geschiedenis leert dat financiële markten lang stabiel kunnen lijken, totdat de onderliggende spanningen zich plotseling manifesteren. De vraag is niet alleen óf de markt opnieuw wordt geconfronteerd met de werkelijkheid van fysiek metaal, maar ook wanneer en onder welke omstandigheden dat zal gebeuren.
Dat financiële instellingen de prijzen van edelmetalen daadwerkelijk hebben gemanipuleerd, is geen theorie. In het verleden werden meerdere banken door toezichthouders daarvoor aangepakt en beboet. Dat betekent uiteraard niet dat de scherpe correctie van januari 2026 per se het gevolg was van manipulatie. Maar het betekent wel dat niet kan worden uitgesloten dat grote financiële partijen proberen invloed uit te oefenen op de prijs van zilver.
Wie uitsluitend naar de papieren prijs kijkt, zou dan wel eens te laat kunnen zijn.

Leave a Reply